« one man's misery is another man's gain | Main | zwemlogboek (2) »
16 april 2008
voor zover wij hommels kennen
(Deze recensie verschijnt vandaag in het Parool.)
Ik geloof dat we veilig kunnen stellen dat Ingmar Heytze een volleerd dichter is, als zoiets tenminste bestaat. Achtendertig jaar inmiddels, een half dozijn bundels achter zijn naam, binnenkort benoemd als stadsdichter van Utrecht, wat hij natuurlijk de facto al jaren is: wat zou je Ingmar Heytze nog moeten vertellen over het schrijven van een gedicht? Hij kan het met zijn ogen dicht.
Op deze plaats hoort een ander gedicht.
Dat komt, ik kan mijn handschrift
niet meer lezen. Ik werd wakker
van een stralend licht dat door
de kamer gleed – was het de maan?
(-)
Het spijt me. Koop een bandrecorder,
bromt u nu misschien. Dat is nog erger,
dan hoor je de dag daarna een stem
vanuit het graf, die mompelt: ‘ster…
frambozen… vezelrijk…’
gevolgd door drie kwartier gesmak
en snurken. Dan schrik je lijkbleek wakker
van de klik waarmee het bandje stopt –
juist als in je droom, geheel terecht,
een wapen op je wordt gericht.
Het openingsgedicht in de nieuwe bundel Elders in de wereld is vintage Heytze: helder, geestig, met een toefje vervreemding en net genoeg diepte om te intrigeren maar niet te verontrusten. Een gedicht van Heytze lezen is als Miles Davis horen spelen: onmogelijk om hem met een ander te verwarren. Waar veel dichters naar streven, dat heeft Heytze al jaren gevonden: een eigen stem. Het is een welluidende stem. Soms krijg je de indruk dat Heytze er zelf ook een beetje verliefd op is: ‘Tegen het meisje van de boekhandel/ zeg ik ongevraagd dat ik het weer eens/ ga proberen, met de poëzie bedoel ik,/ als een hommel die de vorst in stommelt/ door een open raam, op hoop van zegen.’
Hier spreekt een dichter die door zijn eigen woorden niet onberoerd wordt gelaten. Kijk hem staan, die vertederende lummel. Zo in beslag genomen door zijn eigen lieve klunzigheid dat hij over het hoofd ziet dat hommel misschien wel lekker rijmt met stommel, maar dat een hommel biologisch gezien de faciliteit mist (pure massa) om mee te stommelen. En de personificatie klopt ook niet: een menselijke dichter zal misschien nog wel eens denken ‘op hoop van zegen’, maar een hommel nooit. Voor zover wij hommels kennen gaan ze altijd linea recta op hun doel af (nectar).
Misschien is dat laatste een goed advies voor Heytze, want die heeft de neiging weleens wat lang om de zaken heen te draaien, als een spits die maar blíjft kappen en dribbelen, zodat je de aandrang krijgt het veld op te rennen en dan maar zelf te scoren. Die neiging heb ik bijvoorbeeld bij zijn prozagedichten, en bij het gedicht Jeu de boules, dat begint met de flauwiteit: ‘Gooiend met de ballen van oom Fred…’.
Toch is Heytze meestal een trefzekere goalgetter, vooral in de gedichten waarin hij, laten we zeggen, vergeet dat hij Ingmar Heytze is: ‘Iedereen wil een talisman;/ zelf heb ik jarenlang het treinkaartje van mijn eerste zoen bewaard./ Achttien vrouwen later denk ik: nu zijn we nog met vlees/ bekleed, straks met betekenis misschien.// Ik wil haar kut wel op sterk water/ maar ben dik tevreden met een kus en een pluk haar.’
Kijk, daar koop je zo’n bundel voor. Welluidende gedichten zijn er genoeg, doe mij nog zo’n hortend vers waarbij je voortdurend het gevoel hebt dat je een traptree mist.
Heytze is op zijn best als hij zijn eigen hand loslaat. Mooie gedichten schrijven kan hij, desnoods met zijn ogen dicht; maar je zou wensen dat hij daar, in het donker achter zijn eigen oogleden, een keer iets tegenkomt waar hij zich wezenloos van schrikt.
Ingmar Heytze, Elders in de wereld. Podium, € 15,-
jaeggi om 16 april 2008 08:46
