« de multiblurb | Main | al mijn opgedronken lenzen »

31 mei 2006

minnaar

De voornaamste eigenschap van een goede minnaar is dat hij zich nooit afvraagt of hij een goede minnaar is. Het probleem is dat hij dit gemeen heeft met slechte minnaars.
Mannen vragen zich liever niet af of ze iets wel goed doen. Al vallen de brokken pleister uit het plafond, ze gaan rustig door met hameren en schroeven. Liever rijden ze bij nacht en ontij eindeloze rondjes over achterafweggetjes dan dat ze aan een voorbijganger de weg te vragen. En ze laten nog liever seks geheel achterwege dan te vragen of ze het ‘goed doen’.
Er bestaan natuurlijk wel mannen die, terwijl ze met één hand naar hun sigaretten tasten en met de andere afwezig het plakkerige lichaam naast zich strelen, het kunnen opbrengen om te vragen: ‘Was het voor jou ook lekker?’ Maar dat zijn uitzonderingen.
Net als een auto zich niet voortdurend afvraagt of hij wel een goed voertuig is, zo gaat een man ervan uit dat het wel goed zit. Hij is immers een man. Dat moet genoeg zijn.
Nu weten we natuurlijk al sinds de introductie van de eerste Lieve Mona-rubriek dat dit een misverstand is, maar er is wel een goede reden voor: een minnaar die het moet vragen is geen goede minnaar. Als hij ook maar de minste onzekerheid toont is hij het al niet meer. Vrouwen laten daar geen enkel misverstand over bestaan: het meest opwindend aan een man is de grootte van zijn… zelfvertrouwen, precies.
Ik heb een vriend, hij heet Hugo, die hier een geweldig succesvol seksleven op gebaseerd heeft. Uit de verhalen van zijn ex-vriendinnen maak ik op dat hij een geweldige minnaar is. Natuurlijk maakt me dat nieuwsgierig, maar als ik verder vraag krijg ik steevast een klaagzang te horen over alle manieren waarop Hugo ze belazerd heeft. Niets over bedprestaties, cadeautjes, attenties of onverwachte vakantiereisjes: Hugo’s aantrekkingskracht bestaat er vooral uit dat het hem geen ene moer kan schelen wie er in zijn bed ligt, als ze de volgende ochtend maar op tijd, dat wil zeggen vóór hij wakker is, de deur uit zijn.
Ik weet heel zeker dat Hugo nooit iemand gevraagd heeft of ze ook was klaargekomen. Het idee alleen al is absurd: alsof Leonardo da Vinci aan Mona zou vragen: ben je een beetje tevreden zo of moet de glimlach nog wat breder?
Toch is Hugo’s manier niet de enige. Die andere grote minnaar, Giacomo Casanova, deed precies het tegenovergestelde. Elke nieuwe vrouw wist hij al bij de eerste kennismaking ervan te overtuigen dat zij de liefde van zijn leven was. Eeuwige trouw beloven wekt bij vrouwen een of ander hormoon op waardoor ze als was in je handen worden, en, zeker niet onbelangrijk: het maakt niets uit of je je belofte nakomt. Casanova was altijd met een week of twee weer verdwenen. Mijn vriend Hugo heeft, afgezien van zijn huwelijk, nooit een relatie gehad die langer duurde dan de looptijd van het gemiddelde Talpa-programma, maar elke vrouw die hij ooit heeft gehad krijgt nog steeds een dromerige blik in haar ogen als ze het over hem heeft.
Ik moet toegeven dat het me weleens zwaar valt, vooral omdat zo’n ex, als Hugo even naar de wc is, steevast een arm om me heen slaat, me een kus op mijn neus geeft en zegt: ‘Hè, jij bent eigenlijk veel leuker dan die klootzak. Waarom kan ik nou niet op jóu verliefd worden?’
Omdat ik geen grote minnaar ben, denk ik. Het lukt mij gewoon niet om iemand de volgende ochtend meteen het bed uit te trappen. Ik maak af en toe zelfs de basisfout om een ontbijtje te serveren – al heeft Hugo me streng verboden om daarbij een roos in een vaasje naast de versgeperste jus te zetten. Ook bel ik altijd netjes twee dagen later op om te vragen hoe het gaat, of ze goed is klaargekomen, en of ze zin heeft binnenkort een nieuwe afspraak te maken. Over het algemeen valt dan een korte, pijnlijke stilte, waarin op de achtergrond duidelijk de ringtone van Hugo’s mobieltje te horen is.

jaeggi om 31 mei 2006 00:36