« Dat zeg ik! | Main | hulp »

31 januari 2008

gestikt in een wasbeer

Boven mijn muziekstandaard hangt een oude cartoon van Peter van Straaten. Je ziet een man en vrouw op de rand van een bed zitten. Hij heeft zijn arm om haar heen. Haar hoofd is een beetje gebogen, al kun je niet zien waarom. Pontificaal op de voorgrond, naast het bed, staat een monster van een koperen tuba. De man zegt: ‘Of zal ik eerst nog een stukje spelen?’
Ik weet niet waarom andere mensen stukjes en cartoons en columns uit de krant knippen, maar waarom ik het doe is duidelijk, als een boodschap aan mezelf: verbeeld je maar niks. Als je een koperblaasinstrument bespeelt ben je echt niet de erotische droom van de gemiddelde vrouw. Zoals Dorothy Parker ooit schreef: ‘Men seldom make passes/ at girls who wear glasses’, zo geldt voor sommige mannen (waaronder ik): ‘Weinig vrouwen azen/ op kerels die blazen.’
Dat valt niet mee voor een muzikant, want het hoort bij elkaar, muziek en seks. Alleen al omdat dat het voornaamste is waar het over gaat, in de auto op weg naar een optreden, in de kleedkamer én op het podium. Baby, you can drive my car. Get your mojo working. Sex machine. Let’s get it on. Niet subtiel, wel duidelijk: muzikanten zijn er klaar voor. Er zijn dan ook geen seksbeluster groupies dan muziekgroupies: vrouwen die met hun blote vuisten de ruitjes van de kleedkamer inbeuken, of die achteloos de gorrila’s bij de ingang van de kleedkamer even afzuigen, om in de buurt van hun idolen te komen.
Nu moet ik erbij zeggen dat het voor een jazzmuzikant meestal wat minder spectaculair is dan voor de meeste popmuzikanten, die groupies. Drie uur na afloop van het optreden, als de meeste popmuzikanten allang bezig zijn met het verbouwen van hun hotelkamer en het stikken in hun eigen kots, sta ik nog bij de bar om het meisje heen te draaien dat eerder die avond gevraagd had of ze misschien Summertime mee mocht zingen.
Ook wat de drugs betreft is het bij de jazzmuzikanten volkomen anders. Als je avond aan avond tweeduizend gitaar-decibellen voor je kiezen krijgt kun je wel wat medicinale steun gebruiken, maar de meeste jazzmuzikanten hebben, bij gebrek aan optredens in voetbalstadions en de bijbehorende geluidshinder, genoeg aan een jointje hier en misschien een pilletje daar. Zelf ben ik al helemaal geen liefhebber: toen ik een keer, na afloop van het optreden van Mister Velcro & the Plastic Quintet in het dorpshuis te Lamhuizen, op de parkeerplaats een joint toegestoken kreeg, en ik opgejut door het succes van de avond, een flinke hijs nam, gebeurde er eerst helemaal niets. Ik hield mijn adem zo lang mogelijk in - zo lang dat onze trompettist het benauwd kreeg en zei: ‘Je mag nu wel uitblazen.’ Ik blies de rook uit, maar ik voelde niets. Hoogstens kreeg ik een beetje warme voeten. Ik nam nog een paar trekjes, maar er gebeurde helemaal nakko, nichts, rien du tout, en ik lachte om de verzaligde gezichten van de bassist en de drummer. Zogenaamd knetterstoned. Jaja. Drugs, allemaal flauwekul was het, zij het dat ik inmiddels, behalve die ongelofelijk warme voeten, wel het gevoel had dat ik een wasbeer had doorgeslikt, die ergens bij mijn huig was komen klem te zitten. Een dikke, volgevreten wasbeer, die zijn bontpels verstikkend tegen mijn gehemelte duwde. Het werd een race tegen de klok. Gelukkig kregen ze me net op tijd thuis en met mijn hoofd onder de kraan.
Ik wou dat ik u meer kon vertellen over mijn wilde muzikantenleven, maar zoals ik al zei: ik was jazzmuzikant. Ik heb nooit een hotelsuite kort en klein geslagen, al heb ik wel hier en daar in wasbakken gepist. Ik heb nooit groupies gehad, als ik de moeder van Edwin Rutten even niet meetel. En ik heb nooit een spuit in mijn armen gehad, behalve voor een vaccinatie. Daar staat tegenover dat ik er nog steeds fantastisch uitzie, vergeleken met mijn vrienden uit de popscene; de meesten van hen lijken tegenwoordig op iets dat veel te lang in een plastic doos op de onderste plank van de koelkast heeft gewoond.

jaeggi om 31 januari 2008 09:23