« vol | Main | obrigado Antonio »

07 mei 2008

stukje Pluto

Ik publiceer dit om 3 redenen.
1. Heel veel mensen hebben er inmiddels om gevraagd (5 1/2).
2. Ik ben net met een nieuw boek begonnen. Daar hoort bij: resten van oude boeken opruimen. Dit is een restje van Pluto, waar ik zeven jaar mee bezig was en dat nooit is verschenen (voor een verslag van die zeven jaar: zie het laatste nummer van Bunker Hill). Het is mogelijk dat ik ooit nog eens iets ga maken dat erop lijkt (als ik genoeg tijd krijg) maar op dit moment gaan twee andere boeken voor, waaronder een kinderboek. Hoe dan ook is dit niet een van de slechtste stukken uit Pluto, al zeg ik het zelf. Het is het eind van hoofdstuk 3, waarin het Comité van Ontvangst (waaronder de kroonprins) na bijna een hele dag wachten eindelijk de langverwachte gast kan verwelkomen.
3. Bijna niemand loopt nog met een gewone koffer. Iedereen heeft zo'n klikklakkende doos op wieltjes. Tienduizenden per seizoen klakken onder ons raam langs (verderop in de straat is een hotel). Wanneer is dit begonnen? Waar komen ze vandaan? Waar gaan ze naartoe...?

uit Pluto, H. 3

Uit de schaduwen in de tunnel kwam een aanzwellend geluid, een metalig geklik, alsof een leger van kevers in aantocht was. Toen doken uit het schemerduister bleke vlekken op, de vermoeide, opgezwollen gezichten met staarogen van mensen die plotseling uit hun diepste slaap zijn gerukt, gevolgd door lichamen die zich rukkerig voorbewogen, met horten en stoten aangestuurd door hersens die intussen haastig bezig waren de losse flarden van ruw onderbroken dromen weg te bergen.
De eerste linies van het keverleger bereikten het licht. Ze droegen donkerrode uniformen, hier en daar hing een slip van een overhemd uit een broek of een sjaal scheef. Elk trok een donkerblauwe trolley op wieltjes achter zich aan, die klikklakkend over de plavuizen gleed.
De kroonprins deed een stap achteruit, terwijl het keverleger langs hem stroomde. Hij keek over zijn schouder. Hij zocht het gezicht van Kiki d’Anjou, maar Palmstroom begreep het verkeerd en legde zijn vrije hand op de schouder van de prins. Geduld, mimede hij.
Het keverleger was nu ter hoogte van de douane-ambtenaren, die aan hun pet voelden en hun riem een paar centimeter omhoogsjorden terwijl de voorste linies voorbijtrokken, maar ze ongehinderd lieten passeren. Nadat er zo'n twintig mensen waren gepasseerd was er een korte onderbreking in de stroom mensen, tot er twee gestaltes uit de tunnelmond opdoken: een lange magere man met spierwit haar en een nijdige uitdrukking, en een kleine donkere vrouw met een grote neus en bruingrijs haar, in een witte doktersjas. De twee keken een ogenblik de hal rond, zonder acht te slaan op het Comité. Toen draaide de man zich om en wenkte naar de duisternis. Het geklikklak zwol aan, op een andere toonhoogte. Uit de tunnel schoot een brancard op wieltjes, in looppas voortgeduwd door veiligheidsmensen met vooruitgestoken kaken en gebeitelde schouders, die allemaal een hand of een vinger op het voortdenderende bed probeerden te houden. Op het voortrollende bed lag een slordige massa lakens. Op de lakens lagen donkere gevouwen handen.
Palmstroom merkte dat hij al bijna een minuut zijn adem inhield en liet hem sissend ontsnappen. Zijn hand gleed in zijn broekzak en hij sperde zijn ogen open. Het jubelde in hem. Eindelijk, eindelijk, eindelijk! Hij boorde zijn nagels door zijn broek heen in zijn huid en zijn gezicht schoot automatisch in de officiële gepantserde plooi die hij thuis voor de spiegel had geoefend. Wat jammer toch dat er geen pers bij mocht zijn, dacht hij.
Hij zag hoe de brancard het comité bereikte. Hij zag dat de kroonprins zijn glimlach in de aanslag hield. Goeie jongen, dacht Palmstroom ontroerd. Hij hoorde het hijgen van de vrouwelijke arts die naast de brancard draafde, en rook een vleug zweet. Even weerkaatste het licht op een glanzende schedel, een groot bruin ei in het witte nest van lakens op het rijdende bed, en toen waren ze voorbij, het bed en de veiligheidsmannen met hun zonnebrillen en de witte koordjes die uit hun oor krulden, met grote snelheid onderweg naar het einde van de sluis, waar glazen deuren geruisloos opzij gleden, de brancard met de langverwachte gast een door tl-buizen verlichte hal in rolde, en de deuren gleden dicht en hij was verdwenen.
Verdwaasd keek Palmstroom naar de staart van het keverleger dat voorbijtrok, uitgeputte gezichten boven donkerrode uniformen, klikkende koffers die over de tegels werden gesleept, een korte sliert die opdroogde, nadruppelde met twee achterblijvers die met knipperende ogen uit het donker opdoken, gedesoriënteerd een kringetje draaiden, en toen op de glazen deuren afstevenden, binnen bereik van het elektronisch oog kwamen, waarop de deuren opzij gleden en ze als laatsten opslokten.


jaeggi om 07 mei 2008 13:37