« die hadden we al een tijd niet gehoord! | Main | voor zover wij hommels kennen »

14 april 2008

one man's misery is another man's gain

's Ochtends wakker worden is dezer dagen een behoorlijk spannende aangelegenheid. Terwijl ik met gesloten ogen op mijn rug lig voer ik een voorzichtige verkenningstocht uit door mijn lichaam: hoe is de toestand in de maagstreek, speelt die gevoelige kies nog steeds zo op, wat is de staat van het tandvlees en vooral: is de hik er nog?
Ik heb inmiddels negen dagen de hik. Vrijwel onafgebroken. Het is een bijwerking van een van de medicijnen die ik slik. In ongeveer twee procent van de gevallen schijnt dit voor te komen, maar de arts moest bekennnen dat hij nog nooit een geval had gezien waarbij de hik zo lang aanhield. 'De laatste keer dat ik zoiets heb gezien moesten we de hele kudde uitroeien,' zoals de dokter zegt in Suske en Wiske en de Tamtamkloppers.
Maar vanochtend leek de hik verdwenen. Ik kan niet vertellen hoe groot mijn opluchting was, dat moet u zich zelf maar proberen voor te stellen (en dan nog: u hebt echt geen flauw idee). Negen dagen de hik is met niets te vergelijken, dus dat zal ik ook niet doen. Als daar een einde aan lijkt gekomen spring je uit bed, doet jubelend je ochtendplas, poetst dansend je tanden, kietelt de kinderen uit bed en huppelt naar beneden om hun boterhammen te smeren.
Halverwege de trap voelde ik iets zich roeren achter mijn borstbeen. Een klein giftig dier wrong zich uit zijn slaapplaats, vlak achter mijn borstbeen, naar buiten. De hik was terug.
Ook het gevoel dat ik toen kreeg moet u zelf bedenken.
Ik smeet de boterhammen in de trommeltjes, schopte de kinderen de deur uit, vloekte een toevallige voorbijganger uit en wierp me in een stoel.
Ik was de zieligste man op aarde.
Er was geen genade.
Niets bleef mij bespaard.
Dan maar dood.
Lusteloos pakte ik een van de ongelezen weekendkranten van de groeiende stapel. Het was NRC's CS Boeken van afgelopen vrijdag. Ik begon te lezen, vraag me niet waarom, in Bas Heijne's recensie van de biografie van Joseph Conrad. Conrad, niet een van mijn favoriete schrijvers. Ik heb ooit Heart of darkness en Lord Jim van hem gelezen, maar dat was waarschijnlijk niet gebeurd als ze niet op de verplichte leeslijst van mijn werkgroep Nineteenth Century English Literature in Leiden hadden gestaan. Zowel die twee boeken als de biografie van Conrad zijn sindsdien uit mijn geheugen verdwenen - terwijl ik over de veel minder bekende Amerikaanse schrijvers John Fante en William Kotzwinkle zo ongeveer alles weet wat er te weten valt.
De geniale Conrad, zo las ik, bleek een getourmenteerd leven te hebben geleid. 'Hij trouwde met een niet erg intelligente, zwaarlijvige, eeuwig kwakkelende Engelse vrouw, woonde geïsoleerd op het Engelse platteland en schreef met ontzagwekkend veel pijn en moeite zijn romans, die vanaf het begin goed besproken werden, maar niet goed verkochten.'
Ik hikte een paar keer. Er kwam een flard van een oud liedje in me op, waarvan de tekst zich automatisch aanpaste aan mijn omstandigheden: 'Hello Hiccups my old friend/ I've come to talk to you again...'
Ik grinnikte en hikte tegelijk, een combinatie die ik kan afraden. Nadat ik was uitgerocheld las ik verder: 'In huize Conrad was nooit geld en iedereen was altijd ziek; de biografie van Stape bestaat grotendeels uit een opsomming van kwalen en niet afbetaalde leningen.'

'Wat zit jij vrolijk te giechelen,' zei mijn vrouw, die de keuken binnenkwam. 'Is je hik verdwenen?'
'Nee,' zei ik, 'maar dat maakt niet uit.' Ik liep naar de kapstok en pakte mijn jas.
'Wat ga je doen?' vroeg ze, terwijl ze de waterkoker aanzette.
'Ik ga de biografie van Joseph Conrad kopen,' zei ik. 'Dat is een fantastisch boek.'

jaeggi om 14 april 2008 10:40