« november 2007 | Main | januari 2008 »

27 december 2007

het Grote Kerst- en Nieuw Jaarsnummer

Hierbij presenteert de redactie van Het Grote Kerst- en Nieuw Jaarsnummer met trots Het Grote Kerst- en Nieuw Jaarsnummer. Oude klassiekers en nieuwe klassiekers, humor en reflectie, een even rijke als slankmakende selectie om de laatste dagen van 2007 door te komen. We zien u terug in 2008! (of anders morgen, of overmorgen).
Allereerst hieronder, ter overpeinzing, een verslag van de eennalaatste Eenzame uitvaart van 2007, geschreven door F. Starik. (Meer lezenswaard op zijn weblog.)

"Als de dichter van dienst komt aanfietsen staat de voltallige delegatie al klaar. Jaeggi parkeert zijn fiets en draait die niet op slot. Hij is van mening dat wie een fiets van een begraafplaats steelt, die fiets echt nodig heeft. Van Bokhoven, gehuld in een glanzend zwart jasje, een nieuwe meneer van de dienst die Arman heet, met een donkerblauw streepjespak, hij is pas een week in dienst. Zijn achternaam weet nog niemand, in ieder geval Van Bokhoven niet. De vriendelijke, altijd wat nerveuze uitvaartleidster. De muziek die Jaeggi heeft meegebracht wordt doorgenomen met de jonge Degenkamp, vader ligt met zijn dikke buik in de zon op het eiland Lanzarote, vertelt hij. Hij is nooit eerder met de Kerst op vakantie geweest. Kerst is een drukke tijd. ‘Het moet ook niet veel gekker worden.’
We betreden de aula, de muziek zet in. Starry night van Tommy McCook and the Supersonics. Dan stapt Jaeggi naar voren, gaat bij de kist staan en leest dicht bij meneer Hoevelaken zijn gedicht, spreekt half tot de kist, half tot zijn kleine publiek van vier dragers, twee ambtenaren en de uitvaartleidster en tenslotte uw verslaggever van dienst. Voor hij begint te spreken, strijkt hij aarzelend met zijn hand over zijn wang, alsof hij er nu pas aan denkt, dat hij zich al dagen niet geschoren heeft. Hij kucht. Vangt dan bijna aarzelend zijn lezing aan.

Dede Oso

Wie zal je wassen? Wie zal er zingen?
Wie zal foto’s omdraaien, spiegels naar de wand keren?
Wie zal kinderen die nog niet praten
over je heen tillen, en fluisterend je geest bezweren?

Het groot bazuinkoor is niet verschenen,
er komt geen dinari en geen singiman.
Niemand komt je nieuwe huis bekleden.
Wij staan buiten en kijken door het oude raam.

Eén ingelijst groot rijbewijs met brede grijns
anno negentienzevenennegentig. Naast
een schilderij van Nederland. Wij zien verbaasd
hoe je ons schilderde, een Hollandse hoeve,

een os, een hond, een modderpoel. Alsof je hier
geboren was. De planten gaan het niet redden,
maar jij steunde onze jongens door dik en dun
waar wij de moed al hadden opgegeven.

Dag trucker, Amsterdamse Surinamer, dag A. A. Hoevelaken.
Het zal hier wel snel worden opgeruimd.
Het jaar is moe en wij ook, maar voor wij je vergeten
besteden wij dagenlang geen aandacht aan ons uiterlijk.


De dichter van dienst vouwt het papier na lezing in de lengte dubbel, en legt het op de kist. Blijft een moment als in weemoedige berusting staan, geeft meneer Hoevelaken een laatste overpeinzing mee, beent dan gedecideerd terug in het smalle bankje waarin wij ongemakkelijk moeten zitten, leunt naar voren, zwijgt. Adriaan Jaeggi is een man die onmiskenbaar iets gezelligs heeft, een hartelijke, open, goedlachse man, iemand die ondertussen toch altijd scherp oplet, iemand die goed luisteren kan, mensen graag vragen stelt, iemand bij wie men zich gemakkelijk op zijn gemak voelt, iemand die de kunst van het goede humeur verstaat. Iemand van wie je het leuk zou vinden als hij op je feestje kwam. Schrijft veel voor damesbladen, het betere damesblad, hij is heel geschikt voor de doelgroep, het prototype van de leuke man. Iemand die ermee wegkomt dat hij in zijn gedicht zegt: ‘dag trucker, dag Amsterdamse Surinamer,’ bij wie die woorden er zo naturel, warm, oprecht, gemeend uitkomen. Hier is echt iemand dag komen zeggen. Het kleine gebaar vooraf, het strijken over de baard, als om de aandacht op de wangen te vestigen: ‘het jaar is moe en wij ook, maar voor we je vergeten, besteden we dagenlang geen aandacht aan ons uiterlijk.’ Alsof hij zich gedurende de vijf dagen die er verstreken tussen de melding van de uitvaart en de uitvaart zelve doelbewust niet geschoren heeft. Sterk. Een gebaar dat in de vertraging zijn kwaliteit krijgt. Toen hij peinzend zijn hand over zijn wang streek, hadden wij het gedicht nog niet gehoord. Er zit in komische relatiedrama’s dikwijls een scène waarbij de twee verliefden elkaar moeten nadoen, kleine dingen, altijd beginnend met een paar slokken water, en veel handigheidjes later eindigend met het straaltje dat één beider al die tijd in de mond heeft bewaard, tot het warm en kleverig is geworden, dat krijgt de ander dan in de schoot geworpen.
De ander, die de slokjes water allang weer vergeten was, die had ze gewoon doorgeslikt.

The Wedding van Abdullah Ibrahim zet in, klinkt op, sterft uit. Dan neemt de uitvaartleidster plaats achter de lessenaar en zegt dat wij meneer Hoevelaken gedenken met muziek en het gedicht dat wij beluisterd hebben, en dat wij dadelijk, tijdens het beluisteren van het derde muziekstuk, de aula zullen verlaten om hem naar zijn laatste rustplaats te begeleiden. Patria, van Ruben Blades y Son del Solar klinkt op, ritmisch, bijna vrolijk, als om de dragers uit te nodigen in marstempo, op de maat, de fonkelnieuwe baar naar buiten te gaan rijden.
We wandelen achter de nieuwe baar aan de koude grijze middag in. Dankbaar ben ik voor mijn lange onderbroek, mijn dubbele paar sokken in mijn schoenen. Aangekomen bij de laatste rustplaats staan we stil. Stil. Het blijft maar stil. Verwachtingsvol kijk ik na enige tijd opzij naar de uitvaartleidster, maar ze volhardt in haar zwijgen. Dan klinkt er een geluid op als van een watervalletje in een bergbeekje, een bescheiden geluid. De jonge meneer Degenkamp haast zich weg om zijn mobiel op te nemen. We doen maar net of we niks merken, blijven in vrome afwachting stilstaan, starend naar de kist, het in de lengte dubbelgevouwen papier erop. We wachten geruime tijd op zijn terugkeer. De uitvaartleidster moet een stap opzij zetten om hem door te laten naar zijn plek bij het tolletje dat het dalingsmechanisme bedient, de zogeheten graflift. Hij moet op het knopje drukken. Dat is zijn taak.
Tenslotte spreekt de uitvaartleidster, de kleine kudde weer compleet hebbend, dat we een moment stilte in acht zullen nemen voor meneer Hoevelaken. Ten derde male nemen we een moment van stilte in acht. We staren naar de kist met het papier erop. Windstil. Achter ons is iemand hoorbaar aan het tuinieren geslagen, met veel geritsel van plastic, misschien wordt er een kerststukje geïnstalleerd. Onderweg kom je langs veel graven met een kerststukje erop. Opdat men daar beneden zwijgend het Feest van het Licht viere met drie rode glimmende ballen en een tak groen. Dubbele sokken noch lange onderbroeken zijn hiertegen bestand.
Eindelijk is het over en daalt de kist. De uitvaartleidster zegt dat hiermee een eind gekomen is aan de plechtigheid en nodigt ons uit voor een kopje koffie.
‘Schepje zand?’opper ik gelijktijdig met de dichter van dienst.
‘Die eer laat ik u,’ nodigt Jaeggi mij uit om als eerste het vochtige, gele zand op de kist te werpen. Jaeggi volgt, Van Bokhoven en Arman. Dof, noteer ik dan graag, dat het zand met een doffe klap op de kist valt. Voor het donker is geworden zal het oranje karretje met de grote schep de naastgelegen vochtige berg met een paar forse halen de kuil in rijden. Daarna moet het een paar weken inklinken. Inklinken is een mooi woord voor het feit dat de kist onder het gewicht van het zand bezwijkt. Dan wandelen we terug naar de koffiekamer.
Het moet een gezellige man zijn geweest, meneer Hoevelaken. Jaeggi is naar zijn huis gefietst, een benedenwoning, heeft door de ramen naar binnen gekeken. Een zelfgeschilderd landschap, enorm Hollands, een vaandel van Ajax, dat truckersdiploma, waarop hij breed staat te grijnzen, een grote plastic speelgoedvrachtwagen, genoeglijke spulletjes. Iemand die zich graag door zijn raam liet zien. Dit ben ik.
Jaeggi vertelt over zijn afscheidstournee. Hij zal in het kader daarvan bij een paar gewone Amsterdammers op bezoek gaan. Hij zal zelfs een verjaardag bezoeken.
‘Een verjaardag?’, steun ik, ‘neem je dan een cadeautje mee?’ Maar nee, de dichter is zelf het cadeautje.
‘En ga daar dan ook een taartje eten? Met een vorkje op een driezitsbank, tussen twee lijvige personages ingeklemd, het schoteltje op de knieën?’ Dat gaat hij allemaal doen. Hij kan dat. Even later fietst het geschenk op zijn rijwiel dat opnieuw niet is gestolen het terrein af, vol vertrouwen, een dikke groene das om zijn nek geknoopt, terug zijn leven in. Onwillekeurig betast ik de smalle das die ik eenmaal om de jas heb gewikkeld, opdat de kraag zich recht houdt, tegen de tocht in de nek. Wij blijven achter voor nummer 86."


Nog maar één feest te gaan. Dat schiet op. Voor degenen die naa Sint en kerst een beetje zonder inspiratie zitten, hierbij enkele Wenken voor een geslaagd Oud en Nieuw. Ook bruikbaar voor gewone feesten.

Er moet een olifant zijn.
Nu ja, een olifant is meteen weer zo bewerkelijk (vooral bij het opruimen): het mag ook een giraffe zijn. Of een kameel.
Zorg in elk geval dat er iets is waar de mensen nog dagen over kunnen napraten. Wie niet van dieren houdt kan een vriend of vriendin vragen die snel dronken wordt en die bij binnenkomst een vol glas Pimms met een rietje geven. Een half uur later laten ze zich gedwee uitkleden en een halsband omdoen.
Zorg voor vermaak. Poker is populair, maar heeft het nadeel dat degenen die niet meespelen zich buitengesloten kunnen voelen. Dit probleem is in één probleem opgelost als u strippoker speelt. Voor wie niet van poker houdt zijn er tientallen sportieve varianten te bedenken: strip-triviant, strip-Monopoly, strip-kolonisten van Catan.
Het meest essentiële onderdeel van een geslaagd feest is uiteraard de drank. Het is verbijsterend hoeveel mensen hiermee niettemin de fout in gaan. Ofwel bestaat de hele drankvoorraad uit lauwe pils en één fles citroenjenever, ofwel gaat de gastheer zich te buiten aan exclusieve cocktails, waardoor je een kwartier moet wachten op je Ménage a Trois Daiquiri Special en je vervolgens na de eerste slok zo’n knal tegen je hoofd krijgt dat je pas drie dagen later bij kennis komt op de afdeling Zware Coma’s van het AMC.
Wie een geslaagd feest wil maar niet de hele avond op en neer naar de keuken wil hollen met flessen en glazen: maak een bowl punch. Het is makkelijk, goedkoop, en zo ouderwets dat het weer hip is. Punch maak je van een of twee verse, in stukjes gesneden ananassen (of twee ingeblikte), het sap van drie citroenen, een schep suiker, twee van die blikjes vruchten op sap die achter in de keukenkast staan te verstoffen, en verder alle restjes drank die je kunt vinden. Meng dit met ijsblokjes, een fles goedkope belletjes wijn, een flesje tonic of ginger ale, en een fles witte wijn in de grootste schaal die u kunt vinden. Tot slot het geheime ingrediënt: drie koppen (koude) Earl Grey thee. Dit is essentieel, want de theïne in de thee (een heel licht pepmiddel) zorgt ervoor dat iedereen zich prima blijft voelen tot het te laat is. Daarmee is het feest precies op het hoogtepunt afgelopen (we weten allemaal hoe vervelend feesten zijn die te lang doorgaan) en hoeft u alleen de olifant nog naar de stal te brengen. Pas op dat hij niet op de bewusteloze gasten trapt.


Vijfde Kerstdag

- En nog een pond prei alstublieft. Dan ben ik er geloof ik.
- En een pondje prei. Dat wordt dan dertien vijfenzeventig. O nee, dertien vijfennegentig. Zou ik bijna de winst vergeten. Hahahahaha!
- Hahaha. Alstublieft.
- Dankuwel. Gaat u het met de familie vieren?
- Nou, eerste kerstdag komen mijn ouders, en we zijn uitgenodigd bij mijn schoonouders op de tweede
- Wat een ópgave kan dat zijn he, zo die kerstdagen met je familie.
- Nou, eerlijk gezegd vind ik het wel leuk mijn vader weer eens te zien. Die wordt er natuurlijk ook niet jonger...
- En maar mopperen natuurlijk, want dat heb je met die ouwe mensen. Nee, ik ben altijd blij als het weer voorbij is. Er is nooit wat goed of het deugt niet.
- En na het eten een lekkere wandeling op de hei. De Wouwse Plantage, kent u die?
- En dan het wéér! O, vreselijk, ik blijf het liefst de hele dag bij de kachel.
- Lekker even een frisse neus halen, dan voel je je ook niet zo volgepropt
- Ik denk elk jaar weer ik doe het niet meer, ze kunnen allemaal het dak op, maar ja dan sta je toch weer in die keuken met je hazenpeper en je zallem...
- Wat zegt u?
- Zallem. Dat eten wij altijd vooraf, zallem. Op toost.
- O, zalm!
- Ja, dat zeg ik toch? Ik zie het gezicht al van mijn zwager als ik een keer de zallem zou vergeten. Ik zweer het u, die verstouwt in zijn eentje een pond zallem op een avond.
- Tjonge. Nou, ik ga maar weer eens, ik moet ook nog naar de bakker.
- En daarna een soepje. Maar dat maak ik niet zelf. Ik zal daar gek zijn. Ik haal het kantenklaar bij de slager. Niet dan?
- Nog een kerststol kopen…
- Met spijs. Dat nemen wij pas achteraf. Bij de koffie. We hebben het ook wel eens gegeven bij de koffie als de mensen binnenkomen, maar dan heb je geen trek meer tegen dat de gans op tafel komt. En na de koffie heb je toch al snel je borrel en je nootjes en je blokje kaas en je worst. Heb u dat trouwens gelezen? In Engeland kan je voor je kerstdiner een kalkoen kopen die is gevuld met een kip en die is weer gevuld met een eend. Dat is toch walgelijk? Dat zijn toch geen mensen meer? En het was ook nog hartstikke duur.
- Had ik u nou al betaald of niet?
- Ja, nee, dat is in orde hoor. Ja, als je nog een keer wil betalen mag het hoor, we kunnen het best gebruiken in deze tijden. Hahahaha!
- Hahahaha!
- En Derde Kerstdag zijn we gesloten, dat wist u toch?
- Nee, goed dat u het zegt. Derde Kerstdag, ik zal het onthouden.
- En Vierde Kerstdag gaan we pas om 1 uur open.
- Om 1 uur. In orde.
- En Vijfde Kerstdag alleen ‘s ochtends.
- Prima.
- Want wij willen ook weleens uitslapen.
- Tuurlijk.
- En de dag voor Oud en Nieuw sluiten we anderhalf uur eerder. Maar da’s logisch.
- Precies.
- Moet ik het anders niet even opschrijven?
- Nee hoor, dat onthou ik wel. Komt allemaal hier terecht (tikt met een prei tegen voorhoofd. Stukje aarde van de prei blijft ongezien aan neusvleugel hangen)
- Nou, knap hoor, met al die drukte. Mijn hoofd loopt om. Zeg, wil je een sinaasappeltje mee voor de kleine?
- Ach nee, dat is…
- Is goed voor de vitaminen. Zeker in deze tijd. Heb je nog een hand vrij? Wacht, doe je mond even open. Zo, die zit. Heb je nou alles?
- Mmmmm-mmm.
- Mooi zo. Zeg, héle fijne dagen en rij voorzichtig.
- Mmm-mfff.
- Wie van de dames en heren mag ik dan helpen?

beim schlafengehen

Zittend op de rand van het bed trok hij zijn schoenen uit. De eerste viel met een bons en hij schrok, maar er gebeurde niets.
De tweede zette hij zachtjes naast de eerste.
Achter zijn rug hoorde hij haar klein en onrustig snurken.
Hij trok zijn sokken uit en keek naar zijn voeten.
Ze kwamen hem machtig wit en onbeduidend voor.
Ach, eigenlijk viel het allemaal best mee dit jaar, dacht hij.


rooibos

'Koffie?'
'Nee dank je. Anders slaap ik niet.'
'Digestiefje dan? Cognacje, calvaatje...'
'Nee, als ik nu cognac ga drinken val ik meteen in slaap. En dan schrik ik om een uur of vier wakker en lig ik tot een uur of acht te stuiteren.'
'Ik heb ook wel wat zachters. Een Spaanse brandy, of hoe heet dat, van die chocomel met alcohol, Baileys...'
'O nee. Als ik daaraan begin lig ik vannacht om twee uur met een buik als een ballon en om de vijf minuten een opvlieger.'
'Merkwaardig. Glaasje wijn dan nog?'
'De hoeveelste is dit? Derde of vierde? Nee, ik zeg het omdat drie glazen wijn, da's geen enkel probleem, maar als ik verderga begint mijn tong heel raar te doen. Eerst zwelt hij op totdat hij zo'n beetje bijna uit mijn mond hangt, en na een paar minuten krijg ik me toch een jeuk!'

'Aan je tong?'
'Aan mijn reet, nou goed?'
'Okeeee. Word je er soms ook extra agressief van, van wijn?'
'Hoezo?'
'Zomaar. Dus je hoeft helemaal niks meer?'
'Nou... Heb je kruidenthee?'
'Jazekers. Sint Janskruid, kloosterthee, rooibos...'
'Géén rooibos! In godsnaam geen rooibos, dan zijn de gevolgen niet te overzien.'
'Relax, ik maak wel een kopje Sint Janskruid. Hier, geniet ervan.'
'Is dit Sint Janskruid? Het smaakt heel anders.'
'Echt? Even kijken. O, wat stom, dat zie ik nu pas; heeft Elizabeth alle kruidenthee bijelkaar gedaan in één pot.'
'Dus wat drink ik dan nu?'
'Waarschijnlijk rooibos.'
'In dat geval raad ik je aan nu meteen te beginnen met rennen en niet meer om te kijken.'


intelligent design

‘Ben ik hier bij de familie Heer der Heerscharen, ook wel God van Israël? Goedemorgen meneer. Aardig optrekje hebt u hier. Lekker ruim. Beetje aan de donkere kant, maar… O, dat is het het eerste dat u gedaan wilt hebben. Licht. Tuurlijk, zorgen wij voor. Appeltje, eitje. Waar is de stoppenkast? Hoe bedoelt u geen stoppenkast? Heeft u wel een aansluiting? Dat weet u niet? O, u zit hier net. Tja. Dat maakt de zaken wel gecompliceerder natuurlijk. Kijk, alles kan, maar d’r hangt natuurlijk wel een ander financieel kostenplaatje aan.
Mijn zaad vermenigvuldigen? Nou meneer, als het u hetzelfde is hebben we graag cash of met een cheque, alstublieft.
Laten we eerst de toestand maar eens opnemen. Hoeveel lichtpunten had u gedacht? Eéntje maar? Nee, geen probleem - het lijkt me alleen wat weinig. Nou, misschien als u er een sterke spaarlamp indoet. U weet zeker dat u niet wat romantische lichtpuntjes wilt, bijvoorbeeld langs het plafond? Denkt u er anders rustig even over na. Voorlopig: één lichtpunt, verder niks.
Volgende punt. Hemel en aarde scheiden. Ja, dat lijkt me geen overbodige luxe. Ik dacht net, toen ik hier binnenstapte, daar gaan mijn goeie schoenen. Een beetje droge grond kan die meneer wel gebruiken. En gewassen en vruchtbomen, niet te vergeten. Wat had u gedacht, coniferen, sierheester, taxus?
Alles. De hele rataplan. Meneer weet van aanpakken. Nee hoor, geen probleem, ik moet alleen even kijken wat er op voorraad is. Oerbos is een gewild artikel tegenwoordig.
Wat had meneer verder gedacht?
Zon, maan en sterren. Wat voor zon precies? Ons standaardmodel is de Gele dwerg, dat is een oerbetrouwbaar type. Krijgt u 10 miljard jaar garantie op. We hebben ook rode dwergen en zwarte dwergen, maar die gaan minder lang mee. U kunt ook opteren voor een rode reus, spectaculair, dat wel, maar dan moet u erop rekenen dat u binnen een paar miljoen jaar met een supernova zit. Aangezien u net begint zou ik dat afraden. Gele dwerg dan maar? Verstandige keuze. De maan ook maar van het gewone type? Prima, dan doen wij er gratis een paar miljard sterren bij. Service van de zaak.
Mag ik meneer overigens een vrijblijvend adviesje geven? Het ziet er straks ongetwijfeld heel aardig uit allemaal, met die lichtjes en dat bos en zo, maar ook wel een beetje kaal. Nou weet ik wel dat dat de mode is tegenwoordig, strak en kaal, design is het toverwoord, maar zou het niet gezelliger zijn om er wat beweging aan te geven? Een paar dingen waarvan het water wemelt, alsmede gevleugeld gevogelte, allemaal vruchtbaar natuurlijk, zodat ze zichzelf vermenigvuldigen en u niet steeds nieuwe hoeft te kopen. En misschien wat kruipende dieren en gedierte des velds?
Weet u wat? Ik breng de volgende keer wat proefsamples mee, zonder verplichting. Dan probeert u het een tijdje uit en als het niet bevalt laat ik de hele mikmak zo weer ophalen. Geen kosten aan verbonden. Nou, dan zijn we er wel zo’n beetje, dacht ik. Wat zegt u? Mensen? Weet u het zeker? En hoe had u die gedacht? Ik heb een tijdje geleden bij uw buren, heelal hiernaast, een paar hele fraaie intelligente ijskristallen afgeleverd. Die vrouw was wild-enthousiast. Nee? Geschapen naar uw evenbeeld? U zegt het maar. De klant is koning. Even resumeren dan: licht, scheiding van hemel en aarde, droge grond, gewassen en vruchtbomen, gedierte des velds, en mensen naar uw evenbeeld. Staat genoteerd, dat gaan wij even piekfijn voor u in orde maken. Hoe lang? Ik denk dat de hele zaak met een weekje gepiept is. Nee, op zondag werken wij niet. Meneer, ik dank u hartelijk voor de klandizie, u ziet ons maandag verschijnen, stipt negen uur. Nee hoor, ik kom er wel uit. Waar is de deur? Hoe bedoelt u, geen deur?

kletsnatte biefstukjes

Kussen valt in dezelfde categorie als neuspeuteren, masturberen en computerprogrammeren: heerlijk om zelf te doen, maar volstrekt ongeschikt als schouwspel. Kijken naar andermans gezoen vind ik maar marginaal aantrekkelijker dan toekijken bij een liposuctie-operatie. Toch is het vrijwel onmogelijk een dag door te komen zonder met de binnenkant van andermans mond geconfronteerd te worden. Wie kent niet deze situatie: je zit in de trein, onderuitgezakt, met de diepe wens om de komende paar uur geen enkel intermenselijk contact te hebben, en dan gaat de coupédeur open. Een stelletje. Zij giechelt. Hij likt aan haar oor. Zij giechelt nog harder en kijkt intussen de coupé rond.
- Hier dan maar?
‘Hier’ is recht tegenover jou. Je norse blik noch je uitgestrekte benen hebben enig effect: zij schuift over de bank naar het raam met een soort vage vochtige blik in haar ogen die je snel je benen doet intrekken. Bij hem is het spermapeil inmiddels tot halverwege zijn oogbollen gestegen, dus hij merkt sowieso niets meer. Ze zitten nog niet of het kussen begint. Eerst schuchter, met gesloten monden, gespannen lippen die op elkaar botsen als de stootranden van botswagentjes, maar binnen een halve minuut gaan de monden open en zit je te kijken naar twee volstrekte vreemden die elkaar met kletsnatte biefstukjes te lijf gaan. Ik heb weleens iemand horen beweren dat de mens zich onderscheidt van de andere dieren doordat hij als enige gesteld is op privacy bij het paren, maar diegene heeft nog nooit in de nachttrein van Den Haag naar Amsterdam gezeten, zo rond half vier.
Nu hóef je natuurlijk niet met de trein te reizen. Maar zodra je de tv aanzet of naar de bioscoop vlucht beginnen ze wéér. Eerst moet je anderhalf uur wachten terwijl de heldin zich hardnekkig verzet tegen de avances van de mannelijke hoofdrolspeler (geheim agent, briljant jazmuzikant, gespierd aapmens) alvorens ze zich in de laatste minuten alsnog met opengesperde mond aan hem aanbiedt.
Zal ik u eens iets geks vertellen? Ik heb de afgelopen dertig jaar niet één keer meegemaakt dat een vrouw eerst tegenspartelde en daarna toegaf. Al gooide ik mijn volle vijfennegentig kilo in de strijd, het eindigde nooit met zoete overgave maar wel met een knie in mijn kruis. Maar goed, we hadden het over andermans kussen.
Het vreemde aan zo’n filmkus is dat je er volledig in op kunt gaan terwijl je weet dat er op dat intieme moment tenminste vijftien mensen en drie camera’s buiten beeld aanwezig waren, inclusief een manusje-van-alles dat stiekem de jam uit de donuts aan het zuigen is terwijl de rest bezig is met de belangrijkste scène van de film.
We weten ook dat de beste filmkussen meer met techniek te maken hebben dan met passie – of dacht u dat die ondersteboven hangende kus van Spiderman en Mary-Jane in Spiderman I echt lekker was? Natuurlijk niet. Het zag er alleen maar lekker uit, en dat is voor ons, arme smachtenden, genoeg. Want wij krijgen nooit zo’n kus, zo’n zachte, smeuïge, harde, natgeregende, riskante, naar meer smakende kus als Kirsten Dunst kreeg van Toby Macguire. Als wij een keer een gevaarlijke kus krijgen dan lijkt hij eerder op de klassieke gruwelkus zoals Jay McInnerney beschrijft in Story of mij Life: ‘Hij zet me klem tegen de deur en dan zit ik ineens vast aan dat afschuwelijke benige kleine mondje van hem, ik bedoel je kunt je mond openhalen aan de lippen van deze vent en dan heb ik het nog niet eens over zijn tong, een soort reptiel, het doet me denken aan een plaatje dat ik een keer zag in een blad, van die lampreien die zich vastzuigen aan zalmen en hun ingewanden eruit zuigen.’
Er zijn nu eenmaal veel te weinig mensen die goed kunnen kussen. Het lukt de meesten al niet eens een gewone begroetingskus tot een goed einde te brengen – twee keer? drie keer? – om nog maar te zwijgen van degenen die menen dat kussen een vorm van kunstbiljarten is, met een dozijn verplichte lebber-figuren. Kussen is een prachtige kunst, daarom kan ik er niet tegen als ik knoeiers aan het werk zie. Ik bedoel: vraag dan een vakman.


Nog is Polen niet verloren

Jeszcze Polska nie zginęła
Kiedy my żyjemy
(Nog is Polen niet verloren
zolang als wij leven)
- Jósef Wybicki, Mazurek Dąbrowskiego (Pools volkslied)

In de winter van 1999 waren we getrouwd; een koude dag, er viel natte sneeuw op ons terwijl we ons naar de tram haastten die ons naar het stadhuis zou brengen; geen trouwdag zoals je je die voorstelt, maar er was besloten dat we nog snel zouden trouwen voordat ons kind geboren werd, een beslissing waar ik mij geheel aan had overgegeven, en nog geen maand na ons jawoord en de rondvaart met onze vrienden over ijskoude, zwart oplichtende grachten werd het geboren, een meisje, en in de maanden erna was het feit dat mijn tweede roman verscheen hoogstens een onderdeel van een algehele roes, en dat het boek binnen korte tijd na verschijnen herdrukt werd en op de longlists van literaire prijzen verscheen was verheugend, maar bij lange na niet zo belangrijk als de vraag of het kleine meisje die nacht goed geslapen had, of dat het een lange dag met veel huilen zou worden. De gedachte dat het daarna nog zeven jaar zal duren voor er een volgende roman van je verschijnt is niet iets dat in zulke tijden in je opkomt.

Nadat je tweede roman is verschenen kun je niet veel anders doen dan beginnen aan een derde. Ik huurde een werkkamer aan de Weesperzijde, een kamer die door de andere bewoners – een bedrijf dat op een moderne manier aan goede doelen deed, en twee jonge vrouwen die via internet de distributie van bruiloftsgeschenken regelden – de tuinkamer werd genoemd. Hij lag aan de achterkant van het huis, en als ik aan die kamer terugdenk is het eerste wat ik zie hoe ik bij de open deuren zat, met mijn rug naar het bureau, urenlang kijkend naar de tuin of de regen die op een halve meter van mijn gezicht neerdaalde als een grijs gordijn.
Het moet in die tijd geweest zijn dat mijn tweede boek en de schrijver ervan de ronde deden langs de talkshows van Hanneke Groenteman en Paul de Leeuw, en dat er een tweede en een derde druk verschenen. Had ik Held van beroep nog geschreven met in mijn achterhoofd de bevrijdende gedachte dat niemand op een nieuw boek van mij zat te wachten (mijn eerste roman, De tol van de roem, was tenslotte ook door bijna niemand opgemerkt, behalve door een recensent van De Groene Amsterdammer – zijn jubelkreten waren het laatste teken van leven dat dat boek gaf), nu bleek dat ik een groeiend aantal lezers had – en volgens mijn uitgever zouden die moeiteloos worden overgehaald een nieuw boek van me te kopen, mits ik dat nieuwe boek binnen een termijn van twee jaar afrondde.
De mechanica van de verkoop. Een extra stimulans voor het schrijven was het niet.

Ik wist waarover het moest gaan. Over een man die groter is dan het leven zelf, en over zijn bediende. Sancho Panza, dokter Watson, meneer Topwash, Robin (of eigenlijk eerder Alfred, Batman’s bediende), dat waren een paar van de mensen die ik voor ogen had. Deze twee mannen, en de voortdurende worsteling om een voet aan de grond van de werkelijkheid te houden: daarover moest het gaan, en over Nederland, het land waarvan ik houd en dat ik verafschuw. En over Amsterdam.

‘Ze reden stapvoets door de stad, over smalle, bultige grachten waar nauwelijks ruimte was voor een auto van enige afmeting, laat staan voor een limousine. Voetgangers die ze passeerden keken nieuwsgierig en spottend naar de verduisterde ramen, vooral als ze moesten stoppen omdat de weg versperd werd door een bestelauto die verlaten midden op de weg stond. Pas na langdurig toeteren verscheen er een geërgerd gezicht vanuit een deuropening, en na nog enige minuten wachten slenterde de bestuurder langzaam naar buiten, stapte in zijn auto en trok tergend langzaam op.
Pluto zat bij het raam, met zijn handen tussen zijn knieën. Hij keek naar buiten, naar het gebutste zilveren lichaam van het water naast de kade. Ze passeerden donkere silhouetten van woonboten, onbeweeglijke zwarte blokken, en tientallen kleine, half gezonken bootjes die als gehangenen in hun stroppen aan de kade hingen.'

Het enige dat een goed begin nog in de weg stond was de titel: ik had er twee en kon niet kiezen. De eerste titel was ‘Nog is Polen niet verloren’, zijnde de eerste regel van het Poolse volkslied: Marcheer, Dabrowski! Die titel leek alle wanhoop en vergeefs optimisme te bevatten die ik nodig had voor mijn boek. De andere optie was om het boek simpelweg de naam van de hoofdpersoon mee te geven: Pluto.

Als je twee romans hebt geschreven mag je jezelf, ongeacht het succes, een ervaren schrijver noemen. Ik was een ervaren schrijver, maar er bleken dingen te zijn die ik tijdens het schrijven van die eerste twee boeken geleerd had en toch weer vergeten was.
Bijvoorbeeld dat je niet te lang moet nadenken over de titel van je boek. Bij mijn eerste boek wist ik nog voordat ik de eerste zinnen schreef dat het De tol van de roem zou gaan heten – want dat was wat we tegen elkaar zeiden als we ’s nachts na het optreden in de kleedkamer zaten met de band, en het bier op was en we de laatste sigaret tussen ons vijven verdeelden en we nog twee uur door de nacht moesten rijden voor we thuis waren: ‘Ja jongens. De tol van de roem.’
Held van beroep kwam pas toen het boek zo goed als af was. Daarvoor heette het twee jaar lang De Lange Weg naar Huis.
Het nadenken over de titel van mijn derde boek nam dat eerste jaar een groot deel van mijn werktijd in beslag. Ik zat in de tuinkamer en schreef dagelijks, maar steeds met het idee in mijn achterhoofd dat ik pas echt kon beginnen als ik had besloten wat de titel zou zijn.

Als je achteraf terugkijkt op een jaar en probeert te bedenken wat je gedaan hebt kom je vaak niet veel verder dan dat je elke dag drie maaltijden hebt gegeten en dat Kerstmis dit jaar eigenlijk wel meeviel. Aan het einde van het eerste jaar waarin ik aan Pluto werkte kon ik bogen op drie doorbraken:
1 Pluto was een werktitel;
2 ik had de namen gevonden van nog drie belangrijke hoofdpersonen, waaronder Pluto’s lijfarts Vera Alvarez;
3 de kroonprins van Nederland zou, in een fictieve gedaante, een belangrijke rol krijgen in het boek.

Voorzover ik me kan herinneren heb ik het tweede jaar dat ik aan Pluto (werktitel) werkte vooral geschreven aan het eerste hoofdstuk. Ik denk dat ik het in totaal een keer of tachtig herschreven heb. Want ook die les bleek ik vergeten: het eerste hoofdstuk dat je schrijft wordt niet het eerste hoofdstuk.
Aan het einde van dat jaar schreef ik op mijn weblog, dat ik inmiddels trouw bijhield, ondanks de voortdurende druk van columns, recensies en verhalen die ik ook moest schrijven: ‘Drie stewardessen met massieve benen stonden in de ingang van het Farewell café.’ En daaronder schreef ik: “Dit is misschien niet zo'n hele spectaculaire zin, maar ik heb er drie weken over gedaan om het juiste woord voor die benen te vinden. Dus wat mij betreft is dit een mooie vangst.”

Je kunt ongeveer drie jaar ongestoord schrijven aan een boek, als je geluk hebt, maar dan begint je omgeving zich te roeren. Je uitgever wil weten of het boek al ‘in de aanbieding kan’ en komt met een flaptekstje aanzetten; je huisgenoten beginnen zich af te vragen of die eindeloos lijkende opgraving waar je aan bezig bent nog een keer resultaat gaat opleveren; en in de steeds wijder wordende kring van vrienden, kennissen en vage bekenden zie je steeds vaker het spottende glimlachje dat betekent: ‘Hoe gaat het met je boek?’
Het is heel moeilijk uit te leggen dat je zelf al vier jaar lang niet weet hoe het met je boek gaat.
Een schrijver moet zich zo min mogelijk kunnen aantrekken van storende factoren als fans, publiek, uitgevers en recensenten. De belangen van die groepen staan lijnrecht tegenover de zijne. Waar hij behoefte heeft aan afzondering, bieden zij de wereld. Waar hij discipline nodig heeft, en concentratie, storten zij belangstelling, publiciteit en meningen over hem uit.
Vergelijk het met de scene in de film Bruce Almighty, waarin Jim Carrey als plaatsvervanger van God de gebeden van al zijn discipelen tegelijkertijd in zijn hoofd hoort weerklinken.

In die tijd schreef ik: ‘Weet je wat dat is, vergetelheid? Het is de grote prijs die aan het eind van je leven op je ligt te wachten. Nooit meer herinnerd worden aan je fouten, aan je gemiste kansen, de schaamte die in je verleden ligt te etteren en nooit meer zal genezen, al het ongewroken verraad: alles lost uiteindelijk op in de vergetelheid. Ik stel het me altijd voor als het drijven in een ijskoude zee waarin alles van me losgeweekt word en wegdrijft, en ik verstijf langzaam en alles komt langzaam tot stilstand terwijl ik steeds dieper wegzink in het koude donker dat me van alle kanten insluit.'
(Pluto, hoofdstuk 17)

Ik boog me dieper over het toetsenbord van mijn computer. Ik schreef elke dag, en als ik niet schreef dacht ik aan alle verschillende verhaallijnen in Nog is Polen niet verloren, en hoe ik die aan het einde kon samenbrengen in een wrang, onverwacht en toch logisch einde.
De zomer van het vierde jaar, en de zomer van het vijfde jaar miste ik het grootste deel van de vakantie omdat ik vond dat ik moest schrijven. Het kleine meisje, en het nog kleinere meisje dat er inmiddels bijgekomen was, gingen met hun moeder naar de camping en het strand. Enkele dagen voegde ik me bij hen, daarna haastte ik me terug naaar Amsterdam, omdat ik plotseling een nieuwe wending had bedacht die het einde van het boek zienderogen dichterbij bracht.
In die tijd schreef ik: ‘Het verlangen is weg, voorgoed, gestorven, achtergebleven op een treinstation bij een haastig vertrek. 
Ik heb geen verlangens meer, behalve, als het me vergund is, nog eens een nacht ongestoord slapen en ‘s ochtends uitgerust wakker worden.’

In de zomer van 2006 gingen wij met enkele vrienden op vakantie naar een eilandje ergens in het midden van de Middellandse Zee. Ik nam het inmiddels bijna voltooide manuscript mee.
Op de vierde nacht van onze vakantie werd ik midden in de nacht wakker. Ik voelde mij volkomen verlaten. Ik tastte naast mij. Het bed was leeg. Mijn hand dwaalde naar het nachtkastje, waar ik het manuscript had neergelegd. Ook dit bleek verdwenen.
Na een kwartier rondstommelen door het huis en door het diepe warme duister buiten vond ik haar, gelegen op het bed van een van onze jongste dochter, lezend in het manuscript. Toen ik zacht haar naam riep keek ze niet op.
De volgende middag rond een uur of drie – we lagen op het strand - sloeg ze het dicht, en zei: ‘Uit.’
Het duurde daarna nog meer dan een week voordat we het erover durfden hebben. We waren weer thuis, we zaten bij het open raam tegenover elkaar als twee kemphanen: de een met de autoriteit van zes jaar volharding, de ander met de autoriteit van de onverbiddellijke waarheid.

Anderhalf jaar na dat gesprek verscheen mijn roman Edele dieren. Het boek begon aldus: ‘Aan de ruige kust van de Tyrheense Zee, halverwege tussen Napels en het vulkaaneiland Stromboli, staat een groot, ouderwets huis met de kleur van verschoten rozen. Hoge, gereserveerde palmen wuiven de blozende gevel koelte toe, en weren nieuwsgierige blikken van de vreemdeling die vanuit het twaalf kilometer verderop gelegen stadje Santo S* hier passeert en zich afvraagt wat zich achter de hoge muur en de strenge ijzeren hekken afspeelt.’
De recensies waren gemengd. Het boek werd na een maand herdrukt, en er werd, en word nog steeds gesproken van een eventuele verfilming.

De zomer nadat mijn derde roman uitkwam was een echt Nederlandse zomer: maandenlang wachtten we erop dat hij zou beginnen, en toen bleek hij alweer voorbij. Wel zwom ik bijna elke dag met mijn twee dochters, die in de tussentijd lange benen hadden gekregen.
In de herfst van dat jaar begon ik te schrijven aan mijn vierde roman, over een man die groter is dan het leven zelf, en zijn bediende. Eén ding wist ik al: het boek zou geen Pluto gaan heten. Ook nam ik afscheid van Nog is Polen niet verloren.

Dit stuk zal eerdaags verschijnen in het ‘writers block’-nummer van Bunker Hill, al lijkt het erop dat de redactie van dat blad momenteel last heeft van een ernstig ‘verschijnings-block’, als zoiets bestaat. Voor hen, en voor u allen de beste wensen in 2008. Het eerste decennium zit er alweer bijna op. .

Posted by jaeggi at 10:45 am

26 december 2007

het verschil


Mannen knopen hun sjaals.
Vrouwen wikkelen.

Posted by jaeggi at 12:39 am

24 december 2007

dan gaan er meer

Het is kerst, dan gaan er meer.
Dat was de ondubbelzinnige boodschap van de man die ik vertelde dat ik nog een Eenzame uitvaart te gaan had, drie weken voor het einde van 2007.
Vandaag vond hij plaats. Hieronder de gegevens en het gedicht. Een verslag van de gebeurtenis verschijnt eerdaags op Starik’s weblog.
Twee dingen wil ik er alvast van zeggen: in mijn werk als stadsdichter heb ik bij de eenzame uitvaarten altijd ondubbelzinnig het gevoel gehad dat het zinvol werk was; al moet ik ook de man gelijk geven die zich afvroeg wat het voor nut heeft voor iemand die al dood is een gedicht te maken, en begrijp ik ook de jonge schrijfster die op de achterpagina van NRC schreef dat ze het liefst een verzekering zou afsluiten tegen een dichter die aan haar graf een gedicht komt lezen.
Dan nu het gedicht, mijn eennalaatste als stadsdichter (tenzij burgemeester Cohen, Adrie Koster of Peter Beense erin blijven, deze kerst. Laat ons bidden voor hen en ons en onze ontembare gedachten).


Eenzame uitvaart nummer 85

I.M. Albert August Vianen, geboren 22 april 1948, Paramaribo † 11 december 2007, Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, Amsterdam.
Begraafplaats St. Barbara, maandag 24 december 2007, 13.30 uur. Dichter van dienst: Adriaan Jaeggi

Meneer Vianen was ongehuwd. Hij woonde in de Hembrugstraat, op nummer 116. Hij heeft een dochter, in 1981 geboren in Haarlem, die twee maanden na haar geboorte is verhuisd naar Beverwijk, naar we mogen aannemen met haar moeder. Dochter woont nog steeds in Beverwijk, alwaar zij geen telefoonaansluiting heeft. Er is door de Dienst een brief naar haar adres verzonden maar daarop kwam geen reactie.
Meneer Vianen had een uitkering van de DWI. Zijn benedenwoning wordt omschreven als erg rommelig en vol. Een allegaartje. Nu vindt Van Bokhoven een woning al snel rommelig en vol, hij is meer van het weggooitype. Voor het raam prijkt een diploma, een groot rijbewijs.


Dede Oso

Wie zal je wassen? Wie zal er zingen?
Wie zal foto’s omdraaien, spiegels naar de wand keren?
Wie zal kinderen die nog niet praten
over je heen tillen, fluisterend je geest bezweren?

Het groot bazuinkoor is niet verschenen,
er komt geen dinari en geen singiman.
Niemand komt je nieuwe huis bekleden.
Wij staan buiten en kijken door het oude raam.

Eén ingelijst groot rijbewijs met brede grijns
anno negentienzevenennegentig. Naast
een schilderij van Nederland. Wij zien verbaasd
hoe je ons schilderde, een Hollandse hoeve,

een os, een hond, een modderpoel. Alsof je hier
geboren was. De planten gaan het niet redden,
maar jij steunde onze jongens door dik en dun
waar wij de moed al hadden opgegeven.

Dag trucker, amsterdamse Surinamer, dag A. A. Vianen.
Het zal hier wel snel worden opgeruimd.
Het jaar is moe en wij ook, maar voor wij je vergeten
besteden wij dagenlang geen aandacht aan ons uiterlijk.


Amsterdam, 24 december 2007


Posted by jaeggi at 11:56 pm

20 december 2007

het grote kerstnummer

(Dinsdag a.s. verschijnt Adriaans Grote Kerstnummer, Heerlijk Lezen voor de Feestdagen, op dit weblog. Hierbij alvast een voorproef. Zie het als zo'n lepel met opgekrulde steel met een kwak zalmmousse die je tijdens de borrel krijgt.)


Kerstdiners in de jaren ’70 waren het gevaarlijkst.
Achteraf prijs je je gelukkig dat je ze allemaal hebt overleefd, die explosieve combinatie van opgekropte spanning over het kerstmenu, oud familiezeer en kokendhete fonduepannen. Benjamin Franklin zei ooit: er zijn twee dingen in het leven onvermijdelijk, de dood en de belastingen, maar aan dat historische duo kunnen we gerust een derde toevoegen: het kerstdiner. De ene helft van de mensheid ziet het als een langdurige, verplichte marteling en zou het het liefst overslaan, maar dat is onmogelijk, want dat zou de andere helft van de mensheid een acute hartaanval bezorgen.
‘Hebben jullie al besloten wat jullie doen met Eerste Kerstdag?’ Ergens vroeg in oktober komt het eerste telefoontje, en je weet dat je de komende weken belegerd gaat worden met op het oog onschuldige, maar steeds dwingender vragen, zoals: ‘Je weet toch dat wij op Tweede kerstdag weg zijn? Dan zijn we bij oom Ab en tante Martha, weet je nog? Hun kinderen geven elk jaar een groot kerstdiner voor de hele familie. Zo leuk. Jullie zijn natuurlijk ook uitgenodigd, maar ik heb maar gezegd dat jullie het waarschijnlijk te druk hebben voor twéé kerstdiners. Toch?’ En terwijl je een uitweg probeert te vinden uit dit doolhof vol schuldgevoel en hete kolen, dwalen je gedachten af naar kerstdiners van voorgaande jaren. Hoe erg was het ook alweer? Je kunt meestal wel op je geheugen vertrouwen om de ergste herinneringen wat te verzachten, maar rond kerst lijkt het allemaal om de een of andere reden achteraf nog schrijnender dan het was. Sommige relletjes waren vrij onschuldig, zoals toen de hond tijdens de feestelijke borrel (gevulde eitjes met een toefje nepkaviaar) de kamer binnenkwam en, met zijn kop tegen het roomwitte tapijt gedrukt en zijn ogen halfdicht geknepen zijn kort daarvoor verorberde snack op het tapijt kotste: A Merry Christmas with John Denver, de cassette die je vader elk jaar draaide bij de After Eight.
Het verhaal met de hond werd een vast hoogtepunt bij latere kerstdiners, maar dat gold niet voor de anekdote over het kerstdiner waarop jongste zus S., toendertijd veertien, in haar nieuwe zwarte jurkje met een ravijndiep decolleté de trap af kwam. Vader greep naar zijn hart. Moeder liet het deksel van de soepterrine vallen. Duizend scherven. Het duurde bijna tot Oud en Nieuw voor de betrrekkingen weer enigzins genormaliseerd waren. Van het zwarte jurkje werd nooit meer iets gehoord.
Achteraf was het misschien wel enigzins begrijpelijk. Een kerstdiner is nu eenmaal niet de meest ideale gelegenheid om te ontdekken dat je kinderen tot volwassen mensen zijn uitgegroeid – maar het geeft ook aan dat de generatiekloof nimmer zo diep gaapt als tijdens die wondere dagen rond Kerst. Op dat moment word pas echt duidelijk dat jij en je familie echt niet voor mekaar gekozen zouden hebben, gesteld dat iemand de keus had gehad. En hoe ouder iedereen wordt, hoe zichtbaarder al die gapende verschillen worden. Ik ben vast niet de enige die weleens het gevoel heeft gehad dat hij om de tafel zat met een stel wezens die een paar uur daarvoor uit een ruimteschip waren gekropen. Wezens die hun menselijke vermomming bepaald niet als gegoten zat.
Het onbehaaglijke gevoel dat je daarvan kunt krijgen wordt vaak nog versterkt omdat tijdens Kerst achteloos de wetten van de natuur voor een paar dagen worden opgeschort. Familieleden die al jarenlang vreedzaam uit elkaar aan het groeien zijn, die naar volle tevredenheid elk jaar weer elkaar’s verjaardagen vergeten, worden ineens bijeen gedreven alsof ze nog samenwonen. Het is vragen om moeilijkheden: zonen slapen ineens weer op hun oude jongenskamer, tussen de strijkplank en stapels strijkgoed, dochters worden met hun hele gezin bijeengedreven op de logeerkamer, waar één van haar eigen dochters al in het eerste uur een dierbaar spiegeltje van oma breekt. Oma laat zich niet kennen en troost het ontroostbare kleinkind. Achter haar staat haar eigen dochter, die snakt naar een sigaret en weet dat dit voor de rest van haar leven de kerst zal zijn waarop ‘jullie toen even niet opletten en één van de kleintjes toen grootmama’s antieke spiegeltje brak, weet je nog?’
Uit arren moede gaat ze meteen bij het voorgerecht maar in de aanval: ‘He get mam, ganzenlever! Dat kun je toch niet meer op tafel zetten? Dat kan echt niet hoor.’
Oma kijkt naar haar kleinkinderen, die op het woord ‘ganzenlever’ gehoorzaam alles uit hun mond hebben laten vallen. Ze kijkt naar haar man, die doet alsof hij dover is dan hij is. Hij likt met een onschuldig gezicht zijn mes af.
‘Nou, wat een onzin. Eén keertje per jaar kan dat toch wel?’ probeert ze. Dapper, maar kansloos. Voor ze het weet is ze verzeild in een oeverloze discussie over dierenrechten, bio-industrie en slachthuizen, terwijl in de keuken de hertenbiefstukjes staan te verpieteren.
‘He jongens, laten we nou één avond gezellig doen,’ roept ze tenslotte wanhopig, maar te laat. Haar man heeft zijn bord leeg en stort zich vol overgave in de discussie. Terwijl zij met de nauwelijks aangeraakte ganzelever naar de keuken sloft hoort ze nog net hoe hij haar hoop op een ouderwets familie-avondje rigoureus de nekslag geeft: ‘Ja, wij zitten hier nu wel lekker te eten, maar in Darfur woedt dus al drie jaar een gruwelijke oorlog, jongens, realiseren jullie je dat eigenlijk wel?’
Ook dat is onvermijdelijk bij kerstdiners: op een gegeven moment komt onherroepelijk het wereldleed ter tafel. Het passende moment hiervoor is als de jongere generatie een paar flessen van de oudere generatie heeft geleegd en vervolgens die oudere generatie verwijten gaat maken over oorlog, honger en onrecht. Aangezien John Denver een aaantal jaren geleden door de hond opgevreten was deden wij dit in achtereenvolgende jaren onder begeleiding van respectievelijk A merry Christmas with Nat King Cole, A whiter shade of Christmas with Procol Harum, gespeeld door het Roemeens Staatsorkest o.l.v. Zoltan Cwarczyck en Swinging Christmas with Tom Jones, platen die ook tot het vaste repertoire behoren in Satan’s privé-disco.

Er was één jaar dat we...

Er was één jaar dat we een manmoedige poging deden om alle valkuilen uit voorgaande jaren te vermijden. Dat was het jaar dat het kerstdiner plaatsvond in de Prins Johan Friso-zaal van hotel/partycentrum d’ Oude Smidse. ‘Sfeervol en romantisch tafelen met live muziek,’ las mijn moeder verlekkerd voor uit de folder.
Het vreemde is dat ik me juist van die avond niets meer herinner. Was dat niet de avond dat ik, net elf geworden, de hele avond onder tafel doorbracht met mijn twee buitenlandse nichtjes en zij me alle nuances uit de doeken deden van het grote mysterie vrouw, en van het uitdrinken van de halflege glazen die grote mensen lieten staan? Was dat niet de avond dat voor het eerst van mijn leven mijn maag werd leeggepompt? Ik weet het niet meer. Daarom heb ik op het internet maar eens gezocht of die sfeer van toen nog steeds bestaat. Het was een heuglijke ervaring: er mag dan veel veranderd zijn sinds de jaren ’70, de muur is gevallen, de gulden verdween en Saddam ook, maar één ding bleef onwrikbaar hetzelfde: het Kerst-arrangement.
Het kerst-arrangement is een oer-Nederlandse traditie waarbij geen enkele bevolkingsgroep wordt overgeslagen. Familie’s, alleenstaanden, happy singles, homo’s, bi’s en weet-nog-niet’s: voor iedereen bestaat een kerstarrangement op maat. Van linedancers (met kerstboom in Westernstijl!) tot nomadenstammen (tot elkaar komen in een originele Comanche zweethut). En voor degenen die al die poespas maar overdreven vinden, die gewoon een gezellig en voorspelbaar kerstdiner willen hebben, is er de aanbieding van de PartyCompany: ‘Onze kerstdiners zijn altijd onbeperkt qua eten en drinken en in buffetvorm.’ Je ziet de kudde dronken ooms al de polonaise dansen op het desertbuffet.
Het kan ook beschaafder. ‘Sfeervol & romantisch tafelen met live muziek,’ biedt Landgoed Robacher's Watermolen aan. ‘Om 18.00 uur worden de gasten rondom de brandende open haard op "De Deel" of in "De Weinstube" onthaald met een feestelijk aperitief van Kir Royale, (met of zonder alcohol), waarbij het Robacher team u en uw gasten persoonlijk welkom heet. Vervolgens een informeel samenzijn, rondom de sta-tafels (zitgelegenheid is aanwezig) met dranken naar keuze uit het drankenarrangement. Om 18.45 uur wordt een ieder uitgenodigd plaats te nemen aan de feestelijk ingedekte tafels voor de eerste gang van het luxe 7-gangen meerkeuze Kerstdiner/Dansant.’
Diner-dansant! Het bestaat nog! En wij maar denken dat het uitgestorven was, samen met de berberleeuw en de Sumatraanse neushoorn. Een diner-dansant. Als er nou íets is dat wij ons voornamen toen wij het huis uitgingen, dan was het om nooit van onze levensdagen een diner-dansant te geven. En dus raakten wij in de jaren ’80 en ’90 verzeild in een vicieuze cirkel van andere, betere en hippere manieren van kerst vieren. Ergens halverwege de jaren ’90 hoorden wij onszelf aldus zeggen: ‘Schat, Job en Imme gaan dit jaar weer wandelen op de Mookerse hei. Daarna maakt Imme haar Vlaamse wildstoofpot en gaan we konijnen in het wild spotten. Wil je dat? Anders kunnen we naar Boudewijn en Ingeborg, die geven dit jaar een water-en-brood-diner, en al het geld dat we op het eten uitsparen gaat dan naar goede doelen. Dat is toch leuk? Anders wordt het eten bij Floris en Everard. Dat begint om een uurtje of twee al, want het wordt een twintig-gangen-diner. Ze hebben het er al maanden over. Wel alles strikt vegetarisch, natuurlijk, je weet hoe ze zijn. Goh. Twintig gangen. Ik wist niet eens dat er zoveel soorten groente bestonden.’
Uiteindelijk belandden we die kerst bij mensen die we via-via kenden, om niet te zeggen via-via-via-via. De ontvangst was uiterst hartelijk, en we hadden ons glaasje cider nog niet achterovergeslagen (we hadden dorst) en het minibakje exquise nootjes dat we erbij kregen nog niet weggeslikt (we hadden honger) toen de gastvrouw zich midden in de kamer opstelde met een vel papier in haar hand. Wij verwachtten een gedicht.
‘Lieve vrienden,’ sprak de gastvrouw op gedragen toon, ‘vanavond beginnen wij met een carpaccio van venkel, radijs en pata negra. Daarna vervolgen wij de maaltijd met een tompoes van Baltische makreel, gevolgd door hazenrug met witlofschuim...’
Van het eten herinner ik mij niets. Ik weet alleen nog dat ik die avond veel aan Elisabeth David dacht. ‘Als het aan mij zou liggen,’ schreef ze in Elizabeth’s David’s kerstmis (Het Spectrum, 2003), ‘zou mijn kerstmaaltijd bestaan uit een omelet en een plak koude ham met een lekkere fles wijn tussen de middag en ’s avonds een sandwich met gerookte zalm en een glas champagne op een dienblad in bed.’
Zou dat geen fijne kerst zijn? ‘Hallo jongens, fijn dat jullie er zijn. Wij gaan naar boven met onze omelet en ons glaasje champagne. Zetten jullie de video met A Christmas Carol maar aan. In de broodtrommel liggen nog wat soepstengels. Veel plezier, enneh… Merry Christmas.’
Maar het kan niet. Het is onmogelijk, alleen al omdat we nu zelf de verantwoordelijkheid hebben voor onze kerstdiners. Hoe het gekomen is weten we zelf eigenlijk niet. Op een gegeven moment zei iedereen: Is het weer bij jullie dit jaar? We hebben de verantwoordelijkheid nog een paar jaar van ons af weten te schuiven door feestjes te geven waarbij we een feestelijke kerstpunch maakten van wat iedereen aan drank had meegenomen (wat bijvoorbeeld neerkwam uit op een punch samengesteld uit champagne, zoete Duitse wijn, jenever, Blue Curacao, Port, Cointreau, citroensap, een fles Drambuie en een blik ananasblokjes). En daarna bleef iedereen slapen, want niemand kon zijn auto meer vinden.
Maar toen kwamen de kinderen. De eerste paar jaar was dat geen probleem, al had één van ons continu dienst in de babykamer, want baby’s hebben een zesde zintuig voor feestjes en hebben tevens een uitgebreid arsenaal aan taktieken om je feest te ontregelen, van super-kotsaanvallen tot zeer overtuigend schijndood spelen.
Maar dat was allemaal kinderspel vergeleken met de jaren die volgden, toen de blikken waarmee ze ons aankeken boven de pompoensoep (konijn en ree waren al jaren daarvoor van het menu afgevoerd, toen de oudste op haar vraag: ‘Lekker. Wat is dit voor vlees?’ het antwoord ‘Konijn!’ kreeg, waarna ze zich opsloot in de wc en daar de rest van de avond kokhalsgeluiden ging zitten maken) steeds genadelozer werden. Natuurlijk vroegen wij ons af, als moderne, betrokken ouders, wat we in hemelsnaam fout deden – maar we hoefden maar even in ons geheugen te graven om weer te weten hoe walgelijk amicaal onze ouders werden na de reerug en de dessertwijn. Dan gingen ze aan elkaar zitten. En stomme liedjes brullen bij de piano. Dezelfde dingen, kortom, die we tegenwoordig zelf graag doen, als we een gezellig feestje hebben.
En eindelijk begrijpen we waarom onze ouders met kerst rondliepen met zulke verwonderde, glazige blikken, alsof ze een klap op hun hoofd hadden gehad. Ze zagen hoe de geschiedenis zich herhaalde, in het engelenhaar, de kerstkransjes, de lichte brandgeur die in huis hing, de scherven van de kerstballen aan de voet van de boom. Ze zagen hun eigen ouders rondlopen met kerst: en nu, in exact hetzelfde decor, waren ze zelf de ouders. De mensen waarover Frans Halsema zo onvergetelijk zong: ‘Tweede Kerstdag, kwart voor drieën, vader heeft nou al genoeg/ van de kerstkrans en de kaarsjes/ en het begon al zo vroeg./ Hij telt op: twee kinderruzies, echtelijk misverstand/ Twee ballen/ gevallen/ En bíjna brand: Kyrie Eleis’.
Misschien moeten we het dit jaar eens helemaal anders doen. Wel een boom, geen engelenhaar. Zeker geen boom versierd met lingerie van de gasten, zoals we ook weleens gedaan hebben – een Kerst om snel te vergeten. Geen kerstarrangement en geen Merry Christmas with Robbie Williams. Geen steeds wijder wordende generatiekloof tussen ons en de kinderen, nog even niet. We besteden ze uit. Nee, niet aan een pony- of zeilkamp: aan andere ouders. Zij krijgen de onze, wij die van hen. Het is de ideale oplossing. Als onze kinderen na kerst met terugkomen met griezelverhalen over de liederlijke kerstviering bij anderen, kunnen wij ze met de hand op het hart verzekeren dat wij nóóit zo gek zouden doen met Kerst – dat doen alleen andere mensen. En tegen de tijd dat ze daar dwars doorheen kijken is het vast wel weer tijd om de fonduepan en het Triviantspel uit de berging te halen. Dat is tenminste een geruststelling: op een goed moment beginnen ook kinderen naar vroeger te verlangen.

(dit artikel verscheen deze week ook in het tijdschrift Linda))


Posted by jaeggi at 11:44 am

18 december 2007

elf


Dit is de engste Kerstsite tot nu toe.


Posted by jaeggi at 09:36 am

verschoven

Onderstaande uitzending is verschoven naar vandaag: de AT5 nieuwsuitzending van 18.20 dus. Als het een beetje meezit komt de hele Ode op de Brouwersgracht erin.


Posted by jaeggi at 08:58 am

17 december 2007

afscheidstournee: nieuws

Vanavond in het AT5 nieuws van 18.20 (en gedurende de avond vele malen herhaald): een kort interview over de stadsdichter en zijn afscheidstournee.
Die voerde gisteren overigens naar Café Eijlders in de Korte Leidsedwarsstraat. Er was een macht aan dichters komen opdagen, want uitbaatster en initiatiefnemer van de dichtmiddagen Mieke van Beeren nam afscheid.
Onderweg van huis naar Eijlders kwam het volgende lofdicht aanwaaien, dat ik later op een biervilt heb geschreven en ter felicitatie heb overhandigd:

Wie stak die dichtbundels
zo knap in de kleren?

Wie laat in Eijlders
poëzie presenteren?

Van wie kan Els Iping
nog heus wel wat leren?

Dus wie moet de stad
met een legpenning eren?

(allen:)
Mieke van Beren!

De volgende halte op de afscheidstournee is komende week bij de familie Sp. thuis, ter gelegenheid van de verjaardag van de pater familias.


Posted by jaeggi at 02:58 pm

zinnen die je dag om zeep helpen


'Wie heeft de printer verplaatst? Die stond daar toch goed?'


'Jij vindt het vast niet erg om ...'


'We moeten even praten.'

Posted by jaeggi at 10:51 am

13 december 2007

leeslogboek

Onderstaand stuk verscheen deze week in het tijdschrift Lezen.
Ik zal in het vervolg vaker een leeslogboek plaatsen, met een keuze uit de oogst van de weken daarvoor. Het idee van een Leeslogboek is niet geheel nieuw, beroemd is Nick Hornby's leeslogboek in The Believer, The Polysyllabic Spree - maar er is niets mis met het jat... adapteren van een goed idee (Onderaan het artikel een lijstje van boeken die momenteel op de Te lezen-stapel liggen).

Ik heb gelezen over de massamoord in Rwanda, over alomvattende liefde en over de hilarische en melancholiek stemmende belevenissen van een Nederlandse schrijver in Rusland – maar niets heeft de afgelopen maand zoveel indruk op me gemaakt als de ontdekking waar ons eten vandaan komt. Voor mij is dat ongeveer hetzelfde als de ontdekking van de bron van de Nijl.
De vraag houdt me al bezig sinds ik ooit in een nachtelijke snackbar een bereklauw zat weg te werken – een bereklauw is een combinatie van tot ver voorbij het punt van eetbaarheid gefrituurde uienringen en schijven gehakt aan een satéprikker - en ik vlak voor het moment dat de laatste hap mijn lippen zou raken ineens dacht, ja maar wacht even: wat zit ik hier nu eigenlijk te eten? Ik ben niet de enige die zich dit afvraagt. In de tijd dat ik medewerker was aan de Volkskeuken, de kookrubriek van de Volkskrant, was het de meest gestelde vraag die wij van lezers kregen: waar komt het vandaan, door welke handen is het gegaan en vooral, hoe kom ik daar achter? Ik had daar nooit een echt goed antwoord op. Van een zak aardappelen kun je meestal met redelijke zekerheid zeggen waar en wanneer ze uit de grond zijn getrokken, maar hoe zit dat met pindakaas? Met saksische leverworst? Met chocolade muisjes? Om niet te spreken van de duistere en vrijwel onnaspeurbare wegen die grondstoffen moeten gaan om uiteindelijk te belanden in een negerzoen.
Een deel van de waarheid over ons voedsel (en dan heb ik het niet zozeer over de kropsla van de groenteboer, maar over al het industrieel geproduceerde voedsel, dat meer dan 70 % van onze totale voedselconsumptie uitmaakt) vond ik bij het lezen van The Omnivore’s dilemma van Michael Pollan, dat al enkele maanden in de New York Times bestseller lijst staat (vertaling van mij, AJ): ‘Toen ik de weg langs onze industriële voedselketen begon terug te zoeken verwachtte ik aanvankelijk dat die zoektocht me op veel verschilende plaatsen zou brengen. En hoewel mijn reizen me langs een groot aantal staten voerden, en ik vele kilometers aflegde, aan het eind van deze voedselketens (of beter gezegd: helemaal aan het begin) bevond ik mij iedere keer weer op vrijwel dezelfde plek: een akker in de Amerikaanse Corn Belt. (-) Maïs voedt de stier die een steak wordt. Maïs voedt de kip en de big, de kalkoen en het lam, de meerval en de tilapia. Zelfs de zalm wordt genetisch verbouwd om maïs te leren eten.’ Waarna Pollan helder uiteenzet hoe je, als je een emmer Chicken McNugget eet met een beker cola, je in feite je hap maïs wegspoelt met een slok maïs (bio-industriële kippen eten ontzaglijk veel maïs; de meeste softdrinks worden gezoet met fructosesiroop uit, precies, mais).
Nu gaat dit boek vooral over Amerika, en de toestand daar is, als ik goed ingelicht ben (en dat ben ik), nog een paar graden hopelozer dan hier. Niet alles wat Pollan beschrijft gaat dus letterlijk op voor Europa. Wij bieden onze fokdieren bijvoorbeeld nog de keus tussen maïs en soja. Maar ik verlangde na het lezen van dit boek sterk terug naar de tijd dat ik een hap eten in mijn mond kon steken zonder erbij na te denken. Zelfs al ging het dan om een diep donkerbruin gefrituurde bereklauw.
Ik las nog een boek over eten, maar daar werd ik een stuk vrolijker van. In het autobiografische Kitchen Confidential vertelt de beroemde New Yorkse kok Anthony Bourdain over zijn avonturen in de culinaire onderbuik. Hij voert je bij je neus langs de keukens waar hij het vak leerde. Zijn eerste ervaringen deed hij op in de keuken van de Dreadnaught in Provincetown, tussen een bijeen geraapt zootje koks dat gekleed ging als een kruising tussen hippies en piraten: witte koksjassen met de mouwen eraf gescheurd, spijkerbroeken, morsige en rafelige bandana’s, smerige schorten, enorme gouden oorringen, armbanden, sjaaltjes, ivoren ringen en tattoos. Voor de jonge Bourdain, die zich tussen dit stelletje ongeregeld probeerde op te werken vanuit de spoelkeuken, waren het de halfgoden van de grill. Onvergetelijk is het verhaal waarin hij zich brandt aan een pan en begint te jammeren om een pleister en brandzalf – waarop de reusachtige zwarte kok Tyrone zijn handen ophoudt, die overdekt zijn met een ‘afschuwelijke constellatie van met vocht gevulde blaren, felle rode brandplekken van de grill, oude littekens, en rauw vlees waar de huid door stoom of heet vet simpelweg had losgelaten.’
Behalve veel eten was het veel Amerika deze maand: ik las ook Notes from a Big Country van de Brits-Amerikaanse columnist Bill Bryson. Geestige verhalen over het leven in Amerika (Bryson verhuisde na twintig jaar in Engeland terug naar zijn vaderland), waarin humeurige ambtenaren, onwillige huisdieren en onbeschaafde obers natuurlijk een grote rol spelen (waar zouden wij columnisten zijn zonder obers, huisdieren en ambtenaren?). Maar ook houdt Bryson een kraakhelder betoog tegen het huidige economische denken, in bijzonder het Bruto Nationaal produkt (wat wij met zijn allen verdienen, zeg maar): 'Kort geleden was ik in Pennsylvania bij een zinkfabriek wiens uitstoot van afvalstoffen zo vervuilend was dat een complete berg erdoor ontbost was. Van het hek om de fabriek heen tot de top van de berg was nergens meer een sprietje vegetatie te vinden. Maar gezien vanuit een BNP-perspectief was dit geweldig.
Allereerst had de economie geprofiteerd van alle zink dat de fabriek jarenlang had veredeld en verkocht. Vervolgens was er economische winst vanwege de tientallen miljoenen dollars die de overheid moest besteden aan de schoonmaak van het terrein en de berg. En tenslotte zal het BNP nog lang blijven groeien door de medische behandeling van alle arbeiders en mensen in de stad die ziek zijn geworden van de vervuiling. In conventionele economische termen is dit allemaal winst, geen verlies. Dat geldt ook voor overbevissing en ontbossing. Kort gezegd: hoe roekelozer we onze natuurlijke hulpbronnen opgebruiken, hoe meer het BNP glanst. Of zoals de econoom Herman Daly ooit zei: "Het huidige nationale economische systeem behandelt de aarde alsof het een boedel onder failissement is."'
Kortom: degenen die blijven volhouden dat economische groei met procenten per jaar de enige manier is om te overleven, hadden tegelijk met die andere dinosaurussen moeten uitsterven. 

Tot slot een leestip: Montagne Russe van Pieter Waterdrinker. Want in Amerika is de waanzin misschien aan de macht, maar in Rusland kan het nog gekker. En dat zijn dan twee van de machtigste staten ter wereld. Gelukkig leeft China, de derde mondiale grootmacht, in elk geval onder een gewetensvol en democratisch bewind...


Gekocht/gekregen
Jean Hatzfeld: Machete Season: The killers in Rwanda speak (non-fictie, Farrar, Strauss & Giroux, New York)
Kevin Rushby: Het paradijs, Drieduizend jaar zoeken naar de perfecte wereld (non-fictie, Athenaeum – Polak & Van Gennep)
Dave Eggers, What is the What (roman, Penguin)
Pham Thi Hoai, Alomvattende liefde (novelle, Novib)
Michael Pollan, The Omnivore’s dilemma: the search for a perfect meal in a fast-food world (non-fictie, Bloomsbury)
Ursula Hegi, Het ergste wat ik ooit gedaan heb (roman, Archipel)
Pat Donnez, Het is een mooi leven (zolang je niet bestaat) (gedichten, De Arbeiderspers)
Gert Vlok Nel: Het is onnatuurlik om te leven (Podium)
Wim Brands (samenst.) e.a.: Briefgeheim (Nieuw Amsterdam)
Peter du Gardijn, Onder de dieren (gedichten, De Bezige Bij)
Koen Boey (red.): Filosoferen over geweld.(Acco, Leuven)
Leonard Nolens, Bres (gedichten, Querido)
Pieter Waterdrinker, Montagne Russe (De Arbeiderspers)
Bill Bryson: Notes from a Big Country (Black Swan)
Anthony Bourdain, Kitchen confidential: Adventures in the Culinary Underbelly. (Bloomsbury)

Gelezen:
Alles behalve Dave Eggers.
Volgende keer onder meer: Jan Baeke, Groter dan de feiten, Anne Vegter, Spamfighter, Jasoro, Ashoop/ Versvuur, McSweeney's 'Three books Held Within by Magnets: The Unwritten Stories of F. Scott Fitzgerald, New Work from Oulipo, The poetry chains of Dominic Luxford' (aardige titel overigens), Machiavelli en de Supermarktwijngids 2008.


Posted by jaeggi at 01:55 pm

het beulswerk van de tijd

(deze recensie verschijnt vandaag in Het Parool)


Hoe moeilijk het is een beroemde, oudere schrijver naar waarde te schatten zagen we vorige maand bij het verscheiden van Jan Wolkers. Onder massale belangstelling werd het schrijverslijk ten grave gedragen, alle jonge actrices waar de dierbare oude viespeuk ooit in geknepen had mochten komen verklaren dat het ‘zo’n lieve man’ was, en uitgever Robbert Ammerlaan werd door Pauw en Witteman verleid tot de griezelige confidentie dat hij het opgebaarde lijk nog een kus op het marmeren voorhoofd had gedrukt. Wolkers, ooit een felle, omstreden schrijver, kon veilig worden bijgezet bij andere Dode Sterren van Vroeger, naast Willem Drees, Faas Wilkes, Willy Alberti en André Hazes. Van het werk van Wolkers weten de meesten van ons intussen niet veel meer dan dat er ooit een film en een monument van zijn gemaakt.
Het is het beulswerk van de tijd: zelfs beroemde schrijvers lopen het risico te eindigen als vriendelijke excentrieken, lang nadat ze hun beste werk hebben geschreven. Kijk naar Simon Vinkenoog, immer actief als poëziepias op literaire festivals, terwijl zijn rol als dichter allang is uitgespeeld. Een ander voorbeeld van goedbedoelde, maar funeste kritiekloosheid is te vinden op de website van De Bezige Bij, waar criticus Kees Fens dit gedicht van Remco Campert bespreekt:

Het dooit op de Overtoom
maar het vriest ook alweer op
melden mijn voeten
die mijn dag verlopen
ik blijf dicht bij huis
steeds dichter
dat is mijn leeftijd
wolken worden zwaar van onkleur
de geur van gisteren hangt nog aan me
ik at met mijn vriend
we braken het brood
en deelden de doden
we zijn al bijna uit zicht
wij lachen nog
wat moet je anders?
omhelzen elkaar ten afscheid
misschien je weet maar nooit

Laat ik het voorzichtig zeggen: Campert heeft wel betere gedichten geschreven. Je hebt de neiging het best een aardig gedicht te vinden omdat het van Campert is, met alle eigenschappen waar wij zo van houden: eenvoudig van taal, licht-humoristisch, melancholiek en berustend. Maar stond er een andere naam onder, dan was het een middelmatig gedicht. Volgens Kees Fens echter, zou de eerste regel in elk handboek voor poëzie geciteerd moeten worden. Wat argumentatie betreft moeten we het daarmee doen, al gebruikt de eminente criticus nog wel de vaktermen ‘mooi’ en ‘prachtige zin’.
In Campert’s nieuwe bundel ‘Nieuwe herinneringen’ zijn de ouderdom en het naderende einde de hoofdthema’s, en de onrechtvaardige ongemakken die daarmee gepaard gaan. Campert, altijd een koppig mens geweest, weigert zich bij het onvermijdelijke neer te leggen, vaak op een bijna kinderlijke manier. Een tweetal gedichten voor gestorven vrienden eindigt op bijna identieke wijze met een ontkenning van hun dood. Over Willem van Malsen: ‘toch, als hij daar zo ligt/ ademloos, geen spier vertrekkend/ vertrouwen we het zaakje niet/ hij voert vast iets in zijn schild:/ Willem tovert ons/ zijn laatste kunstje voor.’ En over Meneer de Lange (Campert’s oud-uitgever en vriend, de legendarische Geert Lubberhuizen) schrijft hij eerst ontroerend-sukkelig hoe Lubberhuizens vrouw hem maant bij de stervende in bed te kruipen, maar hij blijft ontkennen: ‘Geert is ondergedoken/ denk maar niet dat hij dood is/ (-) hij leeft met valse papieren in de dood/ en wacht op het gunstige moment/ van zijn verrijzenis/ daar zijn meer gevallen van bekend.’
Als iets duidelijk wordt uit deze bundel, is het dat Campert in een verwoede worsteling met de tijd verwikkeld is. Links en rechts vallen gaten in het leven, oude zekerheden bestaan niet meer of blijken loos, en je kunt ook al niet meer van je critici en je uitgever op aan voor een eerlijk en kritisch oordeel, zoals vroeger. Voordat je het weet behandelen ze je als een vriendelijke oude gek en vinden alles mooi wat je doet. Maar Campert heeft het zelf nog niet opgegeven. In het laatste gedicht, waarin hij bijna door de poëzie wordt verlaten, schrijft hij hardnekkig: ‘Sterven is geen excuus.’
Daar houden we ons maar aan vast.


(Remco Campert: Nieuwe herinneringen. De Bezige Bij, € 17,50)

NB Een interessant terzijde bij deze recensie, over Remco Campert en het geven en kunnen nemen van kritiek, staat hier.

Posted by jaeggi at 12:08 pm

11 december 2007

een stadsdichter voor de hele stad

Vandaag in Het Parool:

AMSTERDAM - De opvolger van Adriaan Jaeggi als stadsdichter wordt benoemd door de gemeente Amsterdam en mag zich met nog meer recht dan Jaeggi, die benoemd werd door Stadsdeel Centrum, stadsdichter van Amsterdam noemen.
Jaeggi is voor het laatst in functie op 30 januari, aan de vooravond van Nationale Gedichtendag. Op die avond wordt ook de nieuwe stadsdichter gepresenteerd.
Intussen is Jaeggi, die zijn dichterlijke functie twee jaar heeft vervuld, bezig aan zijn afscheidstournee, waarbij hij niet alleen wil optreden op scholen en in schouwburgen, maar ook in de huiskamers van de 'gewone' Amsterdammers.
Zijn afscheidstournee begon op 5 december in de Stadsschouwburg tijdens het Sinterklaasgala voor volwassenen. Gisteren was hij nog te zien op de Filmacademie en donderdag is hij bij het ROC, waar hij gedichten zal voorlezen en praten met leerlingen van de afdeling Kunst, Cultuur en Amusement.
Maar hij wil zich ook in de huiskamers laten horen ter gelegenheid van een verjaardag bijvoorbeeld. Jaeggi: ''Het is geheel gratis, met de complimenten van de stad. Niemand verdient er wat aan, zie het als een vrolijk idee voor de feestdagen.''
Belangstellenden kunnen zich opgeven met een mail naar stadsdichter@jaeggi.nl of met een briefkaart naar Stadsdeel Centrum, t.a.v. Rini Scheffers, Postbus 202, 1000 AE Amsterdam.


Ik zeg: hehe, eindelijk.

Posted by jaeggi at 04:46 pm

het been

‘Ze is toen zo lelijk gevallen, dat weet je nog?’
De man naast ons heeft het niet tegen ons. Zijn gesprekspartner bevindt zich aan het andere eind van de zaak, drie, vier meter verderop. Tussen hen in een niemandsland, waarin mensen zwijgend wachten tot ze aan de beurt zijn voor leverkaas, een ons gebraden gehakt.
‘Maar toen is ze te snel weer gaan lopen en toen is de boel gaan ontsteken. Dat wist je ook?’
De ander knikt. Hij had nog gewaarschuwd. Maar wie luistert er naar hem? De eerste man gaat iets wijdbeenser staan en plant zijn duimen tussen zijn riem en zijn buik. ‘Nou, op een gegeven moment moest ze dus kiezen, blijven kwakkelen, of snijden. Ik zeg, meid...’
Nu kijkt de slager op van zijn werk. De mensen mogen praten wat ze willen in de zaak, maar het moet niet ten koste gaan van de klandizie. De man zwijgt abrupt. Hij begrijpt dat hij te ver is gegaan. Maar wij zullen nooit weten wat zij beslist heeft, kwakkelen of snijden.

Posted by jaeggi at 11:03 am

10 december 2007

als het eenmaal goed gaat lukt ook alles

Lieve mensen,

de volgende keer dat ik een geheimtip geef, zullen jullie dan goed luisteren?
Niet dat er nog veel plaats over was in 't Blaauwhooft, gistermiddag: alleen helemaal achteraan bij de tochtvellen (of hoe noem je die grote leren lappen bij de ingang van fijne kroegen) waren nog twee staanplaatsen.
Hoe kon het ook anders: én Nico Dijkshoorn én Gerbrand Bakker én buurtbewoner J. én Dorine, die zong:

ik ben dol op mannen mooie mannen leuke mannen
slimme mannen snelle mannen kom maar bij mij
gekke mannen met een maf karakter mannen
beetje grote bekken mannen kom er maar bij
rare mannen altijd voor iets inne mannen
buiten mannen binnen mannen vind ik oké
lange dikke dunne korte zachte mannen
eigenlijk haast alle mannen heb ik iets mee.

Haar nieuwe cd was uit (die staat nu op) en de nieuwe Torpedo was er, en Nico Dijkshoorn bekende dat het zijn Eerste Keer was - als voorlezer - maar dat was niet te merken, want bij zijn verhaal over de Chinees zochten mensen huilend van het lachen steun op elkaars schouders, en Gerbrand Bakker ontroerde met schaatsverhalen en na afloop was iedereen het erover eens: we gaan ermee het theater in, en een kwartier later was dat geregeld - toch mazzel dat er die avond net iemand van Joop van den Ende-produkties in de zaal was, maar dat zul je altijd zien, als het eenmaal goed gaat lukt ook alles, behalve dat op een gegeven moment de Chouffe op was, maar niet getreurd, want een van de gasten had in zijn penthouse aan de gracht nog wat Chimay en Columbus in de ijskast liggen, en misschien een plakje osseworst erbij? Maar toen we er eenmaal waren kreeg niemand de eerste tien minuten een slok of hap door zijn of haar keel: wát een uitzicht.
En tussen de resten van gisteravond tik ik nu dit stukje. Het uitzicht over Amsterdam is zelfs met een grijze lucht adembenemend, Nico en Gerbrand zijn nog in diepe slaap in het bovenste stapelbed, in het onderste bed liggen twee onbekende meisjes, Dorine ligt innig omstrengeld met twee van haar bewonderaars in de master bedroom, de eigenaar van het appartement is vanochtend al vroeg vertrokken richting Zuid-As, maar heeft wel heel attent nog wat Krug koud gezet voor het ontbijt, ik denk dat ik zo maar eens wat eieren ga bakken, ik wil alleen nog even zeggen, de volgende keer dat ik zeg dat ik ergens ga voorlezen en ik zeg dat het leuk gaat worden: zullen jullie dan heel goed luisteren?

Posted by jaeggi at 10:24 am

08 december 2007

koude slakken

Ik probeer altijd mijn eten te bestellen vóór zij het doet. Het is niet volgens de regels der etiquette, maar zo eet ik tenminste wat ik wil. Als ik háár eerst laat bestellen eet ik wat zij wil dat ik eet. Vrouwen kunnen aan tafel nu eenmaal een onweerstaanbare psychologische druk uitoefenen (ze kunnen het ook in pashokjes en op meubelboulevards), waar ze zelfs de meest geharde carnivoren mee op de knieën krijgen.
Het begint al bij de menukaart, die ze een paar seconden bestuderen, om hem dan weer neer te leggen. ‘Wat een leuke tent is dit. Jij kiest altijd zulke typische plekjes. Ik zou hier zelf nóóit komen.’
Is dit positief bedoeld of niet? Je besluit het zekere voor het onzekere te nemen.
‘Johannes van Dam gaf dit restaurant een negen plus. En in de Lekker stond het in de Top 10.’
‘Hè, dat vind ik nou weer zó typisch van een man! Alsof die rapportcijfers iets zeggen! Het gaat er toch om of het gezellig is of niet?’
‘Eh… Ja. Weet je al wat je wilt eten?’
Ze kijkt in de menukaart en fronst. ‘Het is ook zovéél.’
‘Dat heb je weleens in restaurants, dat ze meer dan één maaltijd op het menu hebben. Dat schijnen gasten op prijs te stellen.’
Ze hoort je sarcastische toon niet. Ze laat haar ogen langzaam over het menu strijken en kijkt erbij alsof ze een belastingbiljet doorneemt. Ze kijkt op. ‘Weet jij het eigenlijk al?’
‘Ja, de carpaccio, en daarna de entrecote.’ Je zegt het barser dan nodig is, maar het is belangrijk om haar te laten merken dat je keuze vaststaat, onwrikbaar, wat zij er verder ook van moge denken.
‘Carpaccio… Waar staat die?’
‘Bij de Voorgerechten.’
‘Dat is toch met vlees? Ik dacht dat carpaccio met tonijn was.’
‘Nee, een klassieke carpaccio is altijd met rundvl… Ossehaas.’
‘Dus jij neemt twee keer vlees.’
‘Eh… Is dat zo? Ja, nou je het zegt. Ja, heb ik zin in.’
Haar wenkbrauwen maken een bijna onmerkbaar sprongetje. Ergens in je binnenste, tussen je dikke darm en je hart, voel je iets verschuiven. Is het wel zo’n goed idee om zoveel vlees te eten? Rood vlees blijft heel lang in je darmen hangen, heb je weleens gelezen. Ach, onzin, een man mag toch zelf weten wat hij eet?
‘Heeft u al een beslissing kunnen nemen?’
De ober. Nu sterk zijn.
‘Ja, ik wil graag de car…’ Zij steekt haar hand uit naar haar wijnglas. Je aarzelt, al begrijp je zelf niet waarom. ‘Mevrouw wilde graag eerst bestellen.’
Je krijgt een korte glimlach als beloning. Daarna gaat zij een kwartier met de ober in conclaaf over de manier waarop zij haar rettichsalade met wasabi-mayonaise geserveerd wil. Als hoofdgerecht neemt ze de scholfiletjes, maar graag gepocheerd, niet gebakken. En zónder bearnaise.
‘En voor meneer?’
Zég het! Zég het dan! Carpaccio!
‘Voor mij hetzelfde graag.’
En weer realiseer je je: de eettafel is het slagveld waarop de felste veldslagen in de oorlog tussen mannen en vrouwen worden uitgevochten – en mannen zijn al eeuwen aan de verliezende hand, om de simpele reden dat eten voor mannen een beloning is, en voor de meeste vrouwen een straf. Zelfs als het ons lukt precies te bestellen wat we willen eten worden we daarna alsnog afgestraft. Denk maar aan de mooie scène uit J.D. Salinger’s Franny en Zoey, waarin Franny met haar minnaar Lane uit eten gaat. Ze moedigt hem aan: ‘Bestel wat je wilt. Ik bedoel, neem rustig slakken en octopussen en zo. Octopi. Ik heb niet zo’n honger.’ En als Lane inderdaad slakken bestelt vraagt zij achteloos om een broodje kip. En een glas melk. Als hij moedeloos zijn bestek neerlegt zegt ze: ‘Eet. Eet die slakken. Ze zijn vreselijk als ze koud worden.’
Dus de eerstvolgende keer dat een vrouw tegen u zegt: ‘Zou je dat nou wel doen, lieverd, met jouw cholesterol?’, ga dan niet de macho uithangen. Ze zijn in staat je een bord koude slakken te voeren. Prik vrolijk in uw venkel-radijs-slaatje en drink uw bronwater met een lach. De Febo is geduldig en tot heel laat open.

Posted by jaeggi at 03:34 pm

07 december 2007

je zegt toch ook niet cafééééé?

Veel kan ons niets schelen, maar als wij onder het viaduct bij de Haarlemmerhouttuinen doorfietsen naar Bickerseiland, beklemt ons wel steeds opnieuw de vraag: vanwaar toch die extra a in 't Blaauwhooft?
Misschien dat we het a.s. zondag vernemen, als in het betreffende café wordt voorgelezen door Torpedoschrijvers, in dit geval:
- Nico Dijkshoorn;
- Gerbrand Bakker;
- en buurtbewoner J.

Maar u kunt natuurlijk ook komen voor haar.
En ze hebben Chouffe op tap.
Tot zondag!


Posted by jaeggi at 10:50 am

06 december 2007

quotezak

Een van de mindere kanten van het schrijverschap is de plicht om nu en dan een opgewekt 'quootje' te leveren voor het nieuwe boek van een collega. Dan ben je de zak.
Bret Easton Ellis heeft (in Lunar Park) al eens het perfecte nietszeggende citaat voor zulke gelegenheden gegeven: 'Ik geloof dat ik in geen jaren een werk in handen heb gehad dat zo zelfverzekerd over zichzelf gaat.'
Maar Geert Mak's lege loftuiting op de voorpagina van NRC van gisteren mag er ook zijn: 'Een oer-Hollands boek waarin water en wind door alle kieren razen. Wie hieraan begint is verloren.'
Lees het nog een keer en je ontdekt: er staat niets. 'Oer-Hollands', wat zegt dat? Is het goed of slecht? In TON-kringen is het waarschijnlijk een compliment, maar in de literaire wereld maak je eerder de blits met 'Onhollands goed'.
'Water en wind' die door 'alle kieren razen': is het boek slecht gebonden of zo?
'Wie hieraan begint is verloren' is een fijn staaltje Newspeak van Mak, zowel positief als negatief op te vatten.
Kortom: Geert Mak vond het niks. Maar hij had nu eenmaal beloofd een quootje te leveren.

Posted by jaeggi at 09:55 am

04 december 2007

Persbericht

Op woensdag 30 januari 2008 neemt Adriaan Jaeggi afscheid als eerste stadsdichter van Amsterdam. Tijdens het traditionele Gedichtenbal in Paradiso zal de bundel Het is hier altijd laat van licht, Amsterdamse Stadsgedichten worden gepresenteerd. Tevens wordt de nieuwe stadsdichter van Amsterdam bekendgemaakt.

Adriaan Jaeggi, die aanvankelijk voor anderhalf jaar werd benoemd maar twee jaar de functie van stadsdichter heeft vervuld, zal in december een afscheidstournee door Amsterdam maken. Deze begint morgenavond, 5 december, in de Stadsschouwburg Amsterdam, tijdens het Sinterklaasgala voor volwassenen. Op 9 december is er een openbaar optreden in café Het Blaauwhooft op Bickerseiland (15.00-17.00 uur). Op 10 december is de stadsdichter op de Filmacademie van Amsterdam, en op 13 december bij het ROC Amsterdam, waar hij gedichten zal voorlezen en praten met leerlingen van de afdeling Kunst, Cultuur en Amusement. Daarnaast zijn er huiskamer-optredens bij Amsterdammers thuis.

Alle Amsterdammers krijgen de gelegenheid om de stadsdichter voor het laatst te zien of te horen. Wie belangstelling heeft voor een bezoek, of stadsgedichten live in zijn huiskamer wil horen, kan een verzoek mailen naar stadsdichter@jaeggi.nl, of een briefkaart sturen naar
Stadsdeel Centrum,
t.a.v. Rini Scheffers
Postbus 202
1000 AE Amsterdam.

Posted by jaeggi at 10:53 am

stadsgedicht 12

Dit is het twaalfde en een-na-laatste stadsgedicht. Het dertiende en laatste stadsgedicht verschijnt op 31 januari 2008, op het Gedichtenbal in Paradiso, waar de nieuwe Amsterdamse stadsdichter officieel benoemd zal worden.


Hunkertown

Wij zijn hier gebracht
door onbekenden,
die meteen weer vertrokken,
met achterlating van pompen
om ons droog te houden,
kilometers plastic lint (rood-wit)
en een soort café: Boerenjongens,
prima broodjes en de humor van de stad.

Hier zitten wij nu,
hier blijven wij nog even
toch alweer vijf jaar geleden
sinds de sleutel van de eerste voordeur
dat was daar, die mensen
zijn inmiddels verhuisd. Konden
slecht tegen de wind. Ach, de mens

is veel van plan. Het scheppen
van een stad uit zand, tocht
en goede bedoelingen:
o zusterstad van Legoland.
Wij zijn niet ongelukkig
hier, dat waren wij daar
ook niet. Wij leven samen
in mono.

Verre molens malen de wind,
in de Sem-Presserhof lacht een kind
als een dier. Aan de rafelrand
waar nieuwe adressen ontstaan,
klappert een plastic boodschap: kom
ook. Kom hier. De bezorger heeft alvast
uw dagblad in de bus gedaan.


(IJ-burg, zomer/herfst 2007)


Op woensdag 21 november 2007 is het 5 jaar geleden dat de eerste bewoners van IJburg hun sleutel overhandigd kregen. Dit stadsgedicht, het twaalfde, werd geschreven ter ere van de veelbesproken stadswijk die aan het verrijzen is ten oosten van Amsterdam. Men komt er met tram 26.
Een eerste versie van dit gedicht werd gemaakt in opdracht van projectontwikkelaar De Principaal. Deze versie wijkt nogal af van de oerversie.

Posted by jaeggi at 10:37 am

03 december 2007

klein gedicht voor wie de dag niet denkt door te komen

wij zijn hier gebracht
door onbekenden, die
direct weer vertrokken
met achterlating
van wat oude forten,
een meer forellen en
een bos dat reikte tot de zee,
met de opdracht:

houd het schoon
houd het stil
houd jezelf
in leven


Posted by jaeggi at 12:09 pm

01 december 2007

In Memoriam August Willemsen (1936-2007)

Basso continuo

Ach Thomas, wat is vijfenzestig jaar
in vergelijking met de eeuwigheid?
Vijftien, vijftig, honderd, het is maar
hoe je je voelt. Zégt men. Maar het is schijt.

Mijn medeleven dus, het valt niet mee
de strijd tegen de jaren aan te gaan
al houdt men nog zoveel van je en ook

al delen velen al je wel en wee
en heb je herinneringen aan
Piet Keizer, Wilkes, en hoe heet 'ie, 't spook

van de verdedigers, Garrincha, waar
geen enkel woord op rijmt, laat staan een back.
Het allerbeste dus, vind je 't gek

dat ik geen woorden weet? Ik ben begaan
met je, ik hou van je, en o, da's waar,
dat zou ik haast vergeten: dood aan Mondriaan.


August Willemsen, Melbourne, 7 sept. '98


(Dit gedicht werd geschreven door August Willemsen naar aanleiding van de vijfenzestigste verjaardag van uitgever Thomas Rap, voor het liber amicorum Zon op al je wegen [1998]. Thomas Rap overleed een jaar later. August Willemsen, schrijver, dichter en vertaler, overleed op 29 november jongstleden. Zij worden gemist.)

Posted by jaeggi at 10:51 am