« januari 2008 | Main | maart 2008 »

21 februari 2008

op Bukowski lezen en dan in slaap vallen

Er was
een
man
in mijn droom
vannacht

Iedereen haatte hem
Ik haatte hem
Jij zou hem
ook
gehaat hebben.

Hij maakte
grappen
waar we allemaal luid
om lachten
en
kocht rondje
na rondje
voor ons

en bleef als laatste zitten
aan de bar
met zijn vrolijke, opgewekte
smoel

en de deur sloeg
en de barman
haalde zijn
doek
over de bar

en hij smeekte
om
nog eentje
de laatste
de laatste

en de man
legde zijn hoofd
op de
bar
en zag

mij

(Charles Bukowski: Come On In! New Poems. Canongate, import Van Ditmar, € 17,50)

Posted by jaeggi at 01:04 pm

20 februari 2008

vandaag denk ik aan:

de Engelse aristocraat, schrijver en excentriek Charles Waterton (1782-1865).
Waterton was een tijdgenoot van Darwin, die hem ook een paar keer noemt in zijn autobiografie. Darwin vertelt dat hij in zijn jeugd prepareerlessen nam van een neger in Edinburgh. Deze neger had met Waterton gereisd en van hem zijn opzetkunde geleerd. Waterton was een befaamd en berucht taxidermist: in zijn grote huis had hij een enorme verzameling opgezette dieren, voornamelijk kleurige vogels, maar ook een grote schildpad met mensenhoofd en een zware last op de rug, genaamd John Bull en de Nationale Schuld. Er was een buste van de Nondescript, bestaande uit de kop en schouders van een rode brulaap, waarvan het gezicht zo gemodelleerd was dat je er makkelijk de secretaris van de Engelse schatkist, Mr. Lushington, in kon herkennen (Waterton had veel problemen gehad met de Engelse douane, en hij zag Lushington als de oorzaak daarvan).
Verder deed hij liefst gevaarlijke dingen – of in elk geval dingen die ‘gewone’ mensen nogal waaghalzerig zouden vinden, zoals op zijn 35ste, toen hij samen met een vriend de gevel van de St. Pieter in Rome beklom, en ze als bewijs op de top van de bliksemafleider hun handschoenen achterlieten. De paus vond dat die handschoenen weg moesten, maar niemand van zijn personeel durfde. Waterton heeft de beklimming toen nog maar eens gedaan.
Goede vrienden liepen soms het gevaar bij een bezoek aan Watertons landhuis, Walton Hall, te worden aangevallen door een grommende hond, maar als ze dan angstig omlaag keken naar waar ze de scherpe tanden voelden, bleek het de Squire zelf te zijn, die een grapje maakte

Posted by jaeggi at 10:24 am

19 februari 2008

goed, slecht en lelijk

Voor de meesten van jullie yuppen zal het wel te ver weg zijn, maar morgenavond treden drie literaire zwaargewichten op in Breda: Nico Dijkshoorn, Thomas Verbogt en ik. Wie? Hier staat alles dat u weten moet.
En in het Zuiden pakken ze dat soort dingen altijd grondig aan: hier staat het voorbereidend interview in BN/De Stem, onder de enthousiasmerende kop: 'Ik was die jongen die zwetend friet stond te bakken.

En voor de mensen die te indolent zijn om naar Breda te komen: de dag erna ben ik van dichtbij te bewonderen in Amsterdam, op Stukafest 2008. Voor wie een schrijver graag bezig ziet met het ophouden van zijn waardigheid tussen de bierkratjes en het riekend studentenwasgoed: een niet te missen gelegenheid.
Tot dan!

Posted by jaeggi at 01:01 pm

18 februari 2008

will en ik

Freek de Jonge mocht niet aan tafel zitten bij DWDD om zijn shakespearesonnet voor te dragen omdat hij de vorige keer tijdens de uitzending iets onaardigs gezegd had over Marc Marie Huijbregts en nu wilde Marc Marie niet dat Freek... Oh, het is allemaal te miezerig voor woorden.
Volgende week zal ik met gebogen hoofd van schaamte de piste afskieën en mijn bestellingen doen in plat-Oostenrijks, in de hoop dat de mensen niet doorhebben dat ik Nederlander ben.
Omdat Freek geen reclame mocht maken voor de voorstelling doe ik het dan maar.
Hieronder de hertaling van een sonnet van Shakespeare die ik heb bijgedragen aan de voorstelling Echte liefde van Urban Myth. Compleet met fijne nietszeggende trailer op de site.


Als ik in verslagen uit verloren tijden
de wezens zie die zij beschreven:
vergeten vrouwen, dooie ridders
in eigen rijm, dan herken ik hoe
hun blazoen jouw hand draagt, jouw voet,
jouw ogen en die mond van jou.
Ik zie hun oude pen beschrijven
de schoonheid waar ik nu van houd.

Zij konden in de toekomst zien
naar onze tijd, en zagen daar
de aankondiging van jou misschien
maar kwamen tekort toen zij je prezen
want wij die dezer dagen kijken
komen ogen te kort om jou te lezen.

Posted by jaeggi at 11:18 am

15 februari 2008

borderline

‘Otto, mijn therapeut dus, heeft vorige week de uitslag gekregen van mijn tests, en wat denk je? Tóch borderline. Nou, hèhè.’
De vrouw met het koperrode haar blies een furieuze rookpluim over het tafeltje. Recht voor haar stond een bord met een broodje zalmsalade dat de hoop op een beter leven definitief had opgegeven, en daarnaast een glas snel afkoelend water waaruit een flinke bos munt stak. Haar blik stond grimmig en tegelijk triomfantelijk. Het was duidelijk dat ze zich de langverwachte diagnose van haar kwaal door niets en niemand meer zou laten afnemen.
‘Schat, wat erg voor je.’
Het duo tegenover haar, twee vrouwen die elk jaar de nieuwste mode op de voet volgden, en elk jaar weer bedroefd constateerden dat het hen geen spat jonger of aantrekkelijker maakte, schudde simultaan het hoofd. De koperrode vrouw priemde haar half opgerookte sigaret in de asbak. Toen de peuk bleef smeulen gaf ze hem de doodssteek met één welgerichte lange, roze gelakte nagel.
‘What can you say. C’est la vie. Maar wat ik dus echt niet te gelóven vind is hoe lang ze je laten wachten op een antwoord. Een máánd! Weet je wat Otto, mijn therapeut dus, weet je wat hij zei toen hij het vertelde? Raad eens? Hij zei: ach, ik zag het eigenlijk meteen toen je hier de eerste keer binnenliep. Een evident geval.’ De vrouw leunde achterover om haar gesprekspartners de gelegenheid te geven hun hoofd te schudden over zoveel medisch onbegrip. Dat deden ze.
‘Wat is ook alweer precies de definitie van borderline?’ vroeg de ene, iemand die je op het eerste gezicht Irene zou noemen. ‘Ik bedoel…’ Ze begon te blozen. ‘Ik weet het wel ongeveer, maar hoe…’
‘Borderline betekent dat je de dingen van het leven niet kunt verdragen,’ zei de koperrode vrouw. ‘Dat je te gevoelig bent voor de dingen van alledag. De ruwheid. De onverschilligheid.’ Ze haalde diep adem. Ze legde haar wijs- en middelvingers op haar oogleden en begon langzaam het hoofd te schudden.
‘Ach lieverd toch.’
De andere vrouwen staken een hand uit en grepen elk een elleboog. De vrouw met borderline haalde haar handen van haar gezicht en greep de aangeboden armen. Ze glimlachtte vanachter opeengeknepen lippen, als een acteur in een oorlogsfilm die net het bevel heeft gekregen voor een zelfmoordmissie.
‘Maar gelukkig heb ik jullie, meiden. Écht hoor.’ Er was enig stevig geknijp en gestreel van handpalmen, voor een van de andere vrouwen belangstellend vroeg: ‘En hoe is Guus er trouwens onder?’
Het gezicht van de vrouw betrok. Ze nipte van haar muntthee maar zette het glas met een vies gezicht weer neer.
‘Guus? Dat kun je beter aan hem vragen. Hij roept alleen maar de hele tijd, mens doe niet zo hysterisch.’ Het duo ging geschokt overeind zitten.
‘Hij zegt dat het een hormonenkwestie is. Dat ik een aandachtsjunk ben.’
‘Een wát?’
De koperrode vrouw knikte. ‘Ja. Daar ben je dan twintig jaar mee getrouwd. Alsof hij het beter weet dan ik, wat ik voel. Maar wat wil je. Al die dokters zijn hetzelfde. Zelfs je bloedeigen man.’
Ze tuurde een moment naar de beslagen ramen.
‘Guus heeft me nooit begrepen.’ Even was het stil in het lunchcafé, op het gereutel van de espressomachine na.
‘Zullen we gaan?’ Het klonk volkomen definitief. De andere twee begonnen haastig de checklist van hun bezittingen langs te lopen, handtas, sjaaltje, mantel, paraplu. De koperrode vrouw zag het ongeduldig aan.
‘Klaar?’
De twee begonnen achter het tafeltje vandaan te schuiven. De vrouw rees uit haar stoel. Haar tas, een glimmend monster van paars leer, bleef haken en het glas muntthee, het ongelukkige broodje zalmsla en twee espressokopjes kletterden op de plavuizen.
De vrouw was al bij de deur. Terwijl ze de deur openduwde zei ze, zonder om te kijken: ‘Laat maar liggen, dat wordt vanzelf opgeruimd.’

Posted by jaeggi at 05:05 pm

forever young

Na de begrippen Dichter des vaderlands, stadsdichters, parkdichters, stadsdeeldichters en gemeentedichters munt newblogger Gerrit Komrij de schitterende nieuwe term negorijdichter.
Wat een aanwinst is zijn weblog voor het vaak wat slaperige Nederlandse bloggerswereldje. Zo'n vechtlustige toon zijn we hier niet gewend, je ziet de buurt verbaasd opkijken van al het gekrakeel in Huize Komrij.

Ik zat naast Komrij op het podium van Paradiso toen hij zijn beslissing om Dichter des Vaderlands te worden 'de grootste vergissing van zijn leven' noemde. Hij overdreef niet; van dichtbij was te zien dat hij nog steeds sidderde bij de gedachte dat hij jarenlang de 'gevoelens van het volk' had moeten vertolken.
Het was ook niet zijn beste periode als schrijver. Het was of hij zichzelf niet was. Iedereen zeurde aan zijn kop, het was nooit goed of het deugde niet. Ik herinner me een professionele, humorvolle reclamecampagne voor de poëzieclub, waar een bedrag van ettelijke tienduizenden euro's voor was uitgetrokken. Je zou verwachten dat dichtend Nederland juichend zou opspringen om de initiatiefnemer lovend toe te zingen. Eindelijk een poging tot een professionele aanpak van de poëzie in Nederland. Maar het initiatief werd gesmoord onder ladingen hoon en cynisme van pruttelende journalisten, jammerende dichters en betuttelende autoriteiten. De literaire kletssites sponnen er garen bij.
Zo er al mensen waren die door Komrij's campagne enthousiast gemaakt waren voor de poëzie, dan moeten die zich haastig terug hebben getrokken van de grauwende en snorrende dichtersbent die vechtend door de kamer rolde. Alles en iedereen was terug bij af. Komrij boog knarsetandend het hoofd en gaf zijn functie op.

Nu is hij terug. En hoe.
Andere mensen worden milder als ze ouder worden. Komrij wordt met de dag vileiner, scherper en leniger. Hij hakt steeds onbezorgder met zijn strijdbijl om zich heen, hier sneuvelt een reputatie, daar wordt achteloos een negorijdichter geplet.
Komrij heeft het recept voor de eeuwige jeugd gevonden.


Posted by jaeggi at 11:21 am

14 februari 2008

de strijd

Toen Ayaan Hirsi Ali vanochtend opstond, was het met een zwaar gevoel in al haar ledematen.
Ze sloeg een kamerjas om, slofte naar de keuken - douchen en aankleden kon wel even wachten - en sloeg de kranten op: Libération, Le Monde, Herald Tribune, NRC/Next.
Toen ze bij de Volkskrant was aangeland en de opiniepagina's opsloeg werd haar in één klap alles duidelijk. Daar, gezellig in een kluitje op één pagina, stonden de drie zwaargewichten van de hedendaagse Hollandse opinie bij elkaar, als oude wijven bij de dorpspomp, en ze hadden het allemaal over haar. Joost Zwagerman die over haar rug enkele concurrerende intellectuelen een veeg uit de pan gaf. Michaël Zeeman die geamuseerd, vanaf zijn bergtop in Rome, zijn diffuse licht over haar kwestie liet schijnen. En Max Pam die schreef dat Ayaan... Maar voor ze het eind van zijn stukje bereikt had viel de krant uit haar krachteloze handen. Ze stond op, steun zoekend aan de keukentafel, en slofte terug naar de slaapkamer.
Het bed was nog warm. Ze lag op haar rug en staarde in het niets. Waar heb ik het aan te danken, dacht ze, dat ik me nog voor het ontbijt moet laten welgevallen dat drie drammerige Nederlandse dikbillen over me heen walsen?
Met een zucht trok ze het dekbed over haar gezicht.
Soms vroeg je je werkelijk af of het het allemaal waard was.


Posted by jaeggi at 10:43 am

13 februari 2008

ach kunt u misschien even mijn sigaretten pakken?

Ik heb weleens een gesprek van twee uur gevoerd over autobanden. Nou ja, gesprek: de andere monteurs praatten en ik deed of ik er niet was. Ze vroegen niet wat ik van Pirelli vond maar ze lieten me wel met rust. De dag ervoor hadden ze me nog met een zware steekkar naar een garage aan het andere eind van de stad gestuurd voor een doos harde nippels.
‘Dat doen ze bij elke nieuwe,’zei de op-een-na-jongste monteur troostend, toen ik uitgeput, met het gelach van de monteurs nog narinkelend in mijn oren neerplofte in de kantine, onder de blote tieten van Miss July.
Mijn vader vond het ongezond als ik de hele grote vakantie op mijn kamer zou blijven zitten, en regelde daarom elk jaar een vakantiebaantje voor me. Ik heb worst verkocht bij de Hema (elke twee weken moesten ze de stalen vork waarmee de worst uit het kooknat werd gevist vernieuwen – volkomen weggevreten. Ik geef het maar even door), aan de lamineermachine gestaan bij Tetrapak Moerdijk, en deze zomer bevond ik mij in een suburb van Breda, in een garage met Michiel, Donald en Otto, die in zevenentwintig seconden vier autobanden kon verwisselen. Dat heb ik daarna nooit meer iemand zien doen, maar Otto was wel degene waar je voor moest oppassen. Ik wil niet zeggen dat hij een gemene sadist was, maar als je een paar banden verwisselde moest je wel altijd eerst verifiëren of de machine wel de goede kant opdraaide, omdat Otto het geweldig grappig vond als jij een band oplegde en de machine (een soort dikke stalen schroefdraad, die eenmaal aangezet onstuitbaar de band van een wieldop trok) de band de vernieling inhielp. Gevolg: een woedende klant, gestamelde excuses en uit de kantine het hoge gillende lachen van Otto.
Ik kon geen Alfa Romeo van een BMW onderscheiden – nog steeds niet – daarom liep ik in die garage op naalden. Elk moment kon een monteur roepen: ‘Héé, pikkie. Kom eens hier! Van welk type Mercedes is deze grille?’
Er zijn maatschappelijke groepen waarin het belangrijk is dat je iets van auto’s afweet. Er zijn ook mensen die je niet meer voor vol aanzien als je twee EK-voetbalfinale’s door elkaar haalt. Die twee groepen samen beslaan ongeveer alle mannelijke Nederlanders. Daarom doe ik tegenwoordig net of ik weet wat een wankelmotor is. Ik ben al genoeg vrienden kwijtgeraakt.
In de garage hield ik mij staande door verdienstelijk de rol van slaaf te spelen. Pakjes shag, broodjes paling, bakken friet, ze hoefden maar te kikken. Lichamelijk was het zwaar, want de garage was zo warm als een broeikas. Vrijwel iedereen (behalve Donald, die volgens de anderen een afgrijselijke huidziekte had) liep die zomer naakt onder zijn overall. Zo was het net uit te houden. Af en toe, als er een grote terreinwagen binnenreed, speelde er zelfs een verfrissend windje binnen door de spleten in de overall waardoor je normaliter in je broekzak kon. Ik hield eerst mijn onderbroek nog aan, maar mijn moeder reageerde zo ontzet op mijn met blauwe smeer en rubberstrepen bevlekte ondergoed – je moet weleens krabben – dat ik net als de anderen halverwege die zomer enkel nog een overall droeg, veiligheidsschoenen met stalen neuzen en verder niks.
Het zal u niet verbazen dat het Otto was die mij leerde hoe je die klederdracht kon aanwenden om een saaie, warme dag in de garage wat op te vrolijken. Als er een vrouw binnen kwam rijden voor een paar nieuwe banden – het mooiste was natuurlijk een blondine in een open sportwagen, maar in principe was elke vrouw goed – haalde je netjes de banden eraf, legde ze op de machine, smeerde ze in met glijmiddel, en vroeg dan, terwijl je hulpeloos je besmeurde handen ophield (eventueel met een lichte heupbeweging): ‘Ach mevrouw, zou u misschien even mijn sigaretten kunnen pakken?’
Eén op de vier trapte er in. Zo werd het toch nog een heerlijke zomer.


Posted by jaeggi at 12:02 pm

11 februari 2008

een gedachte die vandaag helemaal niet in me opkwam

Wat jammer dat Martin Bril op een dag als vandaag in Frankrijk zit. Ik geniet altijd zo van zijn stukjes over Bloesjesdag.


Posted by jaeggi at 04:02 pm

de opblaaspop van Joe Venuti

Als ergens ter wereld een grote persoonlijkheid verschijnt, zal men hem herkennen aan het aantal mensen dat de zenuwen van hem krijgt.
Kent u één grote persoonlijkheid die nog nooit iemand tegen zijn schenen getrapt heeft? En kom nou niet aan met Nelson Mandela, want die is tegenwoordig misschien de grote mensenvriend, maar dat is pas iets van de laatste paar jaar: daarvóór was hij zo bloed-irritant dat de regering hem opsloot op Robben-eiland om van hem af te zijn. Mandela’s tweede naam, is Rolihlahla: Xhosa voor onruststoker. Een echte persoonlijkheid is altijd een onruststoker.
Dan kom je dus al snel uit bij jazzmuzikanten.
Ten eerste heeft jazzmuziek het vermogen om mensen tot wanhoop te drijven, meer dan welk ander genre ook. Het wordt weleens vergeten, maar vóór Elvis, Jerry Lee Lewis en Chuck Berry de tent afbraken waren er al jazzmuzikanten die meisjes in zwijm deden vallen, jongens op de stoelen deed klimmen en ouders tot razernij dreef. Een verbijsterde reporter van Het Parool schreef op 21 september 1954, naar aanleiding van het legendarische concert van Lionel Hampton in het concertgebouw: ‘De heer Hampton bewerkte een trommel met een stuk hout, zijn costuum – een uur tevoren nog keurig opgeperst – was doorweekt, en hing als een vod om zijn lichaam, van zijn gezicht gutste het zweet in een brede waterval, zijn mond was vertrokken tot een bijna waanzinnige lach, zijn tong hing gedeeltelijk uit de mond, zijn ogen glansden koortsig. De zaal was volledig in beroering, een groot deel van het publiek schreeuwde en joelde niet alleen, maar sommigen schokten en dansten in hun stoelen en sloegen hun handen ineen, op een wijze alsof zij nooit op zouden houden.’
Lionel Hampton was een persoonlijkheid op het podium, maar daarin was hij niet uniek: er zijn vele muzikanten die een zaal buiten zichzelf konden doen raken, van Paganinni tot Van Halen. Maar een echte persoonlijkheid is ook buiten het podium enig in zijn soort. Zoals de legendarische trombonist Bill Harris, uit de band van Count Basie, een man die niet tegen onrecht kon en allergisch was voor dikdoenerij. In zijn jonge jaren speelde Harris in een dansorkest onder leiding van een vette, autoritaire bandleider, die altijd vóór op het podium op een barkruk zat en aldus de musici het zicht benam op de dansende dames. Verder deed hij niets, behalve landerig met een veel te grote baton zwaaien en af en toe een nummer aankondigen. Op een goede avond vond Harris het genoeg geweest: een uur vóór het optreden toog hij naar het podium met een centimeter en een zaag. Meticuleus zaagde hij een klein stukje van de poten van de kruk af; niet meer dan een halve centimeter. De volgende avond deed hij hetzelfde, en zo zat de bandleider elke avond weer iets lager op zijn kruk. Hij voelde wel dat er iets aan de hand was, maar net als kreeften die in koud water worden gelegd en langzaam worden opgewarmd, merkte de bandleider pas iets toen het te laat was en hij met zijn knieën tot zijn kin op het podium zat.
De persoonlijkheid van de maker spreekt uit deze grap: een mindere geest zou de barkruk op scherp gezet hebben, of de poten geheel hebben doorgezaagd. Maar een echte persoonlijkheid heeft geduld.
Minder geduldig, maar even briljant in het verzinnen van practical jokes was Joe Venuti, jazzviolist uit de jaren dertig. Venuti was als practical joker bijna een kunstenaar, met een briljant oog voor het beeldende element in zijn grappen. Sommige van zijn creaties zouden in een museumcollectie opgenomen kunnen worden, bijvoorbeeld onder de titel: Installatie met Vijftig Bassisten.
Op een mooie dag in 1944 belde Venuti een bassist voor een optreden en sprak met hem af op een straathoek in New York. Op weg erheen kwam de bassist een bevriende bassist tegen, die dezelfde kant uit moest. Een straat verder voegde zich een derde bassist, met instrument op de schouder, bij het duo. Geenszins van hun stuk gebracht door dit merkwaardige toeval sloegen de drie een hoek om, om op de afgesproken plaats zevenenveertig collega’s te treffen, allemaal met contrabas, allemaal geëngageerd door Joe Venuti. Het verhaal gaat dat Venuti zich in een taxi langzaam op en neer liet rijden langs de furieuze muzikanten, om rustig te genieten van het door hem geregisseerde tableau vivant.
Minstens even legendarisch is Venuti’s ‘Hotelruzie’ – had hij het op video gezet dan zou het zo in het Tate Modern kunnen draaien.
Venuti huurde een kamer op de veertiende verdieping van het Plaza Hotel. Hij gaf de gortier een fooi en fluisterde wat in zijn oor. Daarna nam hij de lift naar de veertiende verdieping, zette de ramen van de kamer wijd op en begon een enorme ruzie. Met zichzelf. Gekrijs, geschreeuw en het gerinkel van brekend glaswerk klonken uit de open ramen. De ruzie liep zo hoog op dat mensen op straat stilstonden en naar boven begonnen te wijzen. De massa groeide, meer en meer voorbijgangers bleven staan om te zien wat er aan de hand was – tot ineens een afgrijselijke schreeuw klonk en de massa geschrokken achteruit deinsde. Een vrouwenlichaam zeilde door het raam naar buiten. Mannen sloten hun ogen, vrouwen vielen in zwijm, het lichaam viel naar het keiharde asfalt – stuiterde een paar keer op en neer en werd toen opgepakt door de portier, die de inmiddels zachtjes leeglopende plastic opblaaspop onder zijn arm stak en er kalm mee het hotel in wandelde.
Hiermee komt Venuti hoog op de lijst van Beste Practical Jokers aller Tijden – maar het is nog niet genoeg om van hem een van de blijvend grootste persoonlijkheden te maken.
Een persoonlijkheid moet ook duurzaamheid hebben, en van Venuti’s muziek is de houdbaarheidsdatum helaas allang verstreken, behalve voor de liefhebbers van oude jazz en andere nostalgici. Als grootste persoonlijkheid zoeken we dus naar een tijdloze onruststoker uit de jazz.
Bijvoorbeeld de vrouw bij wie, als zij zong, altijd de pleuris uitbrak. In één week zevenentwintig vechtpartijen in het café in Philadelphia waar ze zong. Niet omdat ze lonkte of strakke jurken droeg, en ook niet omdat ze de mooiste of meest sexy zangeres was.
‘Ik heb hier meiden gehad,’ zei de eigenaar van het café tegen een journalist, ‘die zich op twee kerels tegelijk gooiden en hun vrouwen die aan hetzelfde tafeltje zaten vonden dat machtig. Billie doet niets. Ze zingt alleen maar Love for sale. Een man aan een tafeltje van vier begint naar haar te kijken. Zijn vrouw heeft er eentje teveel op en die begint te kijken naar de manier waarop haar man naar Lady zit te kijken.’
Allemaal vanwege die stem. Dat krolse miauwen. Die hese verleiding en meteen daarop, als berouw na de zonde, die bijna jubelende misère, omdat het nu ècht niet meer erger kan allemaal, omdat er ècht geen diepere put bestaat dan de put waar waar we nu in zitten. En altijd weer dat stille snikken om het grote onrecht dat Man heet (‘My man don’t love me/ He treats me awful mean’).
Soms loop ik zomers op straat, in mijn roomijskleurige linnen pak, beetje zweet op de bovenlip, door de straten die wachten op regen, en dan hoop ik dat uit een open raam de stem van Billie Holiday zal klinken. Swing brother swing. Of Mean to me, met die sax van Lester Young huppelend op de achtergrond. Desnoods dat ene debiele liedje, A sunbonnet blue and a yellow straw hat. Twee hoedjes die verliefd op elkaar worden. Gaat nergens over, maar Billie zingt het en je wandelt ineens een halve meter boven de straat, een hovercraft van geluk.
Het is altijd weer Scarlatti, Chopin, James Blunt of de Buena Vista Social Club. Maar ik blijf hopen.


Posted by jaeggi at 11:39 am

09 februari 2008

twee uur jaeggi

Interviews, het hoort erbij. Maar soms zijn ze een genot om te doen. (Het interview begint ongeveer halverwege het eerste uur.)


Posted by jaeggi at 05:21 pm

mimicry

In het Parool vanochtend:
'Een 25-jarige Israelische reserve-officier heeft na dertig jaar te horen gekregen dat hij de zoon is van eeen Palestijn in plaats van een Jood.
Yanif Eliyezer kreeg een telefoontje van de politie: of hij zijn vader Rami op wilde halen van een politiebureau in Tel Aviv. Daar aangekomen werd hem verteld dat vader eigenlijk geen Rami heette, zoals hij altijd had gedacht, maar Jibril al-Arabi. Yanif bleek de zoon te zijn van een Palestijn uit Ramallah, die zich dertig jaar had weten uit te geven voor een Joodse Israëlier. "Ik geloofde mijn oren niet," vertelt een verbouwereerde Yanif Eliyezerin het dagblad Yediot Acharonot. "Mijn vader is zo goed voor zijn gezin."'

Beste Joden en Palestijnen,
Jullie geloven toch niet dat Jibril al-Arabi de enige is? In de dierenwereld is het al heel lang bekend dat mimicry een hele effectieve manier is om je ongemoeid onder vijanden te begeven.
Palestijnen, de Joden zijn onder U. Joden, de Palestijnen zijn onder U. Het zijn uw broers en zussen, zonen en dochters, moeders en vaders, die goed zijn voor hun gezin. Dood ze en U doodt uw eigen volk. Stoppen met doden is de enige oplossing. De handen ineenslaan om uit te vinden wie nu precies Jood is, en wie Palestijn. Dat mag best een paar decennia duren. Neem de tijd.
Gaan wij intussen verder met het volgende probleem, de stammen-oorlogen in Afrika. Succes en een prettig leven verder.


Posted by jaeggi at 01:23 pm

07 februari 2008

strijkplanken; een essay

Ik ben inmiddels een jaar of zeven bezig met het aanschaffen van een strijkplank.
Strijkplanken zijn zulke afstotelijke dingen dat een mens torenhoge remmingen moet overwinnen voor hij überhaupt het feit kan accepteren dat hij er een nodig heeft. Ook voor mij is het noodgedwongen. Ik bezit een aantal mooie, dure, Italiaanse overhemden, de soort die je vriendin voor je koopt in het eerste jaar van jullie samenzijn, als ze nog de moeite neemt aan je garderobe te sleutelen, dan nog in de vertederende veronderstelling dat er aan een man nog iets te versleutelen valt na zijn dertiende. Nu is het heel fijn om mooie overhemden te hebben, maar je moet ze wel strijken. Hoe duurder het overhemd, hoe verschrompelder het uit de was komt, is mijn ervaring.
Dus moet er een strijkplank aangeschaft worden, en direct komen ze op je af, de associaties: afgetobde wasvrouwen met een doek om hun hoofd die in vochtige souterrains de was van rijke families staan te strijken; de geur van lelietjes van dalen en verschaalde 4711; oude cartoons uit de New Yorker en Playboy waarin de man die onder de plak zit onveranderlijk wordt afgebeeld achter een strijkplank.
En dan ben je nog niet eens in de winkel.

Als je eenmaal geaccepteerd hebt dat je straks tot de mensen zult behoren die een strijkplank bezitten moet je eerst langs het hele assortiment van de Blokker (de strijkplanken staan altijd achterin): servetringen in de vorm van poesjes; kussentjes in de vorm van poesjes; wekkers in de vorm van poesjes; bankstellen in de vorm van poesjes.
De strijkplanken staan strak in het gelid. Ze zijn van boven tot onder in plastic geseald, dat je straks thuis met een stanleymes en een klopboor moet verwijderen.
Mechanisch zijn ze allemaal hetzelfde: je trekt het plankgedeelte en het onderstel van elkaar, met het hartverscheurende gekraak van een oude vrijster die haar benen spreidt. Je probeert de strijkplank op eigen benen te zetten, waarbij hij direct door zijn hoeven zakt, als een coma-drinker na een nachtje in de zuipkeet. Ergens onderin de strijkplank zit namelijk een palletje dat in een gaatje moet vallen, zodat de strijkplank zal blijven staan, maar dit mechaniekje is zo afgesteld dat dat (steeds opnieuw) pas na vijf keer lukt.
Dit zijn de fysieke eigenschappen van een strijkplank waar nog mee te leven valt. Maar waar ik mij de afgelopen zeven jaar niet overheen heb kunnen zetten is de bekleding. Ik weet niet wie die ontwerpen maakt, maar het moet een werknemer van Satan zijn. Die vloekende kleurencombinaties, die huiveringwekkende verwrongen patroontjes: het heeft bijna iets psychedelisch. Mijn theorie is dat de vormgever van strijkplankdessins zijn ontwerpen droomt, in doorwoelde nachten waarin hij afgrijselijk ligt te zweten, om bij het ochtendgloren met een krijs wakker te worden en direct, zonder douchen of scheren, aan het werk te gaan.

Het is uiteindelijk een Leifheit geworden, van negenentwintig euro vijfennegentig. Er was nog een goedkopere versie, maar die had een patroon dat je ook kunt vinden op de vloer van een slachthuis na een drukke dag. Mijn Leifheit heeft een soort geometrisch patroontje in bruin en oranje. Rietveld meets de seventies meets de latrine van het eerste bataljon pantsergrenadiers, zeg maar.
Ach, je went aan alles, zeggen ze. Zelfs aan hangen, als je het maar lang genoeg doet.


Posted by jaeggi at 08:57 am

de keizer van het hergebruik

(Deze recensie verschijnt vandaag ook in Het Parool)

Er is poëzie die je leest terwijl je bewogen en instemmend knikt, er is poëzie waarbij je het lezen regelmatig moet onderbreken om jezelf met de vlakke hand op je knieën te slaan, en er is poëzie die je eigenlijk niet anders dan knarsetandend kunt lezen, zoals de poëzie van René Huigen.

Schuimbekken

O haar reebruine ogen
als noten in een chocoladereep
als krenten in de pap
die bij het tellen
uit het brood gevallen zijn,
maken de pap luchtig,
het brood van steen

Om dan een vinger in de pap te hebben

Daarmee je jubel tot hamerteen te slaan,
een vakman tot schandknaap,
een dichter tot papjongen
van wansmaak, wiens muze hem
van haver tot gort
als schuim op de kaken zal staan

U hebt gemerkt dat de man een loopje met ons neemt? Achtereenvolgens krijgen wij in dit gedicht voorgeschoteld: een regelrechte schlagerregel, daarna een opzettelijk zwakke vergelijking gevolgd door een opzettelijk (!) nog veel zwakkere vergelijking, een melige zin die er volgens mij vooral staat om de lezer te jennen en wakker te houden. Vervolgens een raadselachtige formulering die ons niet veel verder helpt (‘krenten die bij het tellen uit het brood gevallen zijn’?) en een soort stille tweestrijd tussen de pap en het brood waar we het fijne niet van te weten komen, maar dat je wel de eerste echte poëtische gebeurtenis in het gedicht zou kunnen noemen, terwijl het gedicht toch al ruime tijd aan de gang is.
In deze recensies is, wegens plaatsgebrek, eigenlijk nooit ruimte voor close-reading, daarom in vogelvlucht de rest van het gedicht: vinger in de pap, lepel rechtop in het deeg; ik associeer dit met ‘zolang de lepel in de brijpot staat’. Terug naar de schlagers dus. En in de laatste strofe vindt, na wat slapstick, alsnog de in de titel aangekondigde woedeuitbarsting plaats, natuurlijk niet zonder hulp van de platgewalste uitdrukkingen (‘van haver tot gort’) die in dit gedicht en in deze bundel Huigen’s handelsmerk zijn. René Huigen is de Keizer van het hergebruik: nog nooit las ik een dichtbundel waarin zoveel afgetrapte cliché’s een kans kregen hun leven te beteren. Een mooi streven, maar het geeft de lezer ook het gevoel dat hij, op zoek naar een attractie in het park, steeds andere richtingen wordt uitgestuurd. Na verloop van tijd komen daar nog eens de pedante schimpscheuten van het personeel bij, die het zuchtend nog maar eens herhalen: ‘De Rijn – van het Oudgermaanse/ ‘rinan’, dat stromen betekent (-).
Een gewone, nette poëzielezer wordt maar zelden zo onbehoorlijk behandeld. Zo begin je een gedicht toch niet? En dan nog die hyper-bewuste toon, van een dichter die de wijsheid in pacht heeft. Je krijgt er het gevoel van dat je nog kent van de middelbare school, laatste blokuur Scheikunde, drie uur vrijdagmiddag: dat je geacht wordt iets te leren waar je kennelijk te stom voor bent. Je brein en je tanden gaan ervan knarsen.
In andere gedichten, zoals het briljante en irritante ‘Smoes’ werkt Huigen nog harder op de irritatiespieren, als hij een moderne jazzmuzikant speelt die op een gevonden frase eindeloos blijft variëren, zo lang dat zijn publiek zenuwachtig begint te schurken op de bank, denkend: wat weerhoudt de man ervan om hier eeuwig mee door te gaan? ‘Als excuus voor weet ik wat al niet/ heb ik bij leven vele mooie/ excuses bedacht, maar van alle/ excuses vind ik deze de mooiste// Vandaag is dit mijn dag niet,/ vandaag ben ik mjzelf niet// Vandaag is de zon mijn zon niet/ En is het licht mijn licht niet// Vandaag is mijn schaduw/ mijn schaduw niet// Vandaag zijn de bomen zichzelf niet,/ en zijn de straten en de huizen/ en zijn de mensen zichzelf niet.’
Natuurlijk houdt het een keer op. Zelfs bij Huigen. De opluchting bij het wegvallen van die spanning is daarna des te groter. Daar was het de dichter uiteraard om te doen.
Het is een zenuwslopende bezigheid, René Huigen lezen, maar de beloning blijft niet uit. Al is het uiteraard niet de beloning waar je op gehoopt had.


René Huigen, Fysica voor dichters (een definitieve keuze uit de gedichten). De Bezige Bij, € 25,-

Posted by jaeggi at 08:54 am

06 februari 2008

yes we can

Ik denk niet dat het veel zal uitmaken voor de nominatie, maar zet mij er maar bij in het tweede rijtje, onder Oprah en Ted, tussen George en Scarlett.

Omdat hij swingt.


Posted by jaeggi at 08:59 am

05 februari 2008

gedachte in de nacht van dinsdag op woensdag

Ook tweebaanswegen zijn maar alleen.

.

Posted by jaeggi at 11:23 am

bekentenis

En na de sneer op het internet hieronder, meteen erachteraan: waarom het internet onmisbaar is. Satire ging nog nooit zo snel. Kijk naar dit voorbankgesprek.

Posted by jaeggi at 11:20 am

04 februari 2008

joden ahoy

Weer een paar mailtjes van mensen die (vriendelijk) vragen waarom ze niet op mijn posts mogen reageren. Ik schijn (samen met Wim de Bie) zo ongeveer het enige weblog te drijven waarop reactie niet mogelijk is. Toen ik dit weblog begon (2004) was die mogelijkheid er wel.
Ik geef even een paar typerende reacties van toen:

- 'Hanneke Groentevrouw schreef vorige week precies hetzelfde, betrapt Aadje!'
- 'Jezus dat Ajax als het zo doorgaat steek ik mijn seizoenskaart in de fik.'
- 'Wat een kutgedicht. Of was het geen gedicht?'
- 'Doerians moeten dood.'
- 'Wanneer hou je eens op met die kutcolumns in de Azijnbode? Je vergalt mijn weekend met die grachtengordeldiarree.'
- 'Yo Sallyboy, jij ook hier? Geil mokkel was dat of niet in de Jqntjes ja ik zag je heus wel was het maafr weer weekend Toppertjeeeeeee!!!'

En eentje waar ik tot op de dag van vandaag over nadenk: 'Joden ahoy!'
Dus mijn wedervraag aan de vraagstellers is: hoe precies gaat de wereld erop vooruit als ik jullie de gelegenheid geef te reageren op wat ik hier schrijf?
Volgens mij is de wereld juist hard achteruit gekacheld sinds elke gek de gelegenheid heeft zijn onderbuik te legen op het internet.
Dan liever alleen.


Posted by jaeggi at 12:36 pm

wachtmuzak

In de verkiezing van meest ongevraagde wachtmuzakjes in de computergestuurde wachtkamers van de moderne dienstverleners: vandaag twee nieuwe kandidaten, met stip binnengekomen in de Moordlust TOP10:

* NS Internationaal Telesales: de B-kantjes van jaren-80 tophits. Visioenen van wild getoupeerde popsterren die met metersver uitgestoken, wild kronkelende tongen over het podium paraderen. Gitaren in de vorm van sterren zoals kinderen die tekenen. Het kiespijngeluid van overdadig gebruikte wah-wah-pedalen. Drums die klinken alsof de drummer ze vanuit een gesloten koffertje bespeelt. En tussendoor om de halve minuut een corporate reclameboodschap van de NS: 'Alle vragen die u aan onze medewerkers wilt stellen kunt u ook stellen via onze website www.ns.nl of via de superhandige kaartjesautomaten met touchscreen op onze stations.'
NB Gemiddeld binnen drie minuten een medewerker aan de lijn.

* Vodafone Libertel BV: Stevie Wonder en Ray Charles in knellende Spandex trainingspakjes waarin hun genitalien akelig beklemd zitten. Benny Neyman with strings. Raindrops keep falling on your head, als vurige meteoren.


Posted by jaeggi at 10:27 am

02 februari 2008

hulp

- En wat kan ik voor u betekenen, meneer?
- Dank u, ik word al geholpen. Door die mevrouw daar. Ze staat net mijn runderlappen in te pakken.
(-)
- Wordt meneer al geholpen?
- Jazeker, die mevrouw is voor mij bezig. Kijk, daar gaan mijn schnitzels.
(-)
- Meneer! Wat mag het zijn!
- Ik... Die mevrouw...
- Onze nederige excuses, wij blazen snel de aftocht. Jongedame, wordt u al geholpen?
(-)
- Wordt u al geholpen?
- JA.
(-)
- Meneer, zegt u het maar!
- Maar ik eh... Ik was net klaar met die... Ja, doet u mij driehonderd kilo rosbief alstublieft. Dun gesneden. Ik wil dat je mijn uitdrukking er nog doorheen kunt zien als ik het voor mijn gezicht houd.


Posted by jaeggi at 02:03 pm