« twee uur jaeggi | Main | een gedachte die vandaag helemaal niet in me opkwam »
11 februari 2008
de opblaaspop van Joe Venuti
Als ergens ter wereld een grote persoonlijkheid verschijnt, zal men hem herkennen aan het aantal mensen dat de zenuwen van hem krijgt.
Kent u één grote persoonlijkheid die nog nooit iemand tegen zijn schenen getrapt heeft? En kom nou niet aan met Nelson Mandela, want die is tegenwoordig misschien de grote mensenvriend, maar dat is pas iets van de laatste paar jaar: daarvóór was hij zo bloed-irritant dat de regering hem opsloot op Robben-eiland om van hem af te zijn. Mandela’s tweede naam, is Rolihlahla: Xhosa voor onruststoker. Een echte persoonlijkheid is altijd een onruststoker.
Dan kom je dus al snel uit bij jazzmuzikanten.
Ten eerste heeft jazzmuziek het vermogen om mensen tot wanhoop te drijven, meer dan welk ander genre ook. Het wordt weleens vergeten, maar vóór Elvis, Jerry Lee Lewis en Chuck Berry de tent afbraken waren er al jazzmuzikanten die meisjes in zwijm deden vallen, jongens op de stoelen deed klimmen en ouders tot razernij dreef. Een verbijsterde reporter van Het Parool schreef op 21 september 1954, naar aanleiding van het legendarische concert van Lionel Hampton in het concertgebouw: ‘De heer Hampton bewerkte een trommel met een stuk hout, zijn costuum – een uur tevoren nog keurig opgeperst – was doorweekt, en hing als een vod om zijn lichaam, van zijn gezicht gutste het zweet in een brede waterval, zijn mond was vertrokken tot een bijna waanzinnige lach, zijn tong hing gedeeltelijk uit de mond, zijn ogen glansden koortsig. De zaal was volledig in beroering, een groot deel van het publiek schreeuwde en joelde niet alleen, maar sommigen schokten en dansten in hun stoelen en sloegen hun handen ineen, op een wijze alsof zij nooit op zouden houden.’
Lionel Hampton was een persoonlijkheid op het podium, maar daarin was hij niet uniek: er zijn vele muzikanten die een zaal buiten zichzelf konden doen raken, van Paganinni tot Van Halen. Maar een echte persoonlijkheid is ook buiten het podium enig in zijn soort. Zoals de legendarische trombonist Bill Harris, uit de band van Count Basie, een man die niet tegen onrecht kon en allergisch was voor dikdoenerij. In zijn jonge jaren speelde Harris in een dansorkest onder leiding van een vette, autoritaire bandleider, die altijd vóór op het podium op een barkruk zat en aldus de musici het zicht benam op de dansende dames. Verder deed hij niets, behalve landerig met een veel te grote baton zwaaien en af en toe een nummer aankondigen. Op een goede avond vond Harris het genoeg geweest: een uur vóór het optreden toog hij naar het podium met een centimeter en een zaag. Meticuleus zaagde hij een klein stukje van de poten van de kruk af; niet meer dan een halve centimeter. De volgende avond deed hij hetzelfde, en zo zat de bandleider elke avond weer iets lager op zijn kruk. Hij voelde wel dat er iets aan de hand was, maar net als kreeften die in koud water worden gelegd en langzaam worden opgewarmd, merkte de bandleider pas iets toen het te laat was en hij met zijn knieën tot zijn kin op het podium zat.
De persoonlijkheid van de maker spreekt uit deze grap: een mindere geest zou de barkruk op scherp gezet hebben, of de poten geheel hebben doorgezaagd. Maar een echte persoonlijkheid heeft geduld.
Minder geduldig, maar even briljant in het verzinnen van practical jokes was Joe Venuti, jazzviolist uit de jaren dertig. Venuti was als practical joker bijna een kunstenaar, met een briljant oog voor het beeldende element in zijn grappen. Sommige van zijn creaties zouden in een museumcollectie opgenomen kunnen worden, bijvoorbeeld onder de titel: Installatie met Vijftig Bassisten.
Op een mooie dag in 1944 belde Venuti een bassist voor een optreden en sprak met hem af op een straathoek in New York. Op weg erheen kwam de bassist een bevriende bassist tegen, die dezelfde kant uit moest. Een straat verder voegde zich een derde bassist, met instrument op de schouder, bij het duo. Geenszins van hun stuk gebracht door dit merkwaardige toeval sloegen de drie een hoek om, om op de afgesproken plaats zevenenveertig collega’s te treffen, allemaal met contrabas, allemaal geëngageerd door Joe Venuti. Het verhaal gaat dat Venuti zich in een taxi langzaam op en neer liet rijden langs de furieuze muzikanten, om rustig te genieten van het door hem geregisseerde tableau vivant.
Minstens even legendarisch is Venuti’s ‘Hotelruzie’ – had hij het op video gezet dan zou het zo in het Tate Modern kunnen draaien.
Venuti huurde een kamer op de veertiende verdieping van het Plaza Hotel. Hij gaf de gortier een fooi en fluisterde wat in zijn oor. Daarna nam hij de lift naar de veertiende verdieping, zette de ramen van de kamer wijd op en begon een enorme ruzie. Met zichzelf. Gekrijs, geschreeuw en het gerinkel van brekend glaswerk klonken uit de open ramen. De ruzie liep zo hoog op dat mensen op straat stilstonden en naar boven begonnen te wijzen. De massa groeide, meer en meer voorbijgangers bleven staan om te zien wat er aan de hand was – tot ineens een afgrijselijke schreeuw klonk en de massa geschrokken achteruit deinsde. Een vrouwenlichaam zeilde door het raam naar buiten. Mannen sloten hun ogen, vrouwen vielen in zwijm, het lichaam viel naar het keiharde asfalt – stuiterde een paar keer op en neer en werd toen opgepakt door de portier, die de inmiddels zachtjes leeglopende plastic opblaaspop onder zijn arm stak en er kalm mee het hotel in wandelde.
Hiermee komt Venuti hoog op de lijst van Beste Practical Jokers aller Tijden – maar het is nog niet genoeg om van hem een van de blijvend grootste persoonlijkheden te maken.
Een persoonlijkheid moet ook duurzaamheid hebben, en van Venuti’s muziek is de houdbaarheidsdatum helaas allang verstreken, behalve voor de liefhebbers van oude jazz en andere nostalgici. Als grootste persoonlijkheid zoeken we dus naar een tijdloze onruststoker uit de jazz.
Bijvoorbeeld de vrouw bij wie, als zij zong, altijd de pleuris uitbrak. In één week zevenentwintig vechtpartijen in het café in Philadelphia waar ze zong. Niet omdat ze lonkte of strakke jurken droeg, en ook niet omdat ze de mooiste of meest sexy zangeres was.
‘Ik heb hier meiden gehad,’ zei de eigenaar van het café tegen een journalist, ‘die zich op twee kerels tegelijk gooiden en hun vrouwen die aan hetzelfde tafeltje zaten vonden dat machtig. Billie doet niets. Ze zingt alleen maar Love for sale. Een man aan een tafeltje van vier begint naar haar te kijken. Zijn vrouw heeft er eentje teveel op en die begint te kijken naar de manier waarop haar man naar Lady zit te kijken.’
Allemaal vanwege die stem. Dat krolse miauwen. Die hese verleiding en meteen daarop, als berouw na de zonde, die bijna jubelende misère, omdat het nu ècht niet meer erger kan allemaal, omdat er ècht geen diepere put bestaat dan de put waar waar we nu in zitten. En altijd weer dat stille snikken om het grote onrecht dat Man heet (‘My man don’t love me/ He treats me awful mean’).
Soms loop ik zomers op straat, in mijn roomijskleurige linnen pak, beetje zweet op de bovenlip, door de straten die wachten op regen, en dan hoop ik dat uit een open raam de stem van Billie Holiday zal klinken. Swing brother swing. Of Mean to me, met die sax van Lester Young huppelend op de achtergrond. Desnoods dat ene debiele liedje, A sunbonnet blue and a yellow straw hat. Twee hoedjes die verliefd op elkaar worden. Gaat nergens over, maar Billie zingt het en je wandelt ineens een halve meter boven de straat, een hovercraft van geluk.
Het is altijd weer Scarlatti, Chopin, James Blunt of de Buena Vista Social Club. Maar ik blijf hopen.
jaeggi om 11 februari 2008 11:39
