« februari 2008 | Main | april 2008 »

31 maart 2008

zwemlogboek (1)

Bij het zwembad om 11.55, in het water om 12.10. Dit keer geen gedonder met de kluisjes, wat eergisteren bijna een kwartier kostte.
Veel moeilijke zwemmers vandaag. Logge mannen, veel vlees, grote waterverplaatsing. Veel hoofdschudders, spetteraars en staafmixers: van die mannen die met hun beenslag boven water uitklapperen en wolken schuim en luchtbellen achter zich laten. Die soms een half baantje vlinderslag patsen en een deinend, schuimend zog produceren, heel hinderlijk voor zwemmers achter hen. In andermans bellen zwemmen; alsof je je door een wolk uitlaatgas beweegt.
Van de weeromstuit zelf hypercorrect gaan zwemmen: lange, stille slagen, zo min mogelijk waterverplaatsing, glijden inplaatsvan boksen, zo ongemerkt mogelijk van de ene kant van het bad naar de andere. Spionagezwemmen. In dat voornemen wel steeds gehinderd door één met zijn flippers maaiende walrus die voortdurend de zwemmers voor hem inhaalde, waardoor je ineens twee tegenliggers hebt in een baan waar je met zijn tweeën al nauwelijks ruimte hebt. Spookrijders, worden die genoemd. Dat is de grootste ergernis, naast de semi-wedstrijdzwemmers die je onderweg op je zolen tikken als ze vinden dat je te traag gaat.
In totaaal 35 minuten gezwommen, ging goed, al is de oude snelheid en kracht nog niet terug. Onder de douche veel oude vrouwen en twee meiden met geweldige lichamen maar hoofden als afgedankt etalagemateriaal.

Posted by jaeggi at 03:34 pm

hasta la victoria siempre!

Vanochtend is er champagne en taart van de Hema voor alle medewerkers van de Nederlandse vegetariërsbond die zo knoerthard hebben gewerkt om dit fantastische resultaat te bereiken.
En daarna weer fluks aan het werk met de volgende campagne, want er zijn nog altijd miljoenen dieren in het wild die elke dag weer vlees eten. Zo slokt een blauwe vinvis elke dag miljarden en miljarden onschuldige microscopische diertjes op. Zoveel doden. Nee, het werk van een oprechte vegetariër is nooit gedaan.

(NB er wordt ontkend dat dit een 1-aprilgrap is)

Posted by jaeggi at 11:17 am

30 maart 2008

fout spreekwoord


geen nieuws is
geen nieuws

Posted by jaeggi at 05:05 pm

29 maart 2008

mijn schuld aan de samenleving

wat ik de afgelopen week
bij mij heb gestoken zonder gedachte
aan omzetschade o.i.d.:

twee aanstekers
twee doosjes lucifers met bedrijfsopdruk
vier cappuccino-roerhoutjes (waarvan maar 1 gebruikt voor het gestelde doel)
zeven langwerpige suikerzakjes
een vuistvol servetten met idem
twee theezakjes uit theeserveerdoos (1x Mr. Jones 'Monkey's wedding', 1x 'Mr. Jones Little Green Bag)
vijf bierglazen (Wieckse Witte, Leffe, Duvel & Chouffe 2x)
een cocktailstamper Havana Club
een ober
een kristallen kroonluchter

ach joh dat
verrekenen ze gewoon
allemaal
met de prijs van
je biertje

Posted by jaeggi at 09:08 pm

27 maart 2008

operator!

Er zijn mensen die wij niet meer bellen, omdat het jongste kind er de telefoon aanneemt. Je belt, er wordt opgenomen, je hoort de lijn aan de andere kant opengaan, en vervolgens is enkel een zware ademhaling te horen, met soms wat nat gereutel ter hoogte van de onbekende huig aan de andere kant van de lijn.
Meteen neerleggen zou een optie zijn, ware het niet dat wij toch altijd graag willen weten of wij het juiste nummer gedraaid hebben. Dus gaan wij ons gedragen als acteurs in een B-film: eerst roepen we vruchteloos een minuut lang: Hallo? Hallo? Hallo? om vervolgens verdwaasd naar de hoorn te staren, alvorens neer te leggen.
Vlak voor de hoorn het toestel raakt horen wij de boze stem van een van de ouders en het gekrijs van een kind aan wie zijn liefste speelgoed ontworsteld wordt. Maar het is al te laat, wij kunnen onze beweging niet meer stoppen, de hoorn valt op zijn plaats, de verbinding is verbroken, zuchtend strepen wij een volgende naam in ons adresboekje door.

Posted by jaeggi at 10:29 am

23 maart 2008

nijland zingt

Hier werd ik op de avond zelf (Gedichtenbal 2008, mijn afscheid als stadsdichter, afgelopen januari) al heel gelukkig van. Dit was misschien nog beter (inclusief Marcel Verreck's aardige schuifdeurenact met palmboom).


Posted by jaeggi at 06:41 pm

boekenweekgeschenk herschreven

‘De eerste drie jaar van zijn leven sprak Thomas Boender geen woord. Zijn vader Jelle en zijn moeder Tjitske zeiden alleen het hoognodige tegen elkaar. Monosyllaben die tussen hun strakke lippen op de glimmend gepolitoerde eetkamertafel ploften, daar even bleven liggen vervolgens in de opnieuw opgetreden stilte op te gaan.
Thomas zat in zijn kinderstoel tegenover hen. Was hij gespitst op die paar schaars gewisselde woorden of richtte hij zich...'
zzzzzzzz, dankuwel J. Bernlef. Weer een miljoen lezers in slaap gesust.

Hierbij, als besluit van de Boekenweek, en als begin van een mooie traditie, het Herschreven Boekenweekgeschenk. Zo kan het dus ook.

‘De eerste drie jaar van zijn leven sprak Thomas Boender geen woord. Zijn vader Jelle en zijn moeder Tjitske spraken ook niet veel, maar uit Thomas kwam geen enkel geluid voort, vanaf het moment dat hij zwijgend en met een peinzend gezicht uit de schoot van zijn moeder naar het licht werd getrokken.
In de eerste jaren van zijn leven lag hij sereen en geluidloos in de wieg, of zat tegenover Boppe en Stafke, pardon, Jelle en Tjitske in zijn kinderstoel met dezelfde peinzende uitdrukking, alsof hij zich afvroeg waarom zijn moeder zo fanatiek de immers al glimmend gepolitoerde eetkamertafel nog eens opwreef, en waarom zijn vader een paar minuten later, zodra Froukje de kamer verlaten had, zijn kleverige monosyllaben op het tafelblad liet ploffen [NB: door de CPNB verplicht literair intermezzo: ‘Onder de hoge hemelkoepel waren de mensen nietig als mieren’ (J. Bernlef)]

Toen Thomas achttien jaar was, besloten zijn ouders, Sil’s Lopke van Zweden en boer Gratema van de Hazelhoeve dus, een feestmaaltijd te geven voor de gehele familie, ter ere van het feit dat hun zoon meerderjarig werd.
De familie was genoegzaam op de hoogte van het stille verdriet van Thomas’ ouders, en tijdens het eten werd er met geen woord over gerept. Iedereen deed alsof Thomas een doodgewone jongen was en betrok hem zoveel mogelijk in de conversatie, hoewel hij uiteraard boe noch ba had bij te dragen aan de gesprekken. Dat wil zeggen: tot het voorgerecht op tafel kwam. Grootvader Rients met zijn grijze staar had zijn vork nog niet in zijn bord gestoken, of van de kant van de tafel waar de afgelopen achttien jaar doodse stilte had geheerst klonk een stem: ‘Moeder, de soep is te zout.’
Lepels kletterden in de borden. Opspattende soep bevlekte de tafellakens van pronkdamast die slechts één keer per jaar de fraai gepolitoerde tafel dekten. Monden vielen open, handen vielen krachteloos langs hun, nou ja, u begrijpt. Thomas’ vader zat versteend in zijn pronkstoel
‘Jongen,’ stamelde Tjitske. ‘Thomas, lieve jongen. Je... je spréékt! Maar wij dachten... Waarom heb je tot dusver altijd gezwegen?’
Er klonk het schrale geluid van een stoel die over de glimmend gepolitoerde plavuizen naar achter werd geschoven. De achttienjarige Thomas rees op van tafel, bond zijn servet af en sprak, met opvallende zelfbeheersing: ‘Tot dusver was alles in orde.’

EINDE

Posted by jaeggi at 01:39 pm

22 maart 2008

klein paaslied

Je ontwaakte als een stenen man
die terug naar school moet, in zijn droom
De straat drong door het open raam
Een menigte kwam samen, vierend
wat wij ontberen. Men roerde in een kiebelton
vol eieren, kruis, doornenkroon,
en brood met spijs. Daarbij gemeend gejuich.

De televisies gingen aan en wij
verspreidden ons, op jacht naar de koralen.

Posted by jaeggi at 10:27 am

20 maart 2008

mijn denkbeeldige zoon

(even geen nieuws uit het ziekenhuis, daarom speciaal voor de Paas dit lange stuk over mijn belevenissen op de amateurvelden van voetballend Amsterdam; oorspronkelijk geschreven voor de Linda, maar voor veel geld teruggekocht door de redactie van dit weblog. Fijne Paas allemaal.)


Ik heb twee dochters die geen idee hebben wat een scheenbeschermer is. Ik hou niet van teamsport en ik haat vroeg opstaan - maar vandaag wil ik een zoon, die op zaterdagochtend om 9.00 in de F4-tjes van AFC TABA moet spelen tegen TOS-Actief F2. Thuis.
De velden van AFC-TABA liggen in Sportpark Drieburg, in de Amsterdamse Watergraafsmeer. Hier zijn, net als bij de meeste sportparken rond Amsterdam, een aantal verenigingen bij elkaar geveegd tot een kluwen van trapveldjes, bakstenen kantines en oefendoeltjes. TABA deelt de velden met clubs als DVVA (Door Vriendschap Verenigd Amsterdam) en Warburgia.
Volgens de kenners is het schitterend voetbalweer, iets wat je als vader zonder voetballende zoon niet meteen doorhebt: er schijnt weliswaar een bleek winterzonnetje, maar er jaagt ook een felle noordooster over de velden, dwars door je windjack en coltrui heen. Op het veld zijn inmiddels de F4-tjes losgelaten: achttien fanatieke voetballers van tussen de acht en de twaalf. Zíj dragen enkel een T-shirt, een te wijde sportbroek en een paar bemodderde knieën.
Jos en Mark, de vaders die het elftal begeleiden, steken de koppen bijeen. ‘Doe jij in godsnaam de wissels deze wedstrijd,’ steunt Mark. ‘Ik heb het de vorige partij gedaan, ik word strontziek van dat gezeik van “ik wil er niet uit” en ‘het is mijn beurt niet!”
Jos knikt. Hij zet zijn handen aan zijn mond en toetert: ‘Jongens, warmlopen!’ Ietwat overbodig: zijn team is al fanatiek sprintjes aan het trekken, kriskras over het veld. Sommigen proberen zich warm te lopen met een imitatie van het zijdelingse beentje-voor-beentje-achter-loopje dat je wisselspelers op tv altijd ziet doen. Daarbij vallen ze regelmatig om. Er wordt sowieso veel gevallen bij de F4-tjes: gemiddeld ligt een kwart van de spelers op de grond, tijdens zo’n wedstrijd.
De linksvoor van de tegenstander is een kogelrond, donkerbruin spelertje dat behendig zijn dikke kont in alle duels gooit. Het ene na de andere TABA-spelertje wordt omver gekegeld. Na het opkrabbelen kijken ze beduusd naar Jos.
‘Hij deed ruw!’ klinkt het verontwaardigd.
‘Doorspelen,’ commandeert Jos. Hij grijnst. ‘Ze zijn nog jong hè. Weten nog niet dat ze hun lichaam moeten gebruiken.’
Hij gebaart naar zijn zoon, Bob, een hardrennende speler die weinig aan de bal is maar wel alle hoeken van het veld bestrijkt, dat het tijd is om te wisselen.
‘Vind je dat niet moeilijk?’ vraag ik, terwijl Bob aan de waterfles lurkt. ‘Je eigen zoon eruit halen?’
Jos haalt zijn schouders op. ‘Ze spelen nu met acht tegen acht,’ zegt hij, ‘maar ze zijn met zijn tienen. Moet ik dan twee jongens er de hele wedstrijd naast laten staan?’
Ik begrijp het. En ik begrijp het ook als Jos de beste man van zijn team, die eigenlijk aan de beurt is om gewisseld te worden, nog even laat staan tot de aanval van TOS is afgeslagen. Sportiviteit is mooi natuurlijk, maar je hoeft ook weer niet expres te verliezen.
Ondanks het soepele wisselbeleid van Jos valt toch de eerste tegengoal, nog voor de rust. De spelers van TOS rennen joelend terug naar hun eigen helft. Jos troost zijn beste man. ‘Was niet jouw schuld, joh.’
Ik durf te wedden dat Jos straks het hele team in de kantine op cola tracteert. Zo’n sportvader zou je elk kind wensen. Helaas is de realiteit vaak anders.

De nieuwe campagne van de Stichting Ideële Reclame (SIRE) heeft op het eerste gezicht weinig met de realiteit te maken. Je ziet een paar jonge voetballers over een veldje rennen. Ineens vliegen ze de hoogte in, om op tien meter boven de grond tegen elkaar te botsen en ter aarde te storten. Op een gegeven moment lijkt het filmpje wel een trailer van de nieuwste film van Arnold Schwarzenegger, waarin hij voor de verandering eens een heel pupillenelftal afrost. De jonge spelertjes rollen alle kanten op, hun lichamen trekken diepe voren in het groene gras. Intussen staan hun ouders elkaar aan de kant de huid vol te schelden.
‘Geef kinderen hun spel terug’ is de slogan van een campagne die is opgezet omdat ‘Negen op de tien ouders zich ergeren aan het gedrag van anderen langs de zijlijn van het sportveld.’ Het doel van de campagne is om ouders bewust te maken van hun gedrag en ze te laten zien welke impact het heeft op de kinderen.
Wie de website van SIRE bekijkt, leert al snel dat er niet alleen maar meelevende, sportieve ouders rondlopen op de Nederlandse velden. Een paar voorbeelden: tijdens een wedstrijd tussen de F-pupillen van WKE en Muntendam werd een elftalleider door een supporter van de andere ploeg bij de keel gegrepen, waarop de pleuris tussen de andere ouders ook uitbrak. De wedstrijd werd gestaakt, de voetballertjes keerden huilend terug naar de kleedkamer. Er zijn voorbeelden van wedstrijden in Renesse, Vlaardingen en Gaasternijerveen die gestaakt werden nadat ‘supporters’ het veld en de scheidsrechter bestormd hadden. Na al deze voorbeelden ben je er al snel van overtuigd dat er voornamelijk gevaarlijke gekken langs de lijn staan in Nederland. Ik had eigenlijk al besloten om mijn denkbeeldige zoon op full-contact karate te doen. Daar zou hij minder risico’s lopen dan hier op het veld.

Een beetje mistroostig vraag ik Pieter (44) , jeugdsecretaris van TABA, of hij veel van zulke woeste sportouders kent. Pieter is een van de mensen op wie een club drijft. Hij is jeugdsecretaris, lid van de technische commissie, lid van het hoofdbestuur en heeft zitting in het stichtingsoverleg, maar is ook trainer/coach, van de D3, de D5, de M2 en de D1. Zijn zoons Dees (11) en Douwe (12) spelen allebei bij de club.
‘Natuurlijk heb je zulke ouders. Springt er een bal van de voet bij zo’n jochie, roepen ze: ja, daar staat helemaal niemand he? En schelden op de scheidsrechter. Je hebt hier geen beroepsscheidsrechters, dus het zijn mensen van de club die wedstrijden fluiten. En als er dan een thuisfluiter tussenzit, tja….’
Vindt hij het echt een probleem? Vind hij het, laten we zeggen, een reclamecampagne waard?
Pieter denkt even na. ‘Ik was zelf in het begin ook zo’n vader,’ lacht hij. ‘Naar voren, naar voren! Speel die bal dan toch af!’ De hele tijd. Maar bij de meeste clubs wordt je toch meestal snel gecorrigeerd door de andere ouders. Doe effe normaal.’
Maar volgens een andere voetbalvader, Jan Eilander, vaders van SDZ-speler David, is die onderlinge correctie niet overal aanwezig. Eilander, zanger, tv- en filmmaker en schrijver van onder andere twee boeken waarin voetbal een grote rol speelt (zie kader) was ook jarenlang coach van het team van zijn zoon.
‘Vooral bij een partijdige scheidsrechter of grensrechter,’ beaamt hij, ‘dan zie je die ouders zich opladen. De grensrechter heeft het natuurlijk nooit goed gezien. Die weet niet wat buitenspel is. De ouders wel, want iedereen heeft verstand van voetbal. Dan komen de opmerkingen. Steeds als hij langs komt rennen. Zuigen. En langzaam oprukken naar de lijn, zodat hij er op het laatst niet meer langs kan. Zo’n grensrechter moet dan de scheids erbij roepen. Kunnen die mensen weg. Nou, dan is hij helemaal de gebeten hond. Ik heb ook weleens meegemaakt dat zo’n vader uithaalde. Vreselijk. Dat ze hem in bedwang moesten houden, en zijn zoontje jankend in het veld stond te roepen: `papa, niet slaan, papa, niet slaan!’
‘Of het vaak voorkomt weet ik eigenlijk niet. Maar wel meer dan vroeger, heb ik het gevoel. Daarom is voor mij ook een beetje de lol eraf gegaan, hoewel ik het jarenlang met heel veel plezier gedaan heb. Zelfs als je om 8 uur ’s ochtends de doeltjes moet neerzetten.’
Er is een soort theorie dat bloedfanatieke sportouders zelf gefrustreerde sporters zijn. Hoe zit dat met Eilander? Heeft hij zelf gevoetbald? In zijn bundel korte verhalen What’s on a man’s mind bekent hij: ‘Dat mijn vader hoopte dat ik goedmaakte wat hij had gemist, begrijp ik wel. Ik droom ook weleens van een plaatsje op de eretribune in het San Siro-stadion en dat ik dan tegen mijn buurman zeg dat dat jonge gastje met die fluwelen trap mijn zoon is.’ Maar als ik vraag of hij nog verwacht dat David ooit bij Ajax zal spelen schudt hij zijn hoofd. En lacht.
Er zijn meer vaders met dezelfde dromen. ‘Wanneer ik op zaterdagochtenden al die kereltjes op de velden achter een bal aan zag rennen, ‘ schrijft Parool-journalist en TABA3-linksback Maarten Moll in zijn boek De broer van Bergkamp, ‘stelde ik me natuurlijk al voor hoe ik over een jaar of zes mijn zoon zou aanmoedigen, en na zijn eerste doelpunt apetrots en luidkeels zou roepen: “Mijn jongen! Dat was mijn jongen!”.’
Maarten Moll heeft twee dochters. Net als ik. Ik ben dus niet de enige die visioenen heeft van een zoontje dat met wapperende broekspijpen over de velden rent. Maar wat voor sportouder zou ik zelf zijn? Als je gelooft in die theorie dat ouders die staan te schreeuwen langs de lijn zelf gefrustreerde sporters zijn, ziet het er niet best uit voor mijn denkbeeldige jongen.

Het oefenveld van VV Kogelvangers Willemstad lag op het terrein van een oude schietbaan: vandaar de naam van de club. Willemstad, eeuwenoud vestingstadje in Noord-Brabant, ligt aan één kant tegen het Hollands Diep aan, een belangrijke strategische waterweg in voorbije oorlogen. Vandaar dat er tot in de Tweede Wereldoorlog soldaten gelegerd waren, die de lopen van hun geschut op het Hollands Diep gericht hielden.
Op de avond van mijn eerste training zijn de lopen van mijn medespelers voornamelijk op mij gericht. Is het omdat ik voor de eerste keer meedoe? Is het omdat ik nog geen echte voetbalschoenen heb en met afgeknipte laarzen over het veld sjok? Is het omdat ik geen kaas heb gegeten van pingelen?
Misschien een combinatie, maar dan nog blijft het moeilijk te begrijpen waarom ik de hele tijd onderuit word gelopen. Beduusd krabbel ik op, verontwaardigd kijk ik naar de trainer, maar hij gebaart dat ik moet doorspelen. Woedend begin ik te rennen. Ik storm op een kluitje jongens af dat verwoed tegen de bemodderde bal staat te trappen. Met een woeste kreet stort ik me in het gewoel. Ik schop en worstel - en ineens ben ik vrij van trappende benen en klauwende armen, ik bevind me in de vrije ruimte, met de bal aan mijn voeten. Ik heb de bal veroverd! Van de andere kant van het veld zwaait de trainer verwoed met zijn armen, dóór moet ik, in de richting van de goal. Dat is het fijne van voetbal, dat het zo simpel is. In de eerste helft schop je de bal de ene kant uit, en na de pauze de andere kant. Meer is het eigenlijk niet.
Ik geef de bal een hengst en begin als een gek te rennen. Het gehijg van de andere spelers valt achter me weg. Ik ren als de wind op mijn afgeknipte laarzen. De bal komt weer binnen mijn bereik, ik knal hem nog een keer weg, met een fraaie boog belandt hij in het strafschopgebied, ik zie de wanhoop in de ogen van de kleine keeper in het veel te grote doel, jammer voor hem, voetbal is oorlog, ik zwaai mijn been naar achter voor een verwoestend schot, en dan...
Dan rijdt de intercity van 21.42 naar Breda, Roosendaal en Antwerpen over me heen.
Als ik weer bij mijn positieven kom zie ik alleen maar enkels. Dikke, bemodderde enkels met afgezakte kousen, vlak bij mijn gezicht.
‘Goeie tackle, Frank,’ zegt de trainer. Hij geeft een van de spelers, een slungel met paarse putten in zijn wangen, een klap op zijn schouder. Die avond zal Frank me nog drie keer tackelen.
Als ik de huiskamer binnenhink zeg ik maar meteen dat ik niet meer naar voetbal wil. Mijn vader laat verwonderd de krant zakken. ‘Echt niet? Nou ja. Dan ga je toch lekker op judo,’ zegt hij. ‘Of volleybal.’ Zoveel jaren later, ben ik nog steeds dankbaar voor een vader die geen last had van een gefnuikte voetbalcarriére. Zulke vaders zijn er niet zo veel.

‘Klootzak! Gianni, speel die bal dan af!’
De vader van Gianni, een kleine, geblokte man met gemillimeterde stoppels in een kort, bruin leren jack dat strak om zijn biceps spant, staat naast het doel. Hij trekt verwoed aan een verfrommeld shagje. Af en toe geeft hij een trap tegen de doelpaal, waarbij de kleine keeper in het doel schichtig omkijkt.
‘Scheids! Ben je blind? Nooit van buitenspel gehoord?’
De vader van Gianni gebaart wild met zijn armen, hoewel het mij een raadsel is hoe hij van zijn positie kan zien dat er aan de overkant van het veld iemand buitenspel loopt.
Er wordt balverlies geleden door Gianni’s team. De vader schiet zijn peuk weg en doet een paar stappen het veld in.
‘Hee!’ brult hij. ‘Hee!’ Dan moet de doelpaal het weer ontgelden. De kleine keeper trekt zich terug bij de andere paal. De andere ouders reageren verschillend. Sommigen zijn duidelijk geërgerd maar zwijgen. Anderen gaan zo in het spel van hun eigen kind op dat ze het niet merken. Ik weet ook niet goed wat ik moet doen. Het is net als bij een ruzie op straat, als je ertussen springt richt hun agressie zich misschien wel op jou.
Ik kijk naar mijn denkbeeldige zoon naast me. Hij staart met grote ogen naar de vader van Gianni. Ik leg een arm om zijn schouder. Tussen zijn schouderbladen is het nog een beetje vochtig van het zweet.
‘Goed gespeeld,’ zeg ik.
‘We hebben anders wel verloren,’ zegt hij. Zijn hoofd hangt.
‘Broodje kroket?’ vraag ik.
Hij leeft op. Hij knikt. We wandelen naar de kantine. Ik kijk naar zijn smalle rug, zijn korte beentjes. Volgende week de F4 van Geuzenmiddenmeer. Taaie tegenstander. Hij liet zich vandaag wel erg makkelijk wegzetten door die back van TOS. En die scheids van hen was openlijk partijdig.

Op het veld vlagt de grensrechter voor buitenspel. De vader van Gianni rent drie meter het veld in.
‘Lul met oren!’ roept hij. Dan sjokt hij terug, met hangende schouders. De kleine keeper in het doel moet bijna lachen.


Posted by jaeggi at 05:07 pm

17 maart 2008

hospital blues (3)

Mijn webmaster meldt mij dat het bezoek aan mijn weblog bijna verdubbeld is sinds ik de eerste Hospital Blues publiceerde. Sinds het bekend is dat ik ziek ben, dus.
Tja. Wat moeten wij hier nu weer van van denken, waarde ramptoeristen?


Posted by jaeggi at 08:52 pm

hospital bop

We zaten te wachten op het gesprek met de behandelend arts, S. had alle leesmap-Privé's van de wachtkamerstoelen geraapt, ik zat met Metro, DePers en Dag op schoot, we konden er even tegen, gelukkig maar want de wachttijd was opgelopen tot bijna veertig minuten.
Ik kwam niet aan lezen toe: op een paar meter afstand reed een nerveuze rolstoelrijder het gangpad op en neer. Hij droeg een blauw windjack dat strak om zijn gevulde tors zat. Hij had het haar van een ziek mens. Het volgde een vreemd patroon, alsof het kunstmatig was aangeplant.
Ik voelde aan mijn eigen haar.
S. legde een hand op mijn been. Ze zei: 'Wil je weten hoe de vrouw van Pierce Brosnan eruitziet?' Ze legde de Privé op mijn schoot. De kop boven de foto's was een woordspeling op vetzucht. In de bijschriften werden grappen gemaakt als: 'Gelukkig heeft Pierce met haar nog meer om van te houden.'
De vrouw van Pierce Brosnan is namelijk dik. Niet blubberig, niet vet, maar een kilo of tien zwaarder dan wat dieet-goeroes je 'ideale gewicht' noemen. Pierce, die in het echt iets grijzer maar verder net zo slank en gespierd is als in zijn 007-jaren, leek zich er niet aan te storen (waarom zou hij ook), maar voor de gretige lenzen van de wereldcamera's was het natuurlijk gesneden koek.
De foto's, ongetwijfeld gemaakt door een zweterige paparazzo die zich drie dagen in de bougainville had verscholen, waren van de viezige, onscherpe soort waardoor elk mens iets misdadigs krijgt. Ik las de amechtige humor van de Privé-redactie in de bijschriften ('Mevrouw Brosnan leest een kookboek op het strand; kon ze niet beter Sonja Bakker lezen?'). Ik sloeg de Privé dicht en volgde de blauwe rolstoelrijder op zijn eindeloze tocht door de wachtafdeling van de poli. Mensen trokken hun benen in als hij langskwam, behalve een man op het eind van de rij, die koppig elke keer zijn uitgestoken benen liet liggen tot de man in de rolstoel er bijna tegenaan reed.
De wereld is bevolkt door gieren en tuig en de rest zijn stumpers, dacht ik. Het was geen gedachte waar ik treurig van werd, of vrolijk, het was een solitaire gedachte in het afgeschermde, vanillekleurige heelal om mij heen.
Ik gooide de Privé terug op de stapel. Even later riep de zuster: 'Meneer Jaeggi?'

Posted by jaeggi at 02:15 pm

jeroen


Hij zat achter in het restaurant aan een messcherp gedekt tafeltje en hield zijn ogen gericht op de deur. Toen hij me zag stak hij zijn hand op en zwaaide jolig, en ik zwaaide terug met één arm nog in mijn jas en dacht, in een eerste opwelling: ‘Jezus Christus, zie ik er ook zo afgetrapt uit?’
Anderhalf jaar geleden hadden we elkaar voor het laatst gezien, maar hij zag eruit alsof het leven sindsdien een paar keer met een fourwheeldrive over hem heengereden was. Ik trok mijn jas uit en keek rond naar een kapstok. Obers slalomden om mij heen alsof ik een vaantje op de piste was. Ik legde de jas over mijn arm en liep naar achter. Toen ik bij het tafeltje stond en hij half uit zijn stoel kwam realiseerde ik me dat ik zijn naam niet meer wist.
‘Kerel, hoe is het? Je ziet er goed uit,’ zei ik, terwijl ik zijn slappe, koude hand schudde. Van dichtbij was het niet beter: zijn ogen waren dof, zijn hele gezicht was grijs als het kielzog van een pekelwagen en om zijn mond zaten diepe groeven.
‘Goed, fantastisch,’ zei hij. ‘Met jou?’
‘Ook goed, ook goed.’ Ik ging tegenover hem zitten. We grijnsden elkaar aan.
‘Dat is toch minstens twee jaar geleden.’
‘Als het er geen drie zijn.’ Een paar jaar hadden we in hetzelfde gebouw gewerkt en elkaar dagelijks gezien. We waren zo dicht bij een vriendschap gekomen als je maar kunt zonder vrienden te worden. We hadden samen met open mond het tweede vliegtuig live in het WTC zien vliegen. We hadden samen de beurs door zijn knieën zien gaan, hij met zijn aandeeltjes in het Verre Oosten (‘altijd booming, booming, booming!’) en ik met mijn papiertjes Koninklijke Olie, die in een paar weken tijd evenveel waard waren als één keer een volle tank benzine. We zaten op zijn kamer te lunchen toen we hoorden dat Herman Brood gesprongen was. Uit al die dingen hadden we de conclusie getrokken dat er iets tussen ons was, iets waardevols dat in stand gehouden moest worden. Daarom hadden we anderhalf jaar lang steeds opnieuw afspraken gemaakt, en ze steeds opnieuw verschoven naar een latere datum. En vandaag was het eindelijk gelukt. En nu zaten we tegenover elkaar aan tafel en we konden niet meer weg, nog zeker een uur niet, en ik kon me met de beste wil ter wereld zijn naam niet herinneren.
‘Zullen we eerst maar even bestellen?’
‘Goed idee?’
We bestudeerden zo lang mogelijk de kaart. Tot overmaat van ramp stond er niets op dat het eten waard was.
‘Ik denk dat ik de carpaccio neem,’ zei ik.
‘Dan neem ik de alfalfasalade,’ zei hij.
‘En daarna… De entrecote,’ zei ik.
‘Dan neem ik de Thaise maaltijdsalade,’ zei hij.
‘Flesje wijn erbij?’
‘Nee, water voor mij.’
Toen was ook dat onderwerp uitgeput. Ik zwaaide naar de ober, die honend terugzwaaide. Ik voelde hoe de boord van mijn overhemd, dat ‘s ochtends al aan de strakke kant had geleken, zich dieper in mijn nek groef. Met de moed der wanhoop zei ik: ‘Maar vertel op, muchacho, hoe staat het er allemaal mee. Het leven.’
Hij hield zijn hoofd een beetje scheef. ‘Je weet mijn naam niet meer, hè?’ Hij gaf me niet de gelegenheid om te ontkennen.
‘Grappig is dat, ik zat net te denken hoe weinig we eigenlijk gemeen hadden, maar toen herinnerde ik me ineens dat je ooit vertelde hoe je altijd slecht was geweest in namen, en als je de naam van een of andere kerel niet meer wist jij altijd je toevlucht nam tot “kerel”. Of “muchacho”. Of “professor”, dat zei je ook vaak.’
Ik pakte mijn mes op en bestudeerde het van dichtbij.
‘En bij vrouwen zei je altijd “dame”. Of “muchacha”.
Ik stond op en stak mijn hand uit. We schudden elkaar de hand, beter dan eerst – meer gemeend. Hij voelde hetzelfde als ik: de opluchting dat iets dat heel lang heeft liggen zieltogen eindelijk de laatste adem uitblaast.
Later die dag schoot zijn naam me weer te binnen, maar tegen die tijd was hij zelf al verdwenen tussen alle andere vreemden in mijn herinnering.


Posted by jaeggi at 02:06 pm

13 maart 2008

proud to be stout

Inmiddels al meer dan 70.000 hits op Youtube: Dorine Wiersma's afrekening met Heleen. Heerlijk liedje, mijn kinderen neuriën het de hele dag: 'ligt ze straks in d'r graf, rukt ze Petrus nog af, mag ze toch door de poort, en zo glibbert ze voort, en zijn wij dus nog lang, niet bevrijd van die tang, van dat ranzige wijf, met 'r zieke geschrijf.'
Op YouTube staat overigens niet het hele nummer: op Dorine's site wel.

Het werd tijd dat Dorine eens doorbrak. Alleen de allerbesten kunnen met zo'n lief pokerface, zonder te schmieren, zulke teksten brengen als de bovenstaande, of als deze, een van mijn favoriete (niet op YouTube, wel op haar nieuwe CD):

We leerden elkaar kennen werden net een beetje close
Ik baadde en verloor mij in ons zoet geminnekoos
we zouden met vakantie maar dat plan was reddeloos
zijn ex die had een vleesboom in haar doos

(Dorine Wiersma, Rustig blijven, heus wel te koop in de betere platenwinkel).

Posted by jaeggi at 12:28 pm

goede raad


SMILE first thing in the morning.
Get it over with.

W.C. Fields

Posted by jaeggi at 09:08 am

12 maart 2008

mijn lever in Lech

Je hebt er een goed gefundeerd gevoel voor absurditeit voor nodig, maar dan kun je het zelfs wel waarderen dat je het ene moment (gisteravond) in de rotonde van de Stadsschouwburg het Boekenbal aan je voorbij ziet trekken (zelf bewegen was niet een optie), en je de volgende ochtend rond half negen 's ochtends, na het drinken van een liter naar chemische sinaasappel stinkende contrastvloeistof, met je broek tot halverwege je dijen en een infuus in je arm, een reusachtige plastic donut wordt binnengereden, met het dringende verzoek een kwartier lang niet te bewegen - waarna de twee verpleegkundigen het hok met de donut verlaten om niet blootgesteld te worden aan de straling waar jij straks in gaat baden, en jij je op dat moment realiseert dat je een gekmakende jeuk in je lies hebt waar het komende kwartier niets aan te doen is. Ik kon me, liggend in de donut, luisterend naar de Oost-Duitse dictie van de vrouwenstem die mij toebeet: 'Diep inademen, vasthouden... U mag weer uitademen' in elk geval met geen mogelijkheid een absurder moment uit mijn leven tot nu toe voor de geest halen.
Het was de derde keer in twee weken dat mijn middenrif door radiostralen werd afgetast. Een goede vriendin zei net, aan de telefoon: 'Jouw lever is inmiddels vaker gefotografeerd dan de Koninklijke familie.' En ik zag het meteen voor me: mijn lever in Lech, mijn lever arm in arm met Maxima op de lange latten, mijn lever met de kleine Amalia op schoot...
Of ik er uiteindelijk beter door word is dus zeer de vraag, maar wat er de komende maanden ook moge gebeuren, mijn gevoel voor rechtmatige absurditeit zal er niet op achteruit gaan.


PS O ja, voor ik het vergeet: vanaf 3 april hoeft u niet meer helemaal naar dit weblog te surfen om mij te lezen: vanaf die week ben ik ook te lezen als columnist van Het Parool, fijne krant, elke donderdag if the floods don't rise and God's on our side (voor God, lees desgewenst: Allah, Khrisna, Zoroaster, Schiksalslenker, Spicy Chicken).

Posted by jaeggi at 10:54 am

10 maart 2008

benen

Je zou het bijna vergeten in een tijd waarin borsten en billen je aangapen vanaf elke abri, maar er bestaat dus ook nog zoiets als benen. Helaas benemen de tieten (sorry, er is echt geen ander woord voor) van Anna-Nicole Smith en de kont (idem) van J-Lo meestal het zicht op wat in de vorige eeuw het meest begeerde deel van de vrouw was: het onderstel.
Mijn grootvader van vaderskant, een man met een verder onberispelijke reputatie in het Wassenaar van de jaren 1945-1970, werd ooit door een conducteur van de Haagse tram gestuurd omdat hij te opzichtig naar de benen van een mede-passagiere stond te staren. Had hij in deze tijd geleefd dan was hij er waarschijnlijk al bij de eerste de beste tramhalte met H&Mreclame in gebleven, maar achteraf moet ik mijn opa gelijk geven, want aan benen is zoveel meer te bewonderen. Billen of borsten zijn eigenlijk niet veel meer dan banale ronde vormen, maar benen zijn samengesteld uit meerdere onderdelen, die – als het goed is – een schitterende eenheid vormen.
Op enkel de enkels van een vrouw zou je al een lofzang kunnen zingen (ik zeg: een aubade voor de enkels van Audrey Hepburn). Uit die enkels groeit de wonderlijke tweeëenheid van schenen en kuiten: recht en rond, hard en zacht, yin en yang.
De mooiste schenen die ik ooit zag behoorden toe aan de spelverdeelster van een Bredaas meisjeshockeyteam. Kaarsrechte, spitse schenen met een sierlijke ronding erin, als de beenkappen van een strijder uit de Trojaanse oorlog. Op een van de schenen zat, toen ze in de kantine haar lange kousen naar beneden stroopte , een beetje bloed, dat ze achteloos met haar duim en een beetje spuug wegpoetste. Volgens mij heette ze Lonneke.
De mooiste kuiten, daar kan geen twijfel over bestaan, zijn de kuiten van Steffi Graf. Die van Anna Kournikova mogen er zijn, maar Jeroen van Merwijk heeft in zijn liedje duidelijk gemaakt dat er maar één koningin is: Niets is zo prachtig gevoelig en gaaf/ Als de spitzenklas-kuiten van Steffi Graf/ Thirty-laaf, Forty-laaf/ Game, set and match to Miss Graf.
Voor wat de onderbenen betreft hebben sportvrouwen dus de beste kaarten - maar komen we bij de knieën dan zijn ze nergens meer. De knieën van hockeysters, tennissters en korfbalsters zien er niet uit, misschien doordat ze zo intensief gebruikt worden. Een paar jaar op topniveau kappen, draaien, passeren en dribbelen kan je knieën goed de vernieling in draaien. Er is een spreekwoord: Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht. Dit geldt een eindje lager ook voor benen: wie haar knieën schendt doet niet meer mee. Een voorbeeldje uit de praktijk: filmster Demi Moore, die al meer dan 300.000 euro aan plastische chirurgen besteedde (en daarmee haar carrière in Hollywood voor korte tijd wist te verlengen) wilde vervolgens enkele duizenden euro’s besteden aan het liften van haar verzakte knieën. Haar plastisch chirurg Brian Novack raadde het haar af, want knieën zijn een van de moeilijkste lichaamsdelen om bij te werken, omdat je de littekens nergens kan verbergen. Iedereen zal het bewijs van je knie-lift kunnen zien.
De mooiste knieën zien eruit alsof ze zelden gebruikt worden, behalve om bevallig neer te zijgen op een tatami-matje, met zo’n prachtige zijwaartse knik, terwijl je een blaadje met twee kopjes jonge groene thee in perfect evenwicht houdt. Mooie knieën moeten iets geisha-achtigs hebben. Uiteraard denk je dan meteen aan de knieën van Lucy Liu, in haar rol als bitchy Ling Woo in Ally McBeal. Omdat haar knieschijven prachtige, paarlemoeren schoteltjes zijn, en omdat haar knieholtes extreem gevoelig waren, zoals we in de erotische scénes tussen haar en Richard Fish konden zien.
Dan, tot slot, de dijen. Het moeilijkste onderdeel, omdat er zo’n enorme verscheidenheid in is. Ik draai er maar niet te lang omheen: ik heb Meet Joe Black, wat een ontzettend langdradige en vermoeiende film is, dertien keer gezien vanwege de dijen van Claire Forlani.
De enkels van Audrey Hepburn, de kuiten van Steffi Graf, de schenen van Lonneke X., de knieën van Ling Woo en de dijen van Claire Forlani: ziedaar de mooiste benen ter wereld. Mee eens, opa?

(dit stuk verschijnt ook deze week in de nieuwe La Vie en Rose))

Posted by jaeggi at 11:45 am

09 maart 2008

hospital blues (2)


'Het kwam zeker heel onverwacht?'

'Nou zeg.'

'Dat het nou juist jij moet zijn.'

'We waren echt volkomen verrast.'

'Tjonge jonge.'

'Je zult ook wel een beetje denken van, ja, Jezus.'

'Je ziet er een stuk beter uit dan we dachten.'

'Hebben ze nog iets gezegd?'

'Je heb ons wel enorm laten schrikken.'

Posted by jaeggi at 06:02 pm

06 maart 2008

hospital blues (1)

Woke up this morning
with an awful aching head
I said I woke up this morning:
rocks in my head
Looked down beside me
there was thirteen doctors and an ugly nurse beside my bed


Posted by jaeggi at 08:13 pm

the rules

Overspel kent eigenlijk maar één basisregel: hou het simpel. Vreemdgaan met meer dan drie mensen tegelijk leidt onherroepelijk tot problemen. Het lijkt misschien een uitdaging, maar je kunt het je niet veroorloven ook maar één minuut te verslappen - sorry voor de woordspeling – en op de lange duur gaat het geheid mis.
Wil je er toch aan beginnen dan heb je voor elke vrouw een aparte agenda en een aparte mobiel nodig. Als je denkt dat dat overbodig is ben je niet klaar voor de eredivisie van het overspel. Huur eerst de film Bonfire of the Vanities (of koop het boek) en leer van het vreselijke lot van Sherman McCoy, die op een regenachtige avond, onder het mom van de hond uitlaten, zijn minnares gaat bellen maar per ongeluk het nummer van zijn vrouw draait. Het is het begin van zijn ondergang.
Kortom: voor elke vrouw schaf je een eigen telefoon en organiser aan. Daar begint het pas mee, want al die agenda’s moeten bijgehouden worden, en dat klinkt makkelijker dan het is. Niet meteen overmoedig worden: probeer eerst maar eens 2 minnaressen en 1 echtgenote in je rooster te persen. Je zult al snel hetzelfde overwerkte gevoel krijgen als de Chinese circusartiest die twintig bordjes tegelijk laat draaien, en dan heeft de Chinees het nog makkelijk want zijn bordjes mogen het best van elkaar weten.
Intussen moet je je geestelijk voorbereiden op het volgende stadium: de olievlek. Hoe langer een relatie duurt, hoe meer tijd het kost. In het begin zijn minaressen tevreden met elke kruimel tijd die van je bord valt, maar gaandeweg het overspel worden ze veeleisender. De tijd die je aan elke vrouw moet besteden breidt zich al snel uit als een olievlek in een maagdelijke fjord. Clandestiene ontmoetingen in appartementen of hotelkamers zijn niet meer genoeg: ze willen ook met je naar buiten. Daarmee begeef je je potentieel in gevaarlijk territorium. Het is op zich niet erg om met je minnares naar buiten te gaan, maar je loopt wel de kans een van je andere vrouwen tegen te komen. Als je het bij twee vrouwen houdt is die kans het geringst. Met je echtgenote ga je elke vrijdag naar de vertrouwde Mosselen-zoveel-als-je-op-kunt-tent om de hoek, terwijl je met je minnares op zaterdag de nieuwste Tibetaanse nachtclub bezoekt, waar je de hele avond moet loungen op te hoge, puntige barkrukken en je hard moet schreeuwen om elkaar niet te verstaan. De kans dat die twee elkaar tegenkomen bij dezelfde kapper of in dezelfde kledingzaak, is dus hoegenaamd nul. Maar neem je er nóg een minnares bij, dan stijgt de kans op pijnlijke confrontaties met een factor 100. Neem dan je voorzorgen. Kies nooit twee actrices tegelijk, bijvoorbeeld. De hele acteurs- en cabaretwereld hokt elk weekend bijelkaar in één café achter het Leidseplein, en daar wil je niet Halina tegenkomen als je net met Tjitske uit bent. Neem dus als tweede minnares altijd iemand uit een andere beroepsgroep. Dan nog is de kans aanwezig dat je een keer op het terras zit met Karin, gedesillusioneerde journaliste van 39, en dat je ineens Ellen ziet aankomen, 36, violiste en zangeres in een bandje, die je een paar weken daarvoor in de Melkweg hebt ontmoet: wist jij veel dat haar manager dit als zijn favoriete terras beschouwde?
Tenslotte is er de kwestie van het uithoudingsvermogen. Het is misschien een mannenfantasie, elke dag seks, maar de werkelijkheid is schril. Zolang het bij ‘gewoon neuken’ blijft is het te overzien, maar gewoon neuken kunnen je vrouwen thuis ook krijgen: met jou moet het spannender, dierlijker, gymnastischer. Met andere woorden: je krijgt nauwelijks de kans om te helen, want ook Ottoline, consultant bij een communicatiebureau wil het op het tapijt, op zijn hondjes, en hard graag, die ene keer per week dat je haar ertussen weet te persen. Als je nog naschrijnend naar huis rijdt en in je organizer kijkt zie je dat je morgen een lunch-afspraak hebt met Tosca, sales-manager van een grote Europeese olijfoliefirma. En je bent nog schraal van de vorige keer. Op zulke momenten wil je weleens vergeten dat overspel een luxe is. Daarom is de laatste, onverbiddellijke regel: hou ermee op zodra het op werk gaat lijken.

Posted by jaeggi at 02:56 pm

05 maart 2008

kankerpatiënt speelt in vette salsaband...

... en zingt over de lente. Hier en hier.
Binnenkort hier een heel nummer met echt goed geluid van de band.


(Overigens dank voor alle goede wensen, we zijn er weer, vooralsnog.

Posted by jaeggi at 04:20 pm