« hospital blues (3) | Main | klein paaslied »
20 maart 2008
mijn denkbeeldige zoon
(even geen nieuws uit het ziekenhuis, daarom speciaal voor de Paas dit lange stuk over mijn belevenissen op de amateurvelden van voetballend Amsterdam; oorspronkelijk geschreven voor de Linda, maar voor veel geld teruggekocht door de redactie van dit weblog. Fijne Paas allemaal.)
Ik heb twee dochters die geen idee hebben wat een scheenbeschermer is. Ik hou niet van teamsport en ik haat vroeg opstaan - maar vandaag wil ik een zoon, die op zaterdagochtend om 9.00 in de F4-tjes van AFC TABA moet spelen tegen TOS-Actief F2. Thuis.
De velden van AFC-TABA liggen in Sportpark Drieburg, in de Amsterdamse Watergraafsmeer. Hier zijn, net als bij de meeste sportparken rond Amsterdam, een aantal verenigingen bij elkaar geveegd tot een kluwen van trapveldjes, bakstenen kantines en oefendoeltjes. TABA deelt de velden met clubs als DVVA (Door Vriendschap Verenigd Amsterdam) en Warburgia.
Volgens de kenners is het schitterend voetbalweer, iets wat je als vader zonder voetballende zoon niet meteen doorhebt: er schijnt weliswaar een bleek winterzonnetje, maar er jaagt ook een felle noordooster over de velden, dwars door je windjack en coltrui heen. Op het veld zijn inmiddels de F4-tjes losgelaten: achttien fanatieke voetballers van tussen de acht en de twaalf. Zíj dragen enkel een T-shirt, een te wijde sportbroek en een paar bemodderde knieën.
Jos en Mark, de vaders die het elftal begeleiden, steken de koppen bijeen. ‘Doe jij in godsnaam de wissels deze wedstrijd,’ steunt Mark. ‘Ik heb het de vorige partij gedaan, ik word strontziek van dat gezeik van “ik wil er niet uit” en ‘het is mijn beurt niet!”
Jos knikt. Hij zet zijn handen aan zijn mond en toetert: ‘Jongens, warmlopen!’ Ietwat overbodig: zijn team is al fanatiek sprintjes aan het trekken, kriskras over het veld. Sommigen proberen zich warm te lopen met een imitatie van het zijdelingse beentje-voor-beentje-achter-loopje dat je wisselspelers op tv altijd ziet doen. Daarbij vallen ze regelmatig om. Er wordt sowieso veel gevallen bij de F4-tjes: gemiddeld ligt een kwart van de spelers op de grond, tijdens zo’n wedstrijd.
De linksvoor van de tegenstander is een kogelrond, donkerbruin spelertje dat behendig zijn dikke kont in alle duels gooit. Het ene na de andere TABA-spelertje wordt omver gekegeld. Na het opkrabbelen kijken ze beduusd naar Jos.
‘Hij deed ruw!’ klinkt het verontwaardigd.
‘Doorspelen,’ commandeert Jos. Hij grijnst. ‘Ze zijn nog jong hè. Weten nog niet dat ze hun lichaam moeten gebruiken.’
Hij gebaart naar zijn zoon, Bob, een hardrennende speler die weinig aan de bal is maar wel alle hoeken van het veld bestrijkt, dat het tijd is om te wisselen.
‘Vind je dat niet moeilijk?’ vraag ik, terwijl Bob aan de waterfles lurkt. ‘Je eigen zoon eruit halen?’
Jos haalt zijn schouders op. ‘Ze spelen nu met acht tegen acht,’ zegt hij, ‘maar ze zijn met zijn tienen. Moet ik dan twee jongens er de hele wedstrijd naast laten staan?’
Ik begrijp het. En ik begrijp het ook als Jos de beste man van zijn team, die eigenlijk aan de beurt is om gewisseld te worden, nog even laat staan tot de aanval van TOS is afgeslagen. Sportiviteit is mooi natuurlijk, maar je hoeft ook weer niet expres te verliezen.
Ondanks het soepele wisselbeleid van Jos valt toch de eerste tegengoal, nog voor de rust. De spelers van TOS rennen joelend terug naar hun eigen helft. Jos troost zijn beste man. ‘Was niet jouw schuld, joh.’
Ik durf te wedden dat Jos straks het hele team in de kantine op cola tracteert. Zo’n sportvader zou je elk kind wensen. Helaas is de realiteit vaak anders.
De nieuwe campagne van de Stichting Ideële Reclame (SIRE) heeft op het eerste gezicht weinig met de realiteit te maken. Je ziet een paar jonge voetballers over een veldje rennen. Ineens vliegen ze de hoogte in, om op tien meter boven de grond tegen elkaar te botsen en ter aarde te storten. Op een gegeven moment lijkt het filmpje wel een trailer van de nieuwste film van Arnold Schwarzenegger, waarin hij voor de verandering eens een heel pupillenelftal afrost. De jonge spelertjes rollen alle kanten op, hun lichamen trekken diepe voren in het groene gras. Intussen staan hun ouders elkaar aan de kant de huid vol te schelden.
‘Geef kinderen hun spel terug’ is de slogan van een campagne die is opgezet omdat ‘Negen op de tien ouders zich ergeren aan het gedrag van anderen langs de zijlijn van het sportveld.’ Het doel van de campagne is om ouders bewust te maken van hun gedrag en ze te laten zien welke impact het heeft op de kinderen.
Wie de website van SIRE bekijkt, leert al snel dat er niet alleen maar meelevende, sportieve ouders rondlopen op de Nederlandse velden. Een paar voorbeelden: tijdens een wedstrijd tussen de F-pupillen van WKE en Muntendam werd een elftalleider door een supporter van de andere ploeg bij de keel gegrepen, waarop de pleuris tussen de andere ouders ook uitbrak. De wedstrijd werd gestaakt, de voetballertjes keerden huilend terug naar de kleedkamer. Er zijn voorbeelden van wedstrijden in Renesse, Vlaardingen en Gaasternijerveen die gestaakt werden nadat ‘supporters’ het veld en de scheidsrechter bestormd hadden. Na al deze voorbeelden ben je er al snel van overtuigd dat er voornamelijk gevaarlijke gekken langs de lijn staan in Nederland. Ik had eigenlijk al besloten om mijn denkbeeldige zoon op full-contact karate te doen. Daar zou hij minder risico’s lopen dan hier op het veld.
Een beetje mistroostig vraag ik Pieter (44) , jeugdsecretaris van TABA, of hij veel van zulke woeste sportouders kent. Pieter is een van de mensen op wie een club drijft. Hij is jeugdsecretaris, lid van de technische commissie, lid van het hoofdbestuur en heeft zitting in het stichtingsoverleg, maar is ook trainer/coach, van de D3, de D5, de M2 en de D1. Zijn zoons Dees (11) en Douwe (12) spelen allebei bij de club.
‘Natuurlijk heb je zulke ouders. Springt er een bal van de voet bij zo’n jochie, roepen ze: ja, daar staat helemaal niemand he? En schelden op de scheidsrechter. Je hebt hier geen beroepsscheidsrechters, dus het zijn mensen van de club die wedstrijden fluiten. En als er dan een thuisfluiter tussenzit, tja….’
Vindt hij het echt een probleem? Vind hij het, laten we zeggen, een reclamecampagne waard?
Pieter denkt even na. ‘Ik was zelf in het begin ook zo’n vader,’ lacht hij. ‘Naar voren, naar voren! Speel die bal dan toch af!’ De hele tijd. Maar bij de meeste clubs wordt je toch meestal snel gecorrigeerd door de andere ouders. Doe effe normaal.’
Maar volgens een andere voetbalvader, Jan Eilander, vaders van SDZ-speler David, is die onderlinge correctie niet overal aanwezig. Eilander, zanger, tv- en filmmaker en schrijver van onder andere twee boeken waarin voetbal een grote rol speelt (zie kader) was ook jarenlang coach van het team van zijn zoon.
‘Vooral bij een partijdige scheidsrechter of grensrechter,’ beaamt hij, ‘dan zie je die ouders zich opladen. De grensrechter heeft het natuurlijk nooit goed gezien. Die weet niet wat buitenspel is. De ouders wel, want iedereen heeft verstand van voetbal. Dan komen de opmerkingen. Steeds als hij langs komt rennen. Zuigen. En langzaam oprukken naar de lijn, zodat hij er op het laatst niet meer langs kan. Zo’n grensrechter moet dan de scheids erbij roepen. Kunnen die mensen weg. Nou, dan is hij helemaal de gebeten hond. Ik heb ook weleens meegemaakt dat zo’n vader uithaalde. Vreselijk. Dat ze hem in bedwang moesten houden, en zijn zoontje jankend in het veld stond te roepen: `papa, niet slaan, papa, niet slaan!’
‘Of het vaak voorkomt weet ik eigenlijk niet. Maar wel meer dan vroeger, heb ik het gevoel. Daarom is voor mij ook een beetje de lol eraf gegaan, hoewel ik het jarenlang met heel veel plezier gedaan heb. Zelfs als je om 8 uur ’s ochtends de doeltjes moet neerzetten.’
Er is een soort theorie dat bloedfanatieke sportouders zelf gefrustreerde sporters zijn. Hoe zit dat met Eilander? Heeft hij zelf gevoetbald? In zijn bundel korte verhalen What’s on a man’s mind bekent hij: ‘Dat mijn vader hoopte dat ik goedmaakte wat hij had gemist, begrijp ik wel. Ik droom ook weleens van een plaatsje op de eretribune in het San Siro-stadion en dat ik dan tegen mijn buurman zeg dat dat jonge gastje met die fluwelen trap mijn zoon is.’ Maar als ik vraag of hij nog verwacht dat David ooit bij Ajax zal spelen schudt hij zijn hoofd. En lacht.
Er zijn meer vaders met dezelfde dromen. ‘Wanneer ik op zaterdagochtenden al die kereltjes op de velden achter een bal aan zag rennen, ‘ schrijft Parool-journalist en TABA3-linksback Maarten Moll in zijn boek De broer van Bergkamp, ‘stelde ik me natuurlijk al voor hoe ik over een jaar of zes mijn zoon zou aanmoedigen, en na zijn eerste doelpunt apetrots en luidkeels zou roepen: “Mijn jongen! Dat was mijn jongen!”.’
Maarten Moll heeft twee dochters. Net als ik. Ik ben dus niet de enige die visioenen heeft van een zoontje dat met wapperende broekspijpen over de velden rent. Maar wat voor sportouder zou ik zelf zijn? Als je gelooft in die theorie dat ouders die staan te schreeuwen langs de lijn zelf gefrustreerde sporters zijn, ziet het er niet best uit voor mijn denkbeeldige jongen.
Het oefenveld van VV Kogelvangers Willemstad lag op het terrein van een oude schietbaan: vandaar de naam van de club. Willemstad, eeuwenoud vestingstadje in Noord-Brabant, ligt aan één kant tegen het Hollands Diep aan, een belangrijke strategische waterweg in voorbije oorlogen. Vandaar dat er tot in de Tweede Wereldoorlog soldaten gelegerd waren, die de lopen van hun geschut op het Hollands Diep gericht hielden.
Op de avond van mijn eerste training zijn de lopen van mijn medespelers voornamelijk op mij gericht. Is het omdat ik voor de eerste keer meedoe? Is het omdat ik nog geen echte voetbalschoenen heb en met afgeknipte laarzen over het veld sjok? Is het omdat ik geen kaas heb gegeten van pingelen?
Misschien een combinatie, maar dan nog blijft het moeilijk te begrijpen waarom ik de hele tijd onderuit word gelopen. Beduusd krabbel ik op, verontwaardigd kijk ik naar de trainer, maar hij gebaart dat ik moet doorspelen. Woedend begin ik te rennen. Ik storm op een kluitje jongens af dat verwoed tegen de bemodderde bal staat te trappen. Met een woeste kreet stort ik me in het gewoel. Ik schop en worstel - en ineens ben ik vrij van trappende benen en klauwende armen, ik bevind me in de vrije ruimte, met de bal aan mijn voeten. Ik heb de bal veroverd! Van de andere kant van het veld zwaait de trainer verwoed met zijn armen, dóór moet ik, in de richting van de goal. Dat is het fijne van voetbal, dat het zo simpel is. In de eerste helft schop je de bal de ene kant uit, en na de pauze de andere kant. Meer is het eigenlijk niet.
Ik geef de bal een hengst en begin als een gek te rennen. Het gehijg van de andere spelers valt achter me weg. Ik ren als de wind op mijn afgeknipte laarzen. De bal komt weer binnen mijn bereik, ik knal hem nog een keer weg, met een fraaie boog belandt hij in het strafschopgebied, ik zie de wanhoop in de ogen van de kleine keeper in het veel te grote doel, jammer voor hem, voetbal is oorlog, ik zwaai mijn been naar achter voor een verwoestend schot, en dan...
Dan rijdt de intercity van 21.42 naar Breda, Roosendaal en Antwerpen over me heen.
Als ik weer bij mijn positieven kom zie ik alleen maar enkels. Dikke, bemodderde enkels met afgezakte kousen, vlak bij mijn gezicht.
‘Goeie tackle, Frank,’ zegt de trainer. Hij geeft een van de spelers, een slungel met paarse putten in zijn wangen, een klap op zijn schouder. Die avond zal Frank me nog drie keer tackelen.
Als ik de huiskamer binnenhink zeg ik maar meteen dat ik niet meer naar voetbal wil. Mijn vader laat verwonderd de krant zakken. ‘Echt niet? Nou ja. Dan ga je toch lekker op judo,’ zegt hij. ‘Of volleybal.’ Zoveel jaren later, ben ik nog steeds dankbaar voor een vader die geen last had van een gefnuikte voetbalcarriére. Zulke vaders zijn er niet zo veel.
‘Klootzak! Gianni, speel die bal dan af!’
De vader van Gianni, een kleine, geblokte man met gemillimeterde stoppels in een kort, bruin leren jack dat strak om zijn biceps spant, staat naast het doel. Hij trekt verwoed aan een verfrommeld shagje. Af en toe geeft hij een trap tegen de doelpaal, waarbij de kleine keeper in het doel schichtig omkijkt.
‘Scheids! Ben je blind? Nooit van buitenspel gehoord?’
De vader van Gianni gebaart wild met zijn armen, hoewel het mij een raadsel is hoe hij van zijn positie kan zien dat er aan de overkant van het veld iemand buitenspel loopt.
Er wordt balverlies geleden door Gianni’s team. De vader schiet zijn peuk weg en doet een paar stappen het veld in.
‘Hee!’ brult hij. ‘Hee!’ Dan moet de doelpaal het weer ontgelden. De kleine keeper trekt zich terug bij de andere paal. De andere ouders reageren verschillend. Sommigen zijn duidelijk geërgerd maar zwijgen. Anderen gaan zo in het spel van hun eigen kind op dat ze het niet merken. Ik weet ook niet goed wat ik moet doen. Het is net als bij een ruzie op straat, als je ertussen springt richt hun agressie zich misschien wel op jou.
Ik kijk naar mijn denkbeeldige zoon naast me. Hij staart met grote ogen naar de vader van Gianni. Ik leg een arm om zijn schouder. Tussen zijn schouderbladen is het nog een beetje vochtig van het zweet.
‘Goed gespeeld,’ zeg ik.
‘We hebben anders wel verloren,’ zegt hij. Zijn hoofd hangt.
‘Broodje kroket?’ vraag ik.
Hij leeft op. Hij knikt. We wandelen naar de kantine. Ik kijk naar zijn smalle rug, zijn korte beentjes. Volgende week de F4 van Geuzenmiddenmeer. Taaie tegenstander. Hij liet zich vandaag wel erg makkelijk wegzetten door die back van TOS. En die scheids van hen was openlijk partijdig.
Op het veld vlagt de grensrechter voor buitenspel. De vader van Gianni rent drie meter het veld in.
‘Lul met oren!’ roept hij. Dan sjokt hij terug, met hangende schouders. De kleine keeper in het doel moet bijna lachen.
jaeggi om 20 maart 2008 17:07
