« proud to be stout | Main | hospital bop »

17 maart 2008

jeroen


Hij zat achter in het restaurant aan een messcherp gedekt tafeltje en hield zijn ogen gericht op de deur. Toen hij me zag stak hij zijn hand op en zwaaide jolig, en ik zwaaide terug met één arm nog in mijn jas en dacht, in een eerste opwelling: ‘Jezus Christus, zie ik er ook zo afgetrapt uit?’
Anderhalf jaar geleden hadden we elkaar voor het laatst gezien, maar hij zag eruit alsof het leven sindsdien een paar keer met een fourwheeldrive over hem heengereden was. Ik trok mijn jas uit en keek rond naar een kapstok. Obers slalomden om mij heen alsof ik een vaantje op de piste was. Ik legde de jas over mijn arm en liep naar achter. Toen ik bij het tafeltje stond en hij half uit zijn stoel kwam realiseerde ik me dat ik zijn naam niet meer wist.
‘Kerel, hoe is het? Je ziet er goed uit,’ zei ik, terwijl ik zijn slappe, koude hand schudde. Van dichtbij was het niet beter: zijn ogen waren dof, zijn hele gezicht was grijs als het kielzog van een pekelwagen en om zijn mond zaten diepe groeven.
‘Goed, fantastisch,’ zei hij. ‘Met jou?’
‘Ook goed, ook goed.’ Ik ging tegenover hem zitten. We grijnsden elkaar aan.
‘Dat is toch minstens twee jaar geleden.’
‘Als het er geen drie zijn.’ Een paar jaar hadden we in hetzelfde gebouw gewerkt en elkaar dagelijks gezien. We waren zo dicht bij een vriendschap gekomen als je maar kunt zonder vrienden te worden. We hadden samen met open mond het tweede vliegtuig live in het WTC zien vliegen. We hadden samen de beurs door zijn knieën zien gaan, hij met zijn aandeeltjes in het Verre Oosten (‘altijd booming, booming, booming!’) en ik met mijn papiertjes Koninklijke Olie, die in een paar weken tijd evenveel waard waren als één keer een volle tank benzine. We zaten op zijn kamer te lunchen toen we hoorden dat Herman Brood gesprongen was. Uit al die dingen hadden we de conclusie getrokken dat er iets tussen ons was, iets waardevols dat in stand gehouden moest worden. Daarom hadden we anderhalf jaar lang steeds opnieuw afspraken gemaakt, en ze steeds opnieuw verschoven naar een latere datum. En vandaag was het eindelijk gelukt. En nu zaten we tegenover elkaar aan tafel en we konden niet meer weg, nog zeker een uur niet, en ik kon me met de beste wil ter wereld zijn naam niet herinneren.
‘Zullen we eerst maar even bestellen?’
‘Goed idee?’
We bestudeerden zo lang mogelijk de kaart. Tot overmaat van ramp stond er niets op dat het eten waard was.
‘Ik denk dat ik de carpaccio neem,’ zei ik.
‘Dan neem ik de alfalfasalade,’ zei hij.
‘En daarna… De entrecote,’ zei ik.
‘Dan neem ik de Thaise maaltijdsalade,’ zei hij.
‘Flesje wijn erbij?’
‘Nee, water voor mij.’
Toen was ook dat onderwerp uitgeput. Ik zwaaide naar de ober, die honend terugzwaaide. Ik voelde hoe de boord van mijn overhemd, dat ‘s ochtends al aan de strakke kant had geleken, zich dieper in mijn nek groef. Met de moed der wanhoop zei ik: ‘Maar vertel op, muchacho, hoe staat het er allemaal mee. Het leven.’
Hij hield zijn hoofd een beetje scheef. ‘Je weet mijn naam niet meer, hè?’ Hij gaf me niet de gelegenheid om te ontkennen.
‘Grappig is dat, ik zat net te denken hoe weinig we eigenlijk gemeen hadden, maar toen herinnerde ik me ineens dat je ooit vertelde hoe je altijd slecht was geweest in namen, en als je de naam van een of andere kerel niet meer wist jij altijd je toevlucht nam tot “kerel”. Of “muchacho”. Of “professor”, dat zei je ook vaak.’
Ik pakte mijn mes op en bestudeerde het van dichtbij.
‘En bij vrouwen zei je altijd “dame”. Of “muchacha”.
Ik stond op en stak mijn hand uit. We schudden elkaar de hand, beter dan eerst – meer gemeend. Hij voelde hetzelfde als ik: de opluchting dat iets dat heel lang heeft liggen zieltogen eindelijk de laatste adem uitblaast.
Later die dag schoot zijn naam me weer te binnen, maar tegen die tijd was hij zelf al verdwenen tussen alle andere vreemden in mijn herinnering.


jaeggi om 17 maart 2008 14:06