« stukje Pluto | Main | GONE FISHING »

07 mei 2008

obrigado Antonio

Deze column verschijnt vandaag ook in het Parool.

Ik koos het bed het dichtst bij het raam, vanwege het uitzicht naar buiten. en vanwege degene in het bed ertegenover, een jonge man die leek te slapen. Als je drie á vier uur aan je bed gekluisterd bent terwijl de medicijnen van de chemokuur in je druppen kun je maar beter zorgen dat het uitzicht een beetje niet al te ontmoedigend is. De CT-kamer was verder zo goed als leeg. Alleen in het bed bij de deur zat een typisch Amsterdamse vrouw (vraag me nou niet hoe ik dat weet), met haar typisch Amsterdamse echtgenoot ernaast. Hij sprak haar luid fluisterend moed in.
De verpleegkundigen brachten de naald aan, vroegen of ik prettig zat, of ik thee wilde, vriendelijk, professioneel. Toen kwam de kist van de apotheek. Ze vroegen naar mijn naam en gebortedatum en hingen de zak met medicijnen op aan mijn bed. ‘Deze duurt twee uur,’ zei de verpleegkundige. ‘Als je iets nodig hebt, laat maar weten.’
Ik leunde achterover in de kussens. Mijn bovenarm werd koud door de vloeistof die erin liep. Ik sloot mijn ogen.
De jongeman in het bed tegenover me begon te kreunen. Of steunen. Misschien was het meer rochelen, ik weet niet de fijnere nuances ervan. Ik dacht aan een oud verhaal van Godfried Bomans, waarin hij een behekst oud huis bezoekt in het gezelschap van dr. Kneepkens, een spokendeskundige die zich door niets – klopgeesten, boemannen, een staand lijk in ontbinding – van de wijs laat brengen. Als ze in de kelder aankomen begint in een donkere hoek een geest te reutelen. ‘Mooi, gaaf reutelwerk,’ zegt dr. Kneepkens, ‘zoals je tegenwoordig zelden nog hoort.’ En hij steekt er genietend een sigaar bij op.
Misschien kwam het doordat deze man nog in leven was - in elk geval viel er weinig te genieten aan de geluiden die hij maakte. Hij had pijn. Af en toe hees hij zich uit bed en wankelde de kamer uit, misschien om in één van de toiletten woedend tegen de muur te gaan trappen.
Intussen was de afdeling volgelopen. Een oude, blonde vrouw werd binnengereden in een rolstoel, door een kleine man met de soort zandkleurige regenjas zoals mannen die vanaf een bepaalde leeftijd gaan dragen. Hij had kort grijs haar en voelde zich duidelijk niet op zijn gemak, maar hij hielp de vrouw met grote tederheid in haar bed, plooide de deken om haar benen. De vrouw zei: ‘Obrigado, Antonio.’
Hij klopte op haar voet, keek in het rond en knikte verontschuldigend naar ons, de lotgenoten van zijn vrouw. Daarna verliet hij de kamer.
’Antonio kan hier niet zo goed tegen,’ zei de vrouw tegen de verpleegkundige die bij haar kwam staan. ‘Maar hij komt altijd terug’. Haar wangen waren was ingevallen, maar ze had een brede, ferm gestifte mond.
De verpleegkundige legde de slangetjes aan en liep naar buiten. Bij de deur riep de man van het Amsterdamse stel: ‘Mooie hoeven!’ En hij wees waarderend op haar gifgroene klompen. Ik grinnikte en dommelde weg.
‘António!’ klonk het. Ik keek op.
Antonio stond naast haar bed, zijn hand op haar been. Zij glimlachte gelukkig. In het bed tegenover mij lag de jonge man, zo te zien diep in genadige slaap. Ik keek naar de zak boven mijn hoofd. Hij was bijna leeg. Ik had langer geslapen dan ik dacht. De volgende keer dat Antonio kwam mocht ik misschien alweer naar huis.

jaeggi om 07 mei 2008 13:59