« mei 2008 | Main

11 juni 2008

deadline


Juni 1999, een dinsdagavond. Wij bevinden ons in het oude Parool-gebouw aan De Wibautstraat, temidden van de leden van de redactie van Propria Cures, die op dit moment niet zozeer roemrucht is als wel in opperste stress. Voor degenen die nooit in levenden lijve een verstrijkende deadline hebben meegemaakt: vergelijk het met het gevoel dat je vliegtuig op het punt van vertrekken staat terwijl jij nog twee norse gendarmes en een visumcontrole moet passeren, en je vanochtend in de haast je vingernagels te kort hebt afgeknipt.
Elk moment kan er van beneden een telefoontje komen, van de portier met nachtdienst: ‘U bent de heren van de Propria? Uw koerier is er.’ Dat is onze laatste waarschuwing: als de brommerkoerier zich meldt, steevast een Marokkaanse jongen van een jaar of vijftien van wie zijn helm voor eeuwig vergroeid lijkt met zijn hoofd, konden we ongeveer nog een kwartier uitstellen, dan was het onherroepelijk tijd en moest het blad naar de drukker, compleet of niet. Geen tijd voor laatste correcties per e-mail, e-mail stond nog in de kinderschoenen (sommige redacteuren schreven nog met de pen en de opmakers werkten nog met vlijmscherpe messen om de kopij te snijden – o verloren paradijs...)
Om mij heen leverden de andere redacteuren lachend hun laatste correcties in en maakten zich op om de Wibautstraat over te steken naar café Hesp, je kon de smaak van bier en leverworst al proeven, en ik had nog twee kolommen openstaan voor mijn stuk over Maarten Biesheuvel, Duke Ellington en de clown van Circus Renz.
Maar een blik op de klok leerde me dat ik het er dit keer teveel op had laten aankomen. Dit keer zou ik de deadline echt niet halen. Ik was niet geschikt voor dit vak. Voor het eerst in de roemruchte geschiedenis van PC zouden er twee lege kolommen in het blad staan. Tenwij er een wonder gebeurde.
Vandaag is het een heel ander soort deadline. Eigenlijk ben ik hem gisteravond al gepasseerd. Het lukte niet het stuk voor de krant van vandaag op tijd af te hebben. Ik lag gisteravond weliswaar in de aanslag, laptop op schoot, maar ik was te moe en had teveel ongemak om die simpele twee kolommen te schrijven. Bovendien moest ik me goed concentreren op de woorden van de man van Thuiszorg Amsterdam aan mijn bed, die me uitlegde hoe de morfinepomp werkte die hij net bij me had aangelegd. Daarmee zou ik verlost zijn van die bittere andere deadlines, drie keer per dag, dat het nog anderhalf uur duurde voor ik mijn pijnstillers weer mocht nemen.
Toen alle draadjes waren aangelegd en het principe van de pomp was uitgelegd was het middernacht. Ik deed het licht uit en propte het kussen onder mijn hoofd. Het had geen zin meer te proberen de twee norse gendarmes en de visumcontrole nog te te passeren op dit tijdstip. Mijn vingers schrijnden: nog geen anderhalve maand columnist bij Het Parool en er stonden al twee lege kolommen op de plaats van mijn stuk. Had ik dan helemaaal niets geleerd in al die jaren? Ik was niet geschikt voor dit vak. Tenzij er een wonder gebeurde.

Posted by jaeggi at 02:40 pm

01 juni 2008

een liter volle Turkse

Deze column verscheen afgelopen week ook in het Parool.
Berichten op dit weblog zullen de komende tijd onregelmatiger verschijnen dan gewoonlijk, maar, hey, als je iets samenhangends zoekt kun je beter M&M's gaan tellen.


Het is geen slechte tijd van het jaar om ziek te zijn. Ik lig veel bij het open raam in de zon met thee en sigaretten (de dokter zei: ‘ik zou het maar lekker doen’). Aan de andere kant valt niet te ontkennen dat iedereen gezond is en jij niet.
Het meest onwennig aan mijn toestand is dat je voortdurend bezig bent je af te vragen hoe je je voelt. Die vraag stelde ik mezelf de afgelopen dertig jaar hoogstens één keer per maand, als het de avond tevoren schandalig laat was geworden en ik een dag vol werk voor me had liggen. Maar nu begint elke ochtend met het slikken van een rijtje pillen en vervolgens het voorzichtig aftasten van de verschillende lichaamsfuncties, om te weten wat voor dag het zal worden.
Het belangrijkste is de algehele conditie na een nacht slapen. Een van de dingen die kanker met je doet is je energie wegvreten. Ik geloof dat dat bij velen uiteindelijk ook de voornaamste doodsoorzaak is, als het niet meer lukt om genoeg energie te verzamelen om je terug te vechten. Daarom ben ik de afgelopen weken meteen na de ochtendlijke lichamelijke check-up naar beneden gegaan, terwijl de rest van het huis nog sliep, om daar een grote emmer yoghurt met fruit en cruësli weg te lepelen. (‘Yoghurt?’ vroeg een vriendin schamper. ‘Yoghurt eet je juist als je op dieet bent!’ Ik zei: ‘Maar niet een liter volle Turkse per dag, schat.’)
Ook de rest van de dag ben je bezig met het jezelf rekenschap geven van je toestand. Je realiseert het je niet als je gezond bent, maar ernstig ziek ben je de hele dag. Zijn het niet de pillen die je op tijd moet slikken dan zijn het wel vrienden die willen weten hoe het gaat. Volkomen begrijpelijk natuurlijk. Als je bij een zieke op bezoek gaat zeg je niet bij je eerste kaakje: ach, ik zie dat jullie eindelijk die oude afzuigkap hebben laten vervangen? Natuurlijk vraag je naar iemands toestand, daar kwam je voor. Maar een bevredigend antwoord geven is onmogelijk. Als je exact zou willen zijn zou je moeten zeggen: vanochtend prima, na de yoghurt even iets minder (ik ga het morgen bij een halve liter houden) en nu min of meer alsof er een hippopotamus op me is gaan zitten, maar dat is altijd zo rond een uur of elf, dat klaart zo wel weer op.
Bij het schrijven van een column is het nog gecompliceerder. Ik heb met de redactie afgesproken dat ik het in deze kolommen ook ‘hierover’ zou hebben, maar ik merk dat ik niet gewend ben zo weinig afstand te hebben tussen wat ik meemaak en wat ik schrijf. Bij alles wat ik tot nu toe geschreven heb, van romans tot poëzierecensies, van gedichten tot columns, was er altijd de geruststellende wetenschap dat het niet over mij ging, de veilige buffer van de fictie. Daar kan ik mij niet meer achter verschuilen: het gaat ineens wel degelijk over mij, meer dan ooit. Dat is een tamelijk onthutsende gedachte, al is er ook troost: bij het schrijven van deze laatste regels voel ik mij een stuk beter dan toen ik aan deze column begon. Zolang schrijven even goed helpt als die pillen houd ik het nog wel even vol.


Posted by jaeggi at 01:49 pm

de weg vinden

Dit bericht verscheen ook in het Parool.

De route door de beleefde, gestroomlijnde fabrieken van onze gezondheidszorg is keurig bewegwijzerd, overal hangen richtingaanwijzers en borden waarop alle ernstige ziektes die ons kunnen treffen zijn ingedeeld in overzichtelijke poliklinieken, maar je moet toch je eigen weg zien te vinden. Je zou zeggen dat je doktor daarin de gids moet zijn, maar moderne artsen zijn heel voorzichtig met enige vorm van stelligheid. Het heeft natuurlijk zijn voordelen om niet direct bij binnenkomst standaard een bloedzuiger op je arm te krijgen, maar de standaard begroeting: ‘En hoe gaat het met U?’ , krijgt op den duur wel iets ontmoedigends.
Wat je wilt zijn harde feiten. Wat je krijgt zijn voorzichtige afwegingen, genuanceerde veronderstellingen gekruid met veel als/dan, en met geluk een hoopgevende statistiek waar je - met enig persen - in past. Maar de verlossende woorden (en dan heb ik het niet per se over een gunstige prognose), die tenminste tijdelijk een eind maken aan je onzekerheid, worden niet gesproken.
Het frustrerende is dat ik daar volkomen begrip voor heb. Ik heb geen zondebok. Ik kan geen van de artsen die ik heb gesproken het verwijt maken dat ze dingen hebben verzwegen, of informatie hebben achtergehouden. Integendeel, ze hebben me bij elke stap uitgebreid geinformeerd, me op de hoogte gehouden van de laatste ontwikkelingen, en daarna hebben ze me de vrije hand gelaten om zelf een keuze te maken uit diverse onzekerheden. Maar ik wil die keuze helemaal niet. Ik wil geen arts die me van de allerlaatste ontwikkelingen op het gebied van darmkanker en chemotherapie op de hoogte stelt. Ik wil een dokter die me een spuit in mijn bil geeft met een iets te dikke naald, er een pleister op plakt en zegt: ‘Zo, dan kunt u er weer even tegen.’
Een hopeloos en naïef verlangen, dat besef ik heel goed, dat het sterktst kom opzetten in de spreekkamer van de dokter. Er is geen plaats op deze wereld die minder geschikt is weloverwogen keuzes en doordachte beslissingen dan die spreekkamers. De kleuren zijn mat, de meubels zijn geruststellend oncomfortabel, maar de paniek staat op de muren geschreven, onzichtbaar tussen de prikborden. Dit is de kamer waarin de rest van je leven wordt bepaald, en ondanks de stangen naast de trappen en wc’s is nergens een houvast te vinden. Het is net als bij die fascinerende filmpjes van ruimtevaarders in gewichtsloze toestand: die zie je ook als kinderen om zich heen grijpen.
Het is een tragische paradox van de moderne geneeskunde, en eigenlijk van de hele moderne wetenschap: hoe meer we te weten komen, hoe minder we blijken te weten. De artsen die mij behandelen beschikken over ontzagwekkende hoeveelheden kennis en indrukwekkende statistieken, waar je urenlang met open mond in rond kunt dwalen. Maar er is geen gids die je daarbinnen de weg wijst of een houvast biedt, alle overzichtelijke wegwijzers en behulpzame stangen bij trappen en wc’s ten spijt.

Posted by jaeggi at 01:37 pm