« april 2008 | Main | juni 2008 »

15 mei 2008

wordt vervolgd

Het vissen bevalt goed, ik blijf nog even.
Tot die tijd geen nieuws hier.
Strapaczke!


Posted by jaeggi at 11:21 am

09 mei 2008

GONE FISHING

TRY AGAIN LATER

Posted by jaeggi at 09:35 am

07 mei 2008

obrigado Antonio

Deze column verschijnt vandaag ook in het Parool.

Ik koos het bed het dichtst bij het raam, vanwege het uitzicht naar buiten. en vanwege degene in het bed ertegenover, een jonge man die leek te slapen. Als je drie á vier uur aan je bed gekluisterd bent terwijl de medicijnen van de chemokuur in je druppen kun je maar beter zorgen dat het uitzicht een beetje niet al te ontmoedigend is. De CT-kamer was verder zo goed als leeg. Alleen in het bed bij de deur zat een typisch Amsterdamse vrouw (vraag me nou niet hoe ik dat weet), met haar typisch Amsterdamse echtgenoot ernaast. Hij sprak haar luid fluisterend moed in.
De verpleegkundigen brachten de naald aan, vroegen of ik prettig zat, of ik thee wilde, vriendelijk, professioneel. Toen kwam de kist van de apotheek. Ze vroegen naar mijn naam en gebortedatum en hingen de zak met medicijnen op aan mijn bed. ‘Deze duurt twee uur,’ zei de verpleegkundige. ‘Als je iets nodig hebt, laat maar weten.’
Ik leunde achterover in de kussens. Mijn bovenarm werd koud door de vloeistof die erin liep. Ik sloot mijn ogen.
De jongeman in het bed tegenover me begon te kreunen. Of steunen. Misschien was het meer rochelen, ik weet niet de fijnere nuances ervan. Ik dacht aan een oud verhaal van Godfried Bomans, waarin hij een behekst oud huis bezoekt in het gezelschap van dr. Kneepkens, een spokendeskundige die zich door niets – klopgeesten, boemannen, een staand lijk in ontbinding – van de wijs laat brengen. Als ze in de kelder aankomen begint in een donkere hoek een geest te reutelen. ‘Mooi, gaaf reutelwerk,’ zegt dr. Kneepkens, ‘zoals je tegenwoordig zelden nog hoort.’ En hij steekt er genietend een sigaar bij op.
Misschien kwam het doordat deze man nog in leven was - in elk geval viel er weinig te genieten aan de geluiden die hij maakte. Hij had pijn. Af en toe hees hij zich uit bed en wankelde de kamer uit, misschien om in één van de toiletten woedend tegen de muur te gaan trappen.
Intussen was de afdeling volgelopen. Een oude, blonde vrouw werd binnengereden in een rolstoel, door een kleine man met de soort zandkleurige regenjas zoals mannen die vanaf een bepaalde leeftijd gaan dragen. Hij had kort grijs haar en voelde zich duidelijk niet op zijn gemak, maar hij hielp de vrouw met grote tederheid in haar bed, plooide de deken om haar benen. De vrouw zei: ‘Obrigado, Antonio.’
Hij klopte op haar voet, keek in het rond en knikte verontschuldigend naar ons, de lotgenoten van zijn vrouw. Daarna verliet hij de kamer.
’Antonio kan hier niet zo goed tegen,’ zei de vrouw tegen de verpleegkundige die bij haar kwam staan. ‘Maar hij komt altijd terug’. Haar wangen waren was ingevallen, maar ze had een brede, ferm gestifte mond.
De verpleegkundige legde de slangetjes aan en liep naar buiten. Bij de deur riep de man van het Amsterdamse stel: ‘Mooie hoeven!’ En hij wees waarderend op haar gifgroene klompen. Ik grinnikte en dommelde weg.
‘António!’ klonk het. Ik keek op.
Antonio stond naast haar bed, zijn hand op haar been. Zij glimlachte gelukkig. In het bed tegenover mij lag de jonge man, zo te zien diep in genadige slaap. Ik keek naar de zak boven mijn hoofd. Hij was bijna leeg. Ik had langer geslapen dan ik dacht. De volgende keer dat Antonio kwam mocht ik misschien alweer naar huis.

Posted by jaeggi at 01:59 pm

stukje Pluto

Ik publiceer dit om 3 redenen.
1. Heel veel mensen hebben er inmiddels om gevraagd (5 1/2).
2. Ik ben net met een nieuw boek begonnen. Daar hoort bij: resten van oude boeken opruimen. Dit is een restje van Pluto, waar ik zeven jaar mee bezig was en dat nooit is verschenen (voor een verslag van die zeven jaar: zie het laatste nummer van Bunker Hill). Het is mogelijk dat ik ooit nog eens iets ga maken dat erop lijkt (als ik genoeg tijd krijg) maar op dit moment gaan twee andere boeken voor, waaronder een kinderboek. Hoe dan ook is dit niet een van de slechtste stukken uit Pluto, al zeg ik het zelf. Het is het eind van hoofdstuk 3, waarin het Comité van Ontvangst (waaronder de kroonprins) na bijna een hele dag wachten eindelijk de langverwachte gast kan verwelkomen.
3. Bijna niemand loopt nog met een gewone koffer. Iedereen heeft zo'n klikklakkende doos op wieltjes. Tienduizenden per seizoen klakken onder ons raam langs (verderop in de straat is een hotel). Wanneer is dit begonnen? Waar komen ze vandaan? Waar gaan ze naartoe...?

uit Pluto, H. 3

Uit de schaduwen in de tunnel kwam een aanzwellend geluid, een metalig geklik, alsof een leger van kevers in aantocht was. Toen doken uit het schemerduister bleke vlekken op, de vermoeide, opgezwollen gezichten met staarogen van mensen die plotseling uit hun diepste slaap zijn gerukt, gevolgd door lichamen die zich rukkerig voorbewogen, met horten en stoten aangestuurd door hersens die intussen haastig bezig waren de losse flarden van ruw onderbroken dromen weg te bergen.
De eerste linies van het keverleger bereikten het licht. Ze droegen donkerrode uniformen, hier en daar hing een slip van een overhemd uit een broek of een sjaal scheef. Elk trok een donkerblauwe trolley op wieltjes achter zich aan, die klikklakkend over de plavuizen gleed.
De kroonprins deed een stap achteruit, terwijl het keverleger langs hem stroomde. Hij keek over zijn schouder. Hij zocht het gezicht van Kiki d’Anjou, maar Palmstroom begreep het verkeerd en legde zijn vrije hand op de schouder van de prins. Geduld, mimede hij.
Het keverleger was nu ter hoogte van de douane-ambtenaren, die aan hun pet voelden en hun riem een paar centimeter omhoogsjorden terwijl de voorste linies voorbijtrokken, maar ze ongehinderd lieten passeren. Nadat er zo'n twintig mensen waren gepasseerd was er een korte onderbreking in de stroom mensen, tot er twee gestaltes uit de tunnelmond opdoken: een lange magere man met spierwit haar en een nijdige uitdrukking, en een kleine donkere vrouw met een grote neus en bruingrijs haar, in een witte doktersjas. De twee keken een ogenblik de hal rond, zonder acht te slaan op het Comité. Toen draaide de man zich om en wenkte naar de duisternis. Het geklikklak zwol aan, op een andere toonhoogte. Uit de tunnel schoot een brancard op wieltjes, in looppas voortgeduwd door veiligheidsmensen met vooruitgestoken kaken en gebeitelde schouders, die allemaal een hand of een vinger op het voortdenderende bed probeerden te houden. Op het voortrollende bed lag een slordige massa lakens. Op de lakens lagen donkere gevouwen handen.
Palmstroom merkte dat hij al bijna een minuut zijn adem inhield en liet hem sissend ontsnappen. Zijn hand gleed in zijn broekzak en hij sperde zijn ogen open. Het jubelde in hem. Eindelijk, eindelijk, eindelijk! Hij boorde zijn nagels door zijn broek heen in zijn huid en zijn gezicht schoot automatisch in de officiële gepantserde plooi die hij thuis voor de spiegel had geoefend. Wat jammer toch dat er geen pers bij mocht zijn, dacht hij.
Hij zag hoe de brancard het comité bereikte. Hij zag dat de kroonprins zijn glimlach in de aanslag hield. Goeie jongen, dacht Palmstroom ontroerd. Hij hoorde het hijgen van de vrouwelijke arts die naast de brancard draafde, en rook een vleug zweet. Even weerkaatste het licht op een glanzende schedel, een groot bruin ei in het witte nest van lakens op het rijdende bed, en toen waren ze voorbij, het bed en de veiligheidsmannen met hun zonnebrillen en de witte koordjes die uit hun oor krulden, met grote snelheid onderweg naar het einde van de sluis, waar glazen deuren geruisloos opzij gleden, de brancard met de langverwachte gast een door tl-buizen verlichte hal in rolde, en de deuren gleden dicht en hij was verdwenen.
Verdwaasd keek Palmstroom naar de staart van het keverleger dat voorbijtrok, uitgeputte gezichten boven donkerrode uniformen, klikkende koffers die over de tegels werden gesleept, een korte sliert die opdroogde, nadruppelde met twee achterblijvers die met knipperende ogen uit het donker opdoken, gedesoriënteerd een kringetje draaiden, en toen op de glazen deuren afstevenden, binnen bereik van het elektronisch oog kwamen, waarop de deuren opzij gleden en ze als laatsten opslokten.


Posted by jaeggi at 01:37 pm

vol

Op dit moment zijn we in Nederland met 3.500.000 landgenoten minder dan gewoonlijk.
In de winkel waar ik een rij verwacht word ik meteen geholpen. In het populaire restaurant waar ik weifelend om kwart over zes binnenloop hebben ze nog drie tafels over. Op het strand wordt mijn personal space niet ingenomen door anderen met grote handdoeken.
Over een week is alles weer gewoon en zijn de rijen er weer, maar dit zal ik me altijd herinneren van de lente van 2008: hoe goed het voelde toen er 3.500.000 minder van ons waren.

Posted by jaeggi at 11:45 am

02 mei 2008

hefschroefvliegtuigen

Vanochtend om een uur of half 7 stukje bij beetje ontwaakt
van het zachte geluid van de brommer van de krantenjongen
dat onze kant uit kwam en een voor een de brievenbussen aandeed
zoals een hommel zijn bloemen, met hetzelfde vinnige snorren
bij het opstijgen.

En daarnet de wesp, de eerste van het seizoen,
die ik met een glas en een ansichtkaart buiten zette,
die moeizaam naar de rand van het glas kroop en toen ik
de kaart wegnam, zoemend en met zware slagzij
in de richting van de binnenstad verdween: dat was ook al zo
helikopteresk.


Posted by jaeggi at 01:24 pm

01 mei 2008

april


Maanden verdragen het niet wanneer je slecht over ze schrijft
het zijn net mensen. Het zijn net voicemails.

Normaal beleef ik hier vreugde aan, maar met koude
handen is alles anders: oorlogsmonumenten, pensioenen,
gaarkeukens, dat zwaaien met vlaggetjes, telefoon van ver.
Het zijn, een soort, van ongevraagde openbaringen, zoals
hoe het is om te zitten op hout
zonder vlees ertussen.

Lief dat je het vraagt, lief dat je het vraagt
laten we de formaliteiten maar even achterwege laten.
De maand ligt achter ons.
De wind houdt aan.
De dag is nauwelijks half om en nu al
blijkt hier van alles zoek.


Posted by jaeggi at 12:21 pm