« In Memoriam Ric Cadell (1949-2003) | Main | i miljoen smurfen, 1 maand later »
10 april 2008
mijn boek
Terwijl de mannelijke arts mijn bloeddruk controleerde en diverse felgekleurde slangetjes in mijn lichaamsopeningen leidde, stelde de vrouwelijke arts de gebruikelijke vragen: of ik allergisch was, of er ernstige ziektes of krankzinnigheid voorkwamen in de familie. Mijn antwoorden schreef ze op in een dikke rode dossiermap, de soort waarvan er miljoenen staan in de kasten van belastingkantoren, medische centra en inlichtingendiensten.
De mannelijke arts keek op het display van de zwaar ademende machine bij mijn hoofdeinde (en hoewel ik me erg akelig voelde en mijn tanden klapperden als behekste castagnetten, moest ik toch denken aan die Monty Python ziekenhuisscène met de hele dure machine die niks doet behalve af en toe ‘Píng!’ zeggen) en verdween achter het gordijn. De vrouwelijke arts sloeg haar rode map dicht, knikte me vriendelijk toe en zei toen, met het privacy-gordijn al in haar hand: ‘U bent toch de schrijver?’
Nu valt het niet mee om, achteroverliggend in de kussens van een ziekenhuisbed, met een felgeel slangetje uit je neusgat, en een bloedrood slangetje dat onder de dekens verdwijnt, je als een bekend en gerespecteerd schrijver te profileren – maar ik geloof dat ik het er redelijk vanaf gebracht heb. Dat zeg ik omdat ik de volgende ochtend gewekt werd door de blonde verpleegkundige W. met de woorden: ‘Ben je al wakker? Ik kom je zo je pijnstillers brengen, maar ik heb je boek nog niet uit! Heb je nog tien minuten?’
Tien minuten? Tien jaar desnoods! Het idee dat W. verdiept was in één van mijn boeken, zorgde ervoor dat mijn herstelcurve direct een steile hoek omhoog maakte. Wat zou ze aan het lezen zijn? Held van beroep, mijn bekendste roman? Of misschien had ze mijn laatste boek, Edele Dieren, in de boekhandel zien staan, en was mijn naam haar opgevallen, dezelfde naam als de vrolijke patiënt die die nacht op afdeling 5b was binnengereden?
Ik nam een slok water uit het glas dat ‘s nachts op mijn nachtkastje had gestaan. Het smaakte naar kleingeld dat lang in een warme hand heeft gelegen. Ik keek naar de beterschapsboeketten die strak in het gelid in de vensterbank stonden, het plastic er nog omheen. Twee dingen hielden me bezig. Zou mijn bekendheid, nu die eenmaal rondzoemde door het ziekenhuis, iets uitmaken voor de behandeling die ik op het punt stond te ondergaan? Zouden ze bijvoorbeeld bij de operatie rekening houden met het feit dat ze een bekende schrijver onder handen hadden? En ten tweede: had ik daar bezwaar tegen?
Onnodig te zeggen dat ik vind dat iedereen recht heeft op een gelijke behandeling, maar: stel dat ik zelf arts was, en Rita Verdonk of Jeroen Pauw werd de operatiekamer binnengereden? Op zijn minst zouden er allerlei wonderlijke dingen door mijn hoofd gaan voor ik het mes in ze zette.
Aan de tweede vraag kwam ik niet toe, want verpleegkundige W. kwam mijn kamer weer binnen. Ze droeg een dikke rode map onder haar arm. ‘Zo, dat is uit,’ zei ze. ‘Nu weet ik alles van je.’ En ze stak het boek met mijn medische gegevens in de houder aan het voeteneind van het bed.
Ik wilde nog vragen: ‘En? Goed boek?’ Maar ik zag ervan af. Ik had even meer behoefte aan pijnstillers dan aan humor.
Deze column verscheen vandaag ook in Het Parool.
jaeggi om 10 april 2008 17:23
