« maart 2008 | Main | mei 2008 »

27 april 2008

lente


Voor mij heeft de lente zijn aantrekkingskracht verloren sinds ik jaren her, in een roes van uitbottende verlangens, een mooi meisje mee uit eten vroeg en het zigeunerorkestje in het restaurant de hele avond voor ons bleef spelen alsof we tot over onze oren verliefd waren – wat in elk geval voor één van ons niet gold. Ik herinner me vooral de ongelooflijk lange stiltes die vielen als het orkestje een pauze nam. Ook zie ik nog als de dag van gisteren voor me hoe zij, terwijl wij zaten te wachten op het hoofdgerecht, een doosje lucifers pakte en ze een voor een begon af te strijken. Het genas me voorgoed van het idee dat iedereen in de lente dezelfde gevoelens heeft, wat de meest voorkomende misvatting van het jaargetijde is, naast het idee dat je vandaag je trui wel kunt thuislaten.
Lente. Het jaargetijde waarin je opnieuw geconfronteerd wordt met de enige twee aandoeningen waar de medische wetenschap nooit een antwoord op zal vinden: verliefdheid en verkoudheid. Alles om je heen zwelt van de sappen, de strijd om territorium en paringspartners barst in alle hevigheid los, en daartussendoor lopen wij, met zo weinig mogelijk kleren aan. Het is vragen om moeilijkheden.
Lente. Het meest voorspelbare seizoen. Het is pas officieel lente als de eerste columnist over ‘bloesjesdag’ heeft geschreven. (Al is dat dit jaar ineens omgedoopt tot ‘rokjesdag’. Kennelijk ligt het accent dit jaar meer op benen dan op tieten.) Als de columnisten eenmaal ontwaakt zijn uit hun wintercoma duurt het niet lang voor de stellen met leuke vrijgezelle kennissen beginnen te bellen. De lente is nu eenmaal het seizoen van de blind dates. En omdat je vergeten bent hoe verschrikkelijk de blind dates van vorig jaar waren zeg je nog ja ook. Pas op de avond zelf herinner je je ineens hoe je vorig jaar gekoppeld werd aan iemand die na één dans al zo overvloedig zweette dat je de rest van de avond druppels liep te ontwijken. Ook herinner je je ineens weer het meisje dat je na de eerste, niet al te rampzalig verlopen blinde afspraak uitnodigde op haar woonboot. Terwijl zij in de keuken bezig was kwam een enorme rode kater op je schoot liggen. Toen zij binnenkwam met een schaal gestoomde artisjokken zei ze: ‘Goh, dat doet hij anders nooit. Hee, Lonely, vind jij die meneer wel lief?’
Blind dates heten niet voor niets blind. Het zijn afspraken waarbij je geacht wordt voor een avond je zintuigen uit te schakelen, zodat je niet meteen krijsend wegloopt als je merkt wat je vrienden verstaan onder een ‘heel spontaan meisje’ (de oudere zus van Adelheid Roossen die het de hele avond over haar laatste abortus wil hebben) of een ‘enorm geestige jongen’ (een man van vijfenveertig met een paardenstaart van de laatste restjes haar op zijn achterhoofd en een abonnement op de Playboy, want daar komen zijn moppen vandaan). Omdat het nu eenmaal lente is helpt je geheugen een handje en wist zorgvuldig alle nare herinneringen aan vorige lentes. Monter bestuif je je ledematen met verhullende luchtjes, en voordat je aanbelt denk je, met groeiende opwinding achter je navel: ‘Wie weet, vanavond, misschien?’
Nog geen uur later denk je: was ik onderweg maar ergens gesneuveld.

Posted by jaeggi at 01:54 pm

25 april 2008

ik verlang


die tijd
dat uur
die plaats

die witte maan
boven dat witte huis

die schapen
onder die boom

die stilte
buiten alle stilte

die zee
die ons
omarmde


Posted by jaeggi at 03:52 pm

24 april 2008

nieuw record

En weer deed ik de afgelopen weken een baanbrekende medische ontdekking: huilen helpt tegen de hik.
De hik begon ongeveer twee dagen nadat ik mijn eerste chemokuur had gehad, en hield vervolgens tien dagen aan. Daarmee had ik binnen het ziekenhuis een record gebroken: langer dan vier dagen hadden ze nog niet meegemaakt.
Ik dacht aan de mensen die hun hele leven wijden aan het breken van bizarre records: zoveel mogelijk ratelslangen in je mond proppen, dagelijks een kilo metaal eten (Michel Lotito alias ‘Monsieur Mangetout’) of zo ver mogelijk lopen met een melkfles op je hoofd: al die moeite, al dat trainen, terwijl ik geheel ongewild een record op mijn naam bracht. Maar dat bleek niet waar: 10 dagen is bij lange na geen record. Paus Pius XII (1876-1958) had het de laatste vier jaar van zijn leven chronisch. En dat valt weer in het niet bij de absolute recordhouder, een zekere Charles Osborne: 69 jaar en 5 maanden. Leuk om te weten, behalve als je zelf je zevende dag ingaat.
Ik kreeg verschillende medicijnen, die stuk voor stuk de eigenaardigheid hadden dat ze niet speciaal tegen de hik waren – in de medische wereld begrijpt men weinig van de hik – maar als bijwerking hadden dat ze ook de hik bestreden. Alleen niet in mijn geval. Mijn dochters verstopten zich op de meest onwaarschijnlijke plekken in huis om plotseling tevoorschijn te springen en Boe! te roepen. Een buurman kwam langs met een zak kristalsuiker, waarvan ik een volle eetlepel in één keer door moest slikken. Toen ik niet meteen in actie kwam zei hij : ‘Waar liggen de lepels?’
Ik nam de hap. We zaten tegenover elkaar, keken elkaar aan, telden de seconden. Tien seconden, twintig, een halve minuut... De hik knalde als een zweepslag door de keuken. Toen ik hem uiltiet zei hij, licht verwijtend: ‘Bij mij werkt het altíjd!’
Het enige wat mij hielp was mijn adem inhouden, maar omdat ik dat inmiddels vijf keer per dag deed was het niet meer effectief. Weliswaar kon ik door de oefening heel lang mijn adem inhouden, wat altijd van pas komt als je nog eens een keer klem komt te zitten bij het wrakduiken, maar jezelf expres half laten stikken verliest op een gegeven moment ook zijn charme.
Chatsites op internet boden een scala aan huismiddeltjes, waaronder deze verfijnde psychologische aanpak: ‘Je kunt iemand er vanaf helpen door de persoon strak in de ogen te kijken en te vragen te hikken, steeds indringender: ‘Je zei dat je last van de hik had, wel hik dan! Zie je wel, je moet helemaal niet hikken!’ Ik heb het niet uitgeprobeerd. Ongetwijfeld is waterboarding ook een probaat middel tegen de hik, maar er zijn grenzen.
Uiteindelijk vond ik aan het eind van de negende dag mijn eigen oplossing. Ik had net drie minuten mijn adem ingehouden, en het had niet geholpen. Dat veroorzaakte een flinke huilbui. Daarna bleek de hik verdwenen. Na een half uurtje keerde hij terug, maar de nieuwe huilbui die daar het gevolg van was maakte daar weer korte metten mee.
Intussen ben ik ervan verlost. Hoe en waardoor blijft duister. De opluchting is met geen pen te beschrijven, al schrik ik me nog wel elke ochtend te pletter als ik de badkamer binnenkom en mijn dochters met een luide gil uit de douchecel springen.


(Deze column verschijnt vandaag ook in het Parool)

Posted by jaeggi at 03:11 pm

23 april 2008

kietelen

Als iemand aan je vraagt: kun je tegen kietelen? weet je 1 ding zeker: je gaat gekieteld worden.
Alleen Demetri Martin weet het enige passende antwoord. Dan moet je wel eerst al zijn andere geweldige grappen beluisteren, wan hij komt pas op het eind.

Posted by jaeggi at 03:48 pm

vanonder het bureau


Mijn computer is seniel aan het worden.
De eerste keren dat zijn geheugen hem in de steek laat doe je onbewust of je het niet merkt. Je bent aan het ouwetje gehecht. Maar zijn geheugenverlies wordt erger. Op een gegeven moment kan hij niet eens meer een middelgroot bestandje bewaren. Als ik vraag waar hij het gelaten heeft gaat hij als een dolle zoeken, om na lange tijd triomfantelijk op te duiken met het verkeerde. Als ik dan, zo aardig mogelijk, vraag of hij nog eens wil zoeken houdt hij koppig vol dat dit is wat ik zocht.
Ook heeft hij last van waandenkbeelden. Zo denkt hij de hele tijd dat ik wil uitloggen terwijl ik nog aan het mailen ben. Hij kan ook geen twee dingen tegelijk meer doen, zoals de post ophalen en tegelijk rekeningen betalen. Maar echt gênant is dat hij geen schaamte meer heeft. Hij onderbreekt rustig mijn chatgesprek met de mededeling dat hij hoognodig overbodige bestanden moet lozen. Ik schaam me soms rot.
Mijn computer is nog uit de vorige eeuw, en dan merk je toch dat die ouwetjes de moderne tijd niet aankunnen. Hij is nu in het stadium dat als hij klem komt te zitten hij geen meter meer voor- of achteruit durft en alleen nog maar ineengedoken in zijn hoekje onder mijn bureau wil blijven zitten, zachtjes hijgend.


Posted by jaeggi at 03:37 pm

21 april 2008

ziek

je komt de kamer in en herkent niemand
je bed heeft de verkeerde vorm en staat
op een andere plaats
de gordijnen zijn dezelfde maar verkleurd
door water en zon, oranje heeft
in het blauw gebloed

de gezichten kijken allemaal vriendelijk
behalve 1, die met nieuws
uit de buitenwereld komt

je zou zo graag
ergens gaan liggen maar de vloer
ligt vol glas en vuil

en dan vragen ze of je een sprong wilt maken
en duwen je op een vlaggemast
uitstekend boven een donkere poel vol
doordrenkte legerjassen, gekliefde meubels

Posted by jaeggi at 11:38 am

19 april 2008

de jeugd van tegenwoordig


Mijn vriend Hugo is zo gelukkig gescheiden dat de meeste huwelijken er bleekjes bij afsteken. Na elf jaar huwelijk en drie jaar scheiding zijn hij en zijn vrouw nog altijd de beste vrienden. Als zij bijvoorbeeld een weekend met haar nieuwe minnaar naar Antwerpen wil past hij op hun dertienjarige zoon Justus.
Justus wou een blikje Red Bull, maar toen ik dat niet bleek te hebben was hij ook tevreden met een glas cola. Met zijn cola ging hij voor de tv zitten.
‘Is hij al een beetje naar meisjes aan het kijken?’ vroeg ik.
‘O, god, ja,’ zei Hugo hartgrondig. ‘Hij had al een vriendinnetje, Floortje. Leuk kind. Een kop groter, zo eigenwijs als de neten. Floortje at zowat elke dag bij hem en zijn moeder, en huiswerk maken, nou ja, met de tv aan natuurlijk, alles koek en ei. Maar opeens kwam ze niet meer. Ze wilde liever vrienden zijn, kreeg hij per sms te horen. Wij probeerden nog te troosten, maar Justus leek er niet onder te lijden. Wij dachten: hij is toch echt volwassen aan het worden. Maar vorige week werd ik gebeld door de vader van Floortje. Of ik wist dat Justus nog steeds sms-jes naar Floor stuurde. Nee, maar ik begreep het wel. Ze hebben allemaal zo’n mobieltje, en een heel netwerk aan vriendjes die ze elke dag bellen. En sms-jes sturen natuurlijk, want dat is hartstikke handig voor flirten en versieren en uitmaken. Veel veiliger dan iemand echt aanspreken, want je kunt niet uitgelachen worden per sms. Zoiets zei ik tegen die man. Maar het ging hem er ook niet om dát Justus ze stuurde, maar meer om de soort van berichten die het waren. En hij las er een paar voor.’
Hij haalde diep adem, en kuchte, alsof hij iets ging voordragen.
‘Vuile stoepslet,’ zei Hugo. ‘Ga aan de pik van je broertje likken. Je bent een stinkende kankersnol, met je gore hoerenbek.’
Hij keek me niet aan. Het leek net of hij bloosde.
‘Dertien,’ zei hij. ‘Hij is net dertien geworden. Dat mobieltje heb ik hem voor zijn verjaardag gegeven. Toen ik vroeg waarom hij dat soort teksten verstuurde liet hij me zien wat voor berichten Floortje terugstuurde. Die had hij allemaal bewaard, omdat hij nog verliefd op haar was. Als je het niet erg vindt laat ik die teksten even zitten. Laat ik het zo zeggen: Floortje was ook niet op haar mondje gevallen.’
Ik knikte. Hugo zei: ‘Eerst schrik je ervan, maar dan realiseer je je dat al die kinderen zo praten, onder elkaar. En sms-sen is veel directer dan praten, omdat je niet op je woorden hoeft te letten. Alles wordt meteen gezegd. Het is eigenlijk meer een vorm van gedachtenlezen.’
Hij lachte, niet van harte.
‘Weet je dat ik er jaloers op ben? Ik wou dat ik het kon, zo direct contact hebben. Ik zou hem best een paar keer per dag willen laten weten dat ik aan hem denk, zonder me af te vragen of dat verstandig is, en of ik die gevoelens wel bloot moet geven.’
Hij keek met een mistige blik naar de jongen op de bank, die gebiologeerd in het schermpje van zijn gsm zat te turen.
‘Maar hij wil me zijn nummer niet geven.’

Posted by jaeggi at 10:25 am

18 april 2008

HP/de Tijd


Er zijn dingen die je in een opwelling weer eens doet, omdat je vergeten bent wat een vergissing het de vorige keer was. In haast een broodje gezond op het CS kopen, bijvoorbeeld. Meegaan met het enige overgebleven meisje na sluitingstijd. Zo koop ik om het half jaar een HP/de Tijd. Even later neem ik me opnieuw voor dat nóóit maar dan ook nóóit meer te doen.
HP de Tijd, ontstaan uit de fusie tussen twee achtenswaardige opiniebladen, is het rioolputje van de Nederlandse journalistiek. Iedereen met een stoute opinie mag er zijn zegje doen, mits die voldoende rancuneus is, of het slachtoffer afdoende in discrediet wordt gebracht. Dit onder het mom van ‘opiniërende journalistiek’, een door journalisten zelf uitgevonden genre waarin niet de objectiviteit maar het vooroordeel van de journalist de leidraad is.
Dat het blad weinig journalistieke scrupules heeft weet iedereen sinds de interview-reeks met Edwin de Roy van Zuidewijn. Het is al weinig fatsoenlijk om een overduidelijk zieke leugenaar te laten leeglopen in je blad, maar je zou die verhalen op zijn minst kunnen checken op waarheidsgehalte. Welnee, dacht HP: waarom een spectaculair verhaal doodchecken?
Nu bestaan er wel meer bladen zonder journalistieke gêne, maar HP is uniek in de verlekkerde manier waarop ze haar slachtoffers te kakken probeert te zetten. Wat willekeurige voorbeelden: Over het fake-interview met premier Balkenende in Opinio zou je best interessante vragen kunnen stellen aan hoofdredacteur Jaffe Vink. HP-medewerker Merks verkneukelt zich liever over de oplage van Opinio: ‘Is al bekend welke van uw drie lezers Balkenende heeft gewaarschuwd?’ Op dezelfde pagina een stukje over Wouter Bos, die een rechtszaak over een privékwestie betaalde met geld uit de kas van zijn ministerie. In de laatste regels blijkt dat Bos daar het volste recht toe had, maar de schijn is gewekt: wat die zakkenvullers in Den Haag doen deugt van geen kanten.
Samen met de Telegraaf en Rita Verdonk voert HP de tijdloze slogan: ze naaien je waar je bijstaat. Het is de spiegel van het soort Nederland dat anderen het licht in de ogen niet gunt.
Verlekkerd wordt opgesomd hoeveel leden de publieke omroep is kwijtgeraakt. Likkebaardend wordt ‘onthuld’ hoeveel ambtenaren een auto met chauffeur hebben. En vaste prik in HP is het zelfkastijdings-stuk waarin maandelijks uit een nieuw perspectief wordt uitgelegd waarom wij allen niet deugen (‘Zo kennen we Nederland weer’).
Niet het hele blad is al kattenbakrijp bij aankoop: het heeft ook uitstekende schrijvers als Beatrijs Ritsema, J.A.A. van Doorn en Ronald Hoeben, soms een goed achtergrondartikel en vaak leesbare kritieken (al serveerde recensent Max Pam ooit de toen nog onbekende roman Joe Speedboot achteloos af met het argument dat het ‘geen literaire titel’ had). Maar na het lezen blijft altijd die smaak achter van kinnesinne, achterklap en afgunst. Er is zelfs een HP-medewerker in wie al die kwaliteiten zijn verenigd: recensent en societyreporter Jan Zandbergen. Ik heb zelden een stuk van de man gelezen dat niet droop van geniepigheid en neerbuigendheid. Met de energie van Zandbergens frustraties kun je in een middelgrote provinciestad onbeperkt de verwarming laten loeien. Zandbergen, ooit veelbelovend Propria Cures-redacteur, tegenwoordig feestjesverslaggever, beheert bij HP de portefeuile miezerige verdachtmakingen, pardon: opiniërende journalistiek: ‘Het Fonds voor de Letteren is zoals iedereen weet een soort van charitas-instelling voor literaire handophouders’.
De uitgever van HP/de Tijd overweegt momenteel het blad tweewekelijks te laten verschijnen. Een stap in de goede richting, Audax, maar waarom het onvermijdelijke uitstellen?

(Deze column verschijnt ook in het Parool)

Posted by jaeggi at 09:40 am

17 april 2008

zwemlogboek (2)

Vaak zetten zich tijdens het baantjes trekken woorden of uitdrukkingen in je hoofd vast, die door blijven echoën tot na het douchen.
Vandaag was het: 'Shachtar Donetsk'.


(Even googlen leert dat het hier gaat om voetbalclub Sjachtar Donetsk, kampioen van de Oekraïene in 2002, 2005, 2006. Blijft de vraag hoe de club in mijn hoofd is beland bij het zwemmen.)

Posted by jaeggi at 11:38 am

16 april 2008

voor zover wij hommels kennen

(Deze recensie verschijnt vandaag in het Parool.)

Ik geloof dat we veilig kunnen stellen dat Ingmar Heytze een volleerd dichter is, als zoiets tenminste bestaat. Achtendertig jaar inmiddels, een half dozijn bundels achter zijn naam, binnenkort benoemd als stadsdichter van Utrecht, wat hij natuurlijk de facto al jaren is: wat zou je Ingmar Heytze nog moeten vertellen over het schrijven van een gedicht? Hij kan het met zijn ogen dicht.

Op deze plaats hoort een ander gedicht.
Dat komt, ik kan mijn handschrift
niet meer lezen. Ik werd wakker
van een stralend licht dat door
de kamer gleed – was het de maan?
(-)
Het spijt me. Koop een bandrecorder,
bromt u nu misschien. Dat is nog erger,
dan hoor je de dag daarna een stem
vanuit het graf, die mompelt: ‘ster…
frambozen… vezelrijk…’

gevolgd door drie kwartier gesmak
en snurken. Dan schrik je lijkbleek wakker
van de klik waarmee het bandje stopt –
juist als in je droom, geheel terecht,
een wapen op je wordt gericht.

Het openingsgedicht in de nieuwe bundel Elders in de wereld is vintage Heytze: helder, geestig, met een toefje vervreemding en net genoeg diepte om te intrigeren maar niet te verontrusten. Een gedicht van Heytze lezen is als Miles Davis horen spelen: onmogelijk om hem met een ander te verwarren. Waar veel dichters naar streven, dat heeft Heytze al jaren gevonden: een eigen stem. Het is een welluidende stem. Soms krijg je de indruk dat Heytze er zelf ook een beetje verliefd op is: ‘Tegen het meisje van de boekhandel/ zeg ik ongevraagd dat ik het weer eens/ ga proberen, met de poëzie bedoel ik,/ als een hommel die de vorst in stommelt/ door een open raam, op hoop van zegen.’
Hier spreekt een dichter die door zijn eigen woorden niet onberoerd wordt gelaten. Kijk hem staan, die vertederende lummel. Zo in beslag genomen door zijn eigen lieve klunzigheid dat hij over het hoofd ziet dat hommel misschien wel lekker rijmt met stommel, maar dat een hommel biologisch gezien de faciliteit mist (pure massa) om mee te stommelen. En de personificatie klopt ook niet: een menselijke dichter zal misschien nog wel eens denken ‘op hoop van zegen’, maar een hommel nooit. Voor zover wij hommels kennen gaan ze altijd linea recta op hun doel af (nectar).
Misschien is dat laatste een goed advies voor Heytze, want die heeft de neiging weleens wat lang om de zaken heen te draaien, als een spits die maar blíjft kappen en dribbelen, zodat je de aandrang krijgt het veld op te rennen en dan maar zelf te scoren. Die neiging heb ik bijvoorbeeld bij zijn prozagedichten, en bij het gedicht Jeu de boules, dat begint met de flauwiteit: ‘Gooiend met de ballen van oom Fred…’.
Toch is Heytze meestal een trefzekere goalgetter, vooral in de gedichten waarin hij, laten we zeggen, vergeet dat hij Ingmar Heytze is: ‘Iedereen wil een talisman;/ zelf heb ik jarenlang het treinkaartje van mijn eerste zoen bewaard./ Achttien vrouwen later denk ik: nu zijn we nog met vlees/ bekleed, straks met betekenis misschien.// Ik wil haar kut wel op sterk water/ maar ben dik tevreden met een kus en een pluk haar.’
Kijk, daar koop je zo’n bundel voor. Welluidende gedichten zijn er genoeg, doe mij nog zo’n hortend vers waarbij je voortdurend het gevoel hebt dat je een traptree mist.
Heytze is op zijn best als hij zijn eigen hand loslaat. Mooie gedichten schrijven kan hij, desnoods met zijn ogen dicht; maar je zou wensen dat hij daar, in het donker achter zijn eigen oogleden, een keer iets tegenkomt waar hij zich wezenloos van schrikt.


Ingmar Heytze, Elders in de wereld. Podium, € 15,-

Posted by jaeggi at 08:46 am

14 april 2008

one man's misery is another man's gain

's Ochtends wakker worden is dezer dagen een behoorlijk spannende aangelegenheid. Terwijl ik met gesloten ogen op mijn rug lig voer ik een voorzichtige verkenningstocht uit door mijn lichaam: hoe is de toestand in de maagstreek, speelt die gevoelige kies nog steeds zo op, wat is de staat van het tandvlees en vooral: is de hik er nog?
Ik heb inmiddels negen dagen de hik. Vrijwel onafgebroken. Het is een bijwerking van een van de medicijnen die ik slik. In ongeveer twee procent van de gevallen schijnt dit voor te komen, maar de arts moest bekennnen dat hij nog nooit een geval had gezien waarbij de hik zo lang aanhield. 'De laatste keer dat ik zoiets heb gezien moesten we de hele kudde uitroeien,' zoals de dokter zegt in Suske en Wiske en de Tamtamkloppers.
Maar vanochtend leek de hik verdwenen. Ik kan niet vertellen hoe groot mijn opluchting was, dat moet u zich zelf maar proberen voor te stellen (en dan nog: u hebt echt geen flauw idee). Negen dagen de hik is met niets te vergelijken, dus dat zal ik ook niet doen. Als daar een einde aan lijkt gekomen spring je uit bed, doet jubelend je ochtendplas, poetst dansend je tanden, kietelt de kinderen uit bed en huppelt naar beneden om hun boterhammen te smeren.
Halverwege de trap voelde ik iets zich roeren achter mijn borstbeen. Een klein giftig dier wrong zich uit zijn slaapplaats, vlak achter mijn borstbeen, naar buiten. De hik was terug.
Ook het gevoel dat ik toen kreeg moet u zelf bedenken.
Ik smeet de boterhammen in de trommeltjes, schopte de kinderen de deur uit, vloekte een toevallige voorbijganger uit en wierp me in een stoel.
Ik was de zieligste man op aarde.
Er was geen genade.
Niets bleef mij bespaard.
Dan maar dood.
Lusteloos pakte ik een van de ongelezen weekendkranten van de groeiende stapel. Het was NRC's CS Boeken van afgelopen vrijdag. Ik begon te lezen, vraag me niet waarom, in Bas Heijne's recensie van de biografie van Joseph Conrad. Conrad, niet een van mijn favoriete schrijvers. Ik heb ooit Heart of darkness en Lord Jim van hem gelezen, maar dat was waarschijnlijk niet gebeurd als ze niet op de verplichte leeslijst van mijn werkgroep Nineteenth Century English Literature in Leiden hadden gestaan. Zowel die twee boeken als de biografie van Conrad zijn sindsdien uit mijn geheugen verdwenen - terwijl ik over de veel minder bekende Amerikaanse schrijvers John Fante en William Kotzwinkle zo ongeveer alles weet wat er te weten valt.
De geniale Conrad, zo las ik, bleek een getourmenteerd leven te hebben geleid. 'Hij trouwde met een niet erg intelligente, zwaarlijvige, eeuwig kwakkelende Engelse vrouw, woonde geïsoleerd op het Engelse platteland en schreef met ontzagwekkend veel pijn en moeite zijn romans, die vanaf het begin goed besproken werden, maar niet goed verkochten.'
Ik hikte een paar keer. Er kwam een flard van een oud liedje in me op, waarvan de tekst zich automatisch aanpaste aan mijn omstandigheden: 'Hello Hiccups my old friend/ I've come to talk to you again...'
Ik grinnikte en hikte tegelijk, een combinatie die ik kan afraden. Nadat ik was uitgerocheld las ik verder: 'In huize Conrad was nooit geld en iedereen was altijd ziek; de biografie van Stape bestaat grotendeels uit een opsomming van kwalen en niet afbetaalde leningen.'

'Wat zit jij vrolijk te giechelen,' zei mijn vrouw, die de keuken binnenkwam. 'Is je hik verdwenen?'
'Nee,' zei ik, 'maar dat maakt niet uit.' Ik liep naar de kapstok en pakte mijn jas.
'Wat ga je doen?' vroeg ze, terwijl ze de waterkoker aanzette.
'Ik ga de biografie van Joseph Conrad kopen,' zei ik. 'Dat is een fantastisch boek.'

Posted by jaeggi at 10:40 am

13 april 2008

die hadden we al een tijd niet gehoord!

‘Zullen we nog een afknappertje nemen? In café het Dompertje?’

(Amsterdam, Warmoesstraat, 02.14)

Posted by jaeggi at 09:00 am

11 april 2008

i miljoen smurfen, 1 maand later


De smurfen kruimen niet en zijn heel goed van smaak, mits niet te zouteloos
Ze blijven lekker vers, als men ze goed bewaart in een gesloten doos
De smurfen delen goed en zijn heel mooi van vorm en heus niet al te lang
Alleen ze breken gauw, dus hou ze stevig vast, ze zijn wat vallens-bang

Ik bied ze hier maar aan, en loop maar heen en weer, nu al een half uur
Van 't bed naar 't raam, van 't bed naar de fauteuil, van 't kastje naar de muur
Je ziet ze hier wel staan, je kan je gang dus gaan en knabbelen als een muis
Toe, wees er mee tevree, wil je ja, wil je nee? 'K heb anders niks in huis

Vrij naar Gerard Cox: De liedertjes.

Posted by jaeggi at 12:28 pm

10 april 2008

mijn boek


Terwijl de mannelijke arts mijn bloeddruk controleerde en diverse felgekleurde slangetjes in mijn lichaamsopeningen leidde, stelde de vrouwelijke arts de gebruikelijke vragen: of ik allergisch was, of er ernstige ziektes of krankzinnigheid voorkwamen in de familie. Mijn antwoorden schreef ze op in een dikke rode dossiermap, de soort waarvan er miljoenen staan in de kasten van belastingkantoren, medische centra en inlichtingendiensten.
De mannelijke arts keek op het display van de zwaar ademende machine bij mijn hoofdeinde (en hoewel ik me erg akelig voelde en mijn tanden klapperden als behekste castagnetten, moest ik toch denken aan die Monty Python ziekenhuisscène met de hele dure machine die niks doet behalve af en toe ‘Píng!’ zeggen) en verdween achter het gordijn. De vrouwelijke arts sloeg haar rode map dicht, knikte me vriendelijk toe en zei toen, met het privacy-gordijn al in haar hand: ‘U bent toch de schrijver?’
Nu valt het niet mee om, achteroverliggend in de kussens van een ziekenhuisbed, met een felgeel slangetje uit je neusgat, en een bloedrood slangetje dat onder de dekens verdwijnt, je als een bekend en gerespecteerd schrijver te profileren – maar ik geloof dat ik het er redelijk vanaf gebracht heb. Dat zeg ik omdat ik de volgende ochtend gewekt werd door de blonde verpleegkundige W. met de woorden: ‘Ben je al wakker? Ik kom je zo je pijnstillers brengen, maar ik heb je boek nog niet uit! Heb je nog tien minuten?’
Tien minuten? Tien jaar desnoods! Het idee dat W. verdiept was in één van mijn boeken, zorgde ervoor dat mijn herstelcurve direct een steile hoek omhoog maakte. Wat zou ze aan het lezen zijn? Held van beroep, mijn bekendste roman? Of misschien had ze mijn laatste boek, Edele Dieren, in de boekhandel zien staan, en was mijn naam haar opgevallen, dezelfde naam als de vrolijke patiënt die die nacht op afdeling 5b was binnengereden?
Ik nam een slok water uit het glas dat ‘s nachts op mijn nachtkastje had gestaan. Het smaakte naar kleingeld dat lang in een warme hand heeft gelegen. Ik keek naar de beterschapsboeketten die strak in het gelid in de vensterbank stonden, het plastic er nog omheen. Twee dingen hielden me bezig. Zou mijn bekendheid, nu die eenmaal rondzoemde door het ziekenhuis, iets uitmaken voor de behandeling die ik op het punt stond te ondergaan? Zouden ze bijvoorbeeld bij de operatie rekening houden met het feit dat ze een bekende schrijver onder handen hadden? En ten tweede: had ik daar bezwaar tegen?
Onnodig te zeggen dat ik vind dat iedereen recht heeft op een gelijke behandeling, maar: stel dat ik zelf arts was, en Rita Verdonk of Jeroen Pauw werd de operatiekamer binnengereden? Op zijn minst zouden er allerlei wonderlijke dingen door mijn hoofd gaan voor ik het mes in ze zette.
Aan de tweede vraag kwam ik niet toe, want verpleegkundige W. kwam mijn kamer weer binnen. Ze droeg een dikke rode map onder haar arm. ‘Zo, dat is uit,’ zei ze. ‘Nu weet ik alles van je.’ En ze stak het boek met mijn medische gegevens in de houder aan het voeteneind van het bed.
Ik wilde nog vragen: ‘En? Goed boek?’ Maar ik zag ervan af. Ik had even meer behoefte aan pijnstillers dan aan humor.

Deze column verscheen vandaag ook in Het Parool.

Posted by jaeggi at 05:23 pm

09 april 2008

In Memoriam Ric Cadell (1949-2003)

Dit is de maand waarin Ric Cadell stierf, een van mijn liefste dichters.
Het gedicht is van Tony Baker.
Hier meer gedichten die de doden levend houden.


PARSLEY

You speak amongst the sounds of things I hear no more.
Normally of course who'd ever guess the yachts

that sail the air - the snatched wakes
& links
they navigate between. Ah Ric, we

is the strangest sea.
I listen to this room. It isn't how it was before.


Posted by jaeggi at 10:27 pm

kopieerinrichting 'De Kameel', meeuwenplein 39

Het manuscript van het vroegst bekende werk van Gerard Reve, de dichtbundel '10 Versjes van Gerard Cornelis van het Reve aan Christina Amende', wordt heden te koop aangeboden door antiquariaat Aioloz te Leiden. Er was al eens een heruitgave van de gedichten, waarover ik ver terug in de vorige eeuw onderstaand stuk schreef. Reve leefde toen nog, al wist hij dat zelf niet meer.


Hoe zou ú zich voelen als de gedichten die u schreef toen u zestien was (ontkennen heeft geen zin - poëzie & onanie, iedereen deed het, niemand geeft het toe) veertig of vijftig jaar later ineens in een bundeltje verschenen? Tamelijk gegeneerd, mag ik hopen.
U heeft dan tenminste nog de geruststelling dat vrijwel niemand uw rijmend puberverdriet zou kopen, maar iemand als Gerard Reve moet er ernstig rekening mee houden dat er duizenden mensen zijn die zijn onvolwassen melancholie en jeugdige hoogdravendheid graag willen aanschaffen. Er zijn nu eenmaal mensen die alles van Reve willen bezitten. Zo ken ik de eigenaar van een antiquariaat in Leiden, een vriendelijke, rustige en zeer belezen man, die niettemin zonder aarzeling forse bedragen zou bieden voor een originele drol van de Grote Volksschrijver, míts er een door de Volksschrijver ondertekend certificaat bij zat dat de drol authentiek verklaarde.
Zo ver gaat mijn liefde voor Reve niet. Een slecht gedicht blijft een slecht gedicht, ook al komt het van de Hand Van De Meester.

Melancholieke scholier

Des morgens gaan we naar de school
En 's middags weer naar huis;
De volgende ochtend weer naar school,
En 's middags weer naar huis.

Zo wentelen de uren van de dagen
Waarin een mensenkind verdwijnt,
Kijk! Een mus daalt op de tuimelramen
Maar hoort den leraar brallen en verdwijnt.

Ik voel mij hopeloos verlaten,
En in de schemerige straten
Schommelt de sneeuw omlaag

'Schommelt de sneeuw omlaag', hm, nou, vooruit, aardig beeld voor een jongen van zestien, maar verder? Het is bijna gênant hoe onbijzonder zo'n gedicht is. En het kan nog erger:

Minuten - geluk

Ik zit, m'n benen bungelend, op de waterkant,
En in een bootje hoor ik ginds een tango spelen;
Verdomd! Ik wist niet, dat er in dit land
Nog zoveel aards geluk viel weg te stelen.

De rest van de gedichten in Terugkeer is van hetzelfde niveau. De bundel is een heruitgave van het officiele debuut van Reve, waarvan de eerste 'druk' in 1933 in eigen beheer werd vervaardigd, in een oplage van 50 exemplaren, bij Copieerinrichting 'De Kameel', Meeuwenplein 39 in Amsterdam-Noord. (Het is onzinnig om te vermelden, en voor Reve-kenners oude koek, maar ik vind zulke informatie juist weer wél uitermate poëtisch.) Ook voor Reve-vorsers is er weinig te beleven aan deze gedichten. Wat valt er uit te leren, behalve dat de jonge Gerard het nog best moeilijk had in die jaren? Weinig.
Gelukkig worden de gedichten voorafgegaan door een uitstekende, zeer informatieve inleiding van Tom Rooduijn. Echte Reve-exegeten zullen het allemaal al weten, maar voor wie niet direct een groot verlangen heeft om ooit een Teennagel van de Grote Meester te bezitten is het toch aardig om te lezen dat de eerste aan wie Reve een keuze uit zijn gedichten overhandigde, een meisje was dat drie klassen lager op het Vossius Gymnasium zat: Stien Amende. Het klinkt als een smeekbede. De poëzie druipt ervan af. Stien Amende. God ontferm U.

De bundel Terugkeer was nog geen jaar oud was toen Reve zich van een brug in het water stortte. 'Maar ik was vergeten dat ik kon zwemmen,' verzuchtte de auteur later.
Laten we ons maar gelukkig prijzen dat Reve had leren zwemmen vóór hij leerde schrijven. Het zou erg onrechtvaardig zijn geweest als hij niet was toegekomen aan het schrijven van de gedichten uit Nader tot U. Zou er dan toch een God zijn, denkt u?

Posted by jaeggi at 09:52 am

08 april 2008

palingen en homo's

Een paar jaar geleden hoorde ik dat de paling uit Nederland verdwenen is. Het was die dag geen voorpaginanieuws, het was niet de opening van het journaal: het zat ingeklemd tussen de Nederlandse voorbereidingen op het EK – ergens in Nederland was een hele straat oranje geverfd – en een interviewtje met de zoveelste sensationele jonge zangeres van zestien die klonk alsof ze al twintig jaar drugs gebruikte.
Alle paling was weg – geleerden en palingvissers stonden voor een raadsel.
‘Het werd natuurlijk wel elk jaar minder,’ zei de ene, waarop de ander snel aanvulde: ‘Maar het is nooit bewezen dat de visserij van invloed is op de stand van de paling.’ Het klonk als een stil verwijt aan de paling, die best gered had kunnen worden mits ze op tijd met bewijzen waren gekomen dat ze op het punt van verdwijnen stonden. Stomme beesten. Op zijn minst hadden ze lering kunnen trekken uit het lot van de kabeljauw, de rivierzalm en de tonijn, die ten minste een beetje aantoonbaar waren uitgestorven.

Ik was er een dag of wat ongelukkig door, toen gleed het weg uit mijn geheugen en vergat ik het - tot ik enige tijd later van een geboren Rotterdammer hoorde dat het daar in de haven nog stikt van de paling. De Belgen komen er speciaal voor naar Rotterdam!
Het palingalarm bleek dus niet volledig: de paling was alleen verdwenen uit het IJsselmeer. Ook een deprimerend idee, maar wel een waar ik mee kon leven. Vooral omdat ik allemaal gretige Belgen voor me zag, in de auto onderweg naar de Maasstad, hun lippen aflikkend bij elk verkeersbord waarop 'Rotterdam - 40 km' stond.
En daarbij voegde zich als vanzelfsprekend het beeld van Harmen de koksmaat, een van de Scheepsjongens van Bontekoe, die na een vispartij in een meertje de gevangen palingen in zijn van onderen dichtgebonden broek laat glijden, tot hij een aan alle kanten bobbelende, zwellende, deinende broek heeft. Hoe voelt het? vragen de andere scheepsjongens. Harmen haalt zijn schouders op. Het kriebelt een beetje, grijnst hij.
Als ik ooit nog eens een homo-erotische scene moet schrijven, zal ik daaraan denken.


Posted by jaeggi at 03:37 pm

de vijf woorden recensie


Twee
Zelfvoldane
Doodonzekere
Vroegoude
Zeurpieten.

Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel. Willem Frederik Hermans/ Gerard Reve: Een briefwisseling. De Bezige Bij € 19,90.


Posted by jaeggi at 08:43 am

07 april 2008

naar je lichaam luisteren, ...

... nog zo'n goedbedoeld advies dat ze je in het voorbijsjezen toeroepen, hard doorpeddelend op hun enorme familiefietsen met hun wapperende sjaals en hun ernstig in een computerspelletje verdiepte kinderen achterop.
Goed naar je lichaam luisteren.
Even zitten dan maar, liefst op een bankje. Er is nergens een bankje, maar gelukkig is het vuilnisophaal vandaag dus kan ik me neerlaten op de resten van een onttakelde IKEA-boekenkast, een klassieke Billy volgens mij, aan de rand van de stoep.
Het lukt me dit te doen zonder hè-hè te zeggen.
Wat zegt mijn lichaam op dit moment?

sta op en loop door man,
je bent toch geen oud wijf
nee als je je moe voelt moet je gewoon
rust nemen heb je alweer honger?
ik moet er niet aan denken, ik proef de yoghurt van
vanochtend nog straks toch maar een broodje nemen,
of een bagel of een tosti je moet aansterken
dat zal best maar als ik er alleen maar aan
denk ga ik al over mijn nek

heb ik mijn pillen trouwens al genomen
die moeten binnen een half uur na het ontbijt
hik
hik
daar is die verdomde hik weer
hik
niet vergeten het ziekenhuis te bellen straks
of dit een of andere bijwerking is van die pillen
lijkt me trouwens vrij logisch twee dagen achtereen de hik
komt ook weer niet zo heel vaak voor
behalve bij de Oude Grieken
of Romeinen

toen daar een korte hik-epidemie was
zijn er duizenden gestorven
en ik heb gelezen van een of andere kluizenaar in Yorkshire
een paar jaar geleden
die ook aan de
hik
was overleden
adem inhouden dan maar weer

en uitblazen
onderhand kom ik makkelijk aan de twee minuten
handig als ik nog eens vast kom te zitten
in een scheepswrak onder water
net als Guy Kirkpatric, de man die de duikbril uitvond
en zijn vrouw doodschoot toen hij hoorde dat ze kanker had
en daarna zichzelf

daar zul je de vuilniswagen hebben
laat ik maar opstaan,
straks laden ze mij ook in
samen met Ouwe Billy hier


Posted by jaeggi at 11:18 am

04 april 2008

jaeggi ut Magyar

Ik heb het even stil gehouden tot het 100 % zeker was, maar nu kan ik het Grote Nieuws eindelijk vertellen: de Hongaarse vertaling van Jaeggi's gedichten gaat door! De vertaalster ligt weliswaar op sterven, maar de subsidie is binnen, al moesten de salami en paprika daarvoor wel drastisch in prijs verhoogd worden en moet ik voortaan wat harder werken en heeft elk gedicht nog 10 extra regels nodig vanwege deviezenformaliteiten.
Dat is ongeveer wat ik opmaak uit de volgende mail van de Hongaarse samenstelster (een mail die tevens onze eerste kennismaking was): 'Dear Adriaan, at the end came the letter from the Found, so we can publish our selection. Would you please write 10 sentences about himself and literary activity, which we could give in Hungarian as an introduction to the translation.'
Nu kan niets mijn doorbraak in Hongarije nog in de weg staan. Er was al eens een verhaal van me vertaald en gebundeld samen met verhalen van Tommy Wieringa en Jaap Scholten (ook in Nederland verkrijgbaar, en wel hier) (even naar beneden scrollen). Dus met een beetje mazzel meldt zich nog deze week een Hongaarse uitgever voor mijn laatste roman!
(Want als er iets is dat je als schrijver op de been houdt dan is het hoop; eeuwige, schrale maar onverwoestbare hoop.)

Posted by jaeggi at 09:48 pm

02 april 2008

een goed humeur

(Deze column verschijnt vandaag ook in Het Parool.)


Mijn moeder was iemand die aan haar lijstjes – wat mee te nemen op schoolreis, de bagage voor ponykamp – als laatste steevast toevoegde, na zaklamp en zakmes: een goed humeur. Dat maakt mijn moeder, zo’n dertig jaar na haar dood, een visionair medisch genie. In het ziekenhuis waar ik vorige maand twee weken doorbracht werd mij namelijk van alle kanten verzekerd dat een goed humeur het beste middel is voor een voorspoedig herstel. De tijd gaat nergens langzamer dan in een ziekenhuis, dus ik had genoeg tijd om daarover na te denken. Ik had nooit vermoed dat een goed humeur (alias: een positieve instelling/een goed gevoel tussen de oren) zo belangrijk was. Het was een soort magische formule. In de boeken die vrienden en familie voor mij meenamen (ik ben inmiddels de trotse bezitter van een goedgesorteerde kankerbibliotheek) stond het goede humeur ook hoog aangeschreven. Dr. Servan-Schreiber (bekend van de bestseller Uw brein als medicijn) schrijft in Antikanker: ‘Artsen hebben steeds psychologische oorzaken verbonden met kanker. Tweeduizend jaar geleden was het de Grieks-Romeinse arts Galenus opgevallen dat kanker vooral voorkwam bij gedeprimeerde mensen.’ Ach ja, tweeduizend jaar geleden, glorietijd van de geneeskunst, toen men het drinken van urine van kool-eters dringend aanbeval als koortswerend middel. Maar dr. Servan vertrouwt niet alleen op de oude Romeinen: ‘In 1846 waren de Engelse medische autoriteiten van oordeel dat geestelijke ontreddering, een neerslachtige stemming… de belangrijkste oorzaken van de ziekte vormen. (-) Veel van mijn vrienden die oncoloog zijn, komen tot dezelfde conclusie.’ Oei. Het gaat verder dan ik dacht. Niet alleen is een goed humeur ongeveer je enige kans op genezing, daarnaast worden mensen met een slecht humeur gestraft met kanker!
Een andere ‘kankerspecialist’, Lothar Himreise, die zijn autoriteit baseert op het feit dat hij nooit medicijnen heeft gestudeerd, zegt: alle kanker is te wijten aan stress. Hij raadt ons aan ontspannen in gesprek te gaan met onze kwelgeest: “’Lieve tumor, dit is een verlies/verlies situatie. Als jij groter wordt, moet ik sterven en jij dus ook. Laten we de zaak omdraaien tot een win/win situatie.”’
Nu zou ik normaal geen aandacht besteden aan dit soort cynische krankzinnigen - maar kortgeleden heeft het lot mij in de gelegenheid gesteld hun theorieën in de praktijk te testen. Ik weet zelfs de uitslag al: ze slaan nergens op. Ziet u: ik heb namelijk een goed humeur. Altijd gehad, mijn hele leven al. U zou lang moeten zoeken om in Nederland een opgewekter man te vinden. En toch heb ik kanker.
Ik leef stressvrij (incidentele echtelijke ruzies of woedeaanvallen voor de TV niet meegerekend), ik ee gezond en met het drankgebruik valt het reuze mee. En toch kreeg ik kanker. Het is geen overdonderend wetenschappelijk bewijs, maar er is maar weinig bewijs voor nodig om de theoriën van kwakzalvers als Servan, Himreise en dokter ‘drink meer pis’ Galenus omver te kegelen.
Een goed humeur helpt je niet van je kanker af. Het is hoogstens een praktisch bezit, dat je helpt in moeilijke tijden, en dat je roekeloos plannen laat smeden ver voorbij de tijd die je gegeven is. Zo heb ik met deze krant de afspraak dat ik vijf jaar een column schrijf, en vervolgens ontslagen wordt. Dan spreken we over 6 april 2013. Ik kan u niet zeggen hoezeer ik uitzie naar die dag.


Posted by jaeggi at 09:14 am

01 april 2008

als we groot zijn

Over een jaar of tien, vijftien, als de kinderen het huis uit en onze vrienden voor het merendeel dood zijn, openen we ergens op het platteland een leuk restaurantje. Niks pretentieus, gewoon een ouderwets soort herberg, met een lange stamtafel waar iedereen kan aanschuiven voor het menu van de dag, en een paar specialiteiten waar de mensen voor omrijden.
We zien het voor ons.
’s Ochtends lekker vroeg op, uurtje of zes, naar de groothandel. Dan thuis gezellig bij een kopje koffie het menu voor de dag uittikken, met verse spullen van de markt. Dan gaat de een tafels dekken en de gasten voor de lunch ontvangen terwijl de ander naar de keuken verdwijnt om te koken. Om een uurtje of drie begint de eerste gast te klagen dat zijn omelette aux fines herbes al een uur op zich laat wachten. Een gezelschap van vijf weigert te betalen. Weer heeft niemand de zeeduivel besteld, die morgen alleen nog geschikt is als lunchfrituur-schoteltje van half de inkoopprijs.
Als de laatste gasten om een uur of half zes de deur uit zijn is er even tijd voor een glas en een sigaret. Dan moet aan de mise en place voor het diner begonnen worden. Uien snijden, taarten bakken, sauzen inkoken terwijl de ander de tafels afhaalt, asbakken leegt, afwasmachines in- en uitruimt. Gezellig vooraf eten met het overige keukenpersoneel, waar we ons zo op verheugd hadden, kan helaas niet, want de eerste gasten voor het diner staan alweer voor de deur.
‘Jullie zijn een beetje vroeg,’ zeggen wij als we de jassen aannemen. ‘Ga maar even aan de bar zitten. Pak zelf maar wat te drinken, wij zijn nog even bezig.’ Uit de keuken komt het vertrouwde aroma van verbrande uien.
Tegen twee uur ‘s nachts, als de laatste gasten van Chez Adriaan luidruchtig aan de koffie met calvados zitten slaan wij elkaar in de keuken de hersens in met de splinternieuwe hapjespannen van Le Creuset.

Posted by jaeggi at 12:37 pm