« het verschil | Main | de ayatolla en de paus »

27 december 2007

het Grote Kerst- en Nieuw Jaarsnummer

Hierbij presenteert de redactie van Het Grote Kerst- en Nieuw Jaarsnummer met trots Het Grote Kerst- en Nieuw Jaarsnummer. Oude klassiekers en nieuwe klassiekers, humor en reflectie, een even rijke als slankmakende selectie om de laatste dagen van 2007 door te komen. We zien u terug in 2008! (of anders morgen, of overmorgen).
Allereerst hieronder, ter overpeinzing, een verslag van de eennalaatste Eenzame uitvaart van 2007, geschreven door F. Starik. (Meer lezenswaard op zijn weblog.)

"Als de dichter van dienst komt aanfietsen staat de voltallige delegatie al klaar. Jaeggi parkeert zijn fiets en draait die niet op slot. Hij is van mening dat wie een fiets van een begraafplaats steelt, die fiets echt nodig heeft. Van Bokhoven, gehuld in een glanzend zwart jasje, een nieuwe meneer van de dienst die Arman heet, met een donkerblauw streepjespak, hij is pas een week in dienst. Zijn achternaam weet nog niemand, in ieder geval Van Bokhoven niet. De vriendelijke, altijd wat nerveuze uitvaartleidster. De muziek die Jaeggi heeft meegebracht wordt doorgenomen met de jonge Degenkamp, vader ligt met zijn dikke buik in de zon op het eiland Lanzarote, vertelt hij. Hij is nooit eerder met de Kerst op vakantie geweest. Kerst is een drukke tijd. ‘Het moet ook niet veel gekker worden.’
We betreden de aula, de muziek zet in. Starry night van Tommy McCook and the Supersonics. Dan stapt Jaeggi naar voren, gaat bij de kist staan en leest dicht bij meneer Hoevelaken zijn gedicht, spreekt half tot de kist, half tot zijn kleine publiek van vier dragers, twee ambtenaren en de uitvaartleidster en tenslotte uw verslaggever van dienst. Voor hij begint te spreken, strijkt hij aarzelend met zijn hand over zijn wang, alsof hij er nu pas aan denkt, dat hij zich al dagen niet geschoren heeft. Hij kucht. Vangt dan bijna aarzelend zijn lezing aan.

Dede Oso

Wie zal je wassen? Wie zal er zingen?
Wie zal foto’s omdraaien, spiegels naar de wand keren?
Wie zal kinderen die nog niet praten
over je heen tillen, en fluisterend je geest bezweren?

Het groot bazuinkoor is niet verschenen,
er komt geen dinari en geen singiman.
Niemand komt je nieuwe huis bekleden.
Wij staan buiten en kijken door het oude raam.

Eén ingelijst groot rijbewijs met brede grijns
anno negentienzevenennegentig. Naast
een schilderij van Nederland. Wij zien verbaasd
hoe je ons schilderde, een Hollandse hoeve,

een os, een hond, een modderpoel. Alsof je hier
geboren was. De planten gaan het niet redden,
maar jij steunde onze jongens door dik en dun
waar wij de moed al hadden opgegeven.

Dag trucker, Amsterdamse Surinamer, dag A. A. Hoevelaken.
Het zal hier wel snel worden opgeruimd.
Het jaar is moe en wij ook, maar voor wij je vergeten
besteden wij dagenlang geen aandacht aan ons uiterlijk.


De dichter van dienst vouwt het papier na lezing in de lengte dubbel, en legt het op de kist. Blijft een moment als in weemoedige berusting staan, geeft meneer Hoevelaken een laatste overpeinzing mee, beent dan gedecideerd terug in het smalle bankje waarin wij ongemakkelijk moeten zitten, leunt naar voren, zwijgt. Adriaan Jaeggi is een man die onmiskenbaar iets gezelligs heeft, een hartelijke, open, goedlachse man, iemand die ondertussen toch altijd scherp oplet, iemand die goed luisteren kan, mensen graag vragen stelt, iemand bij wie men zich gemakkelijk op zijn gemak voelt, iemand die de kunst van het goede humeur verstaat. Iemand van wie je het leuk zou vinden als hij op je feestje kwam. Schrijft veel voor damesbladen, het betere damesblad, hij is heel geschikt voor de doelgroep, het prototype van de leuke man. Iemand die ermee wegkomt dat hij in zijn gedicht zegt: ‘dag trucker, dag Amsterdamse Surinamer,’ bij wie die woorden er zo naturel, warm, oprecht, gemeend uitkomen. Hier is echt iemand dag komen zeggen. Het kleine gebaar vooraf, het strijken over de baard, als om de aandacht op de wangen te vestigen: ‘het jaar is moe en wij ook, maar voor we je vergeten, besteden we dagenlang geen aandacht aan ons uiterlijk.’ Alsof hij zich gedurende de vijf dagen die er verstreken tussen de melding van de uitvaart en de uitvaart zelve doelbewust niet geschoren heeft. Sterk. Een gebaar dat in de vertraging zijn kwaliteit krijgt. Toen hij peinzend zijn hand over zijn wang streek, hadden wij het gedicht nog niet gehoord. Er zit in komische relatiedrama’s dikwijls een scène waarbij de twee verliefden elkaar moeten nadoen, kleine dingen, altijd beginnend met een paar slokken water, en veel handigheidjes later eindigend met het straaltje dat één beider al die tijd in de mond heeft bewaard, tot het warm en kleverig is geworden, dat krijgt de ander dan in de schoot geworpen.
De ander, die de slokjes water allang weer vergeten was, die had ze gewoon doorgeslikt.

The Wedding van Abdullah Ibrahim zet in, klinkt op, sterft uit. Dan neemt de uitvaartleidster plaats achter de lessenaar en zegt dat wij meneer Hoevelaken gedenken met muziek en het gedicht dat wij beluisterd hebben, en dat wij dadelijk, tijdens het beluisteren van het derde muziekstuk, de aula zullen verlaten om hem naar zijn laatste rustplaats te begeleiden. Patria, van Ruben Blades y Son del Solar klinkt op, ritmisch, bijna vrolijk, als om de dragers uit te nodigen in marstempo, op de maat, de fonkelnieuwe baar naar buiten te gaan rijden.
We wandelen achter de nieuwe baar aan de koude grijze middag in. Dankbaar ben ik voor mijn lange onderbroek, mijn dubbele paar sokken in mijn schoenen. Aangekomen bij de laatste rustplaats staan we stil. Stil. Het blijft maar stil. Verwachtingsvol kijk ik na enige tijd opzij naar de uitvaartleidster, maar ze volhardt in haar zwijgen. Dan klinkt er een geluid op als van een watervalletje in een bergbeekje, een bescheiden geluid. De jonge meneer Degenkamp haast zich weg om zijn mobiel op te nemen. We doen maar net of we niks merken, blijven in vrome afwachting stilstaan, starend naar de kist, het in de lengte dubbelgevouwen papier erop. We wachten geruime tijd op zijn terugkeer. De uitvaartleidster moet een stap opzij zetten om hem door te laten naar zijn plek bij het tolletje dat het dalingsmechanisme bedient, de zogeheten graflift. Hij moet op het knopje drukken. Dat is zijn taak.
Tenslotte spreekt de uitvaartleidster, de kleine kudde weer compleet hebbend, dat we een moment stilte in acht zullen nemen voor meneer Hoevelaken. Ten derde male nemen we een moment van stilte in acht. We staren naar de kist met het papier erop. Windstil. Achter ons is iemand hoorbaar aan het tuinieren geslagen, met veel geritsel van plastic, misschien wordt er een kerststukje geïnstalleerd. Onderweg kom je langs veel graven met een kerststukje erop. Opdat men daar beneden zwijgend het Feest van het Licht viere met drie rode glimmende ballen en een tak groen. Dubbele sokken noch lange onderbroeken zijn hiertegen bestand.
Eindelijk is het over en daalt de kist. De uitvaartleidster zegt dat hiermee een eind gekomen is aan de plechtigheid en nodigt ons uit voor een kopje koffie.
‘Schepje zand?’opper ik gelijktijdig met de dichter van dienst.
‘Die eer laat ik u,’ nodigt Jaeggi mij uit om als eerste het vochtige, gele zand op de kist te werpen. Jaeggi volgt, Van Bokhoven en Arman. Dof, noteer ik dan graag, dat het zand met een doffe klap op de kist valt. Voor het donker is geworden zal het oranje karretje met de grote schep de naastgelegen vochtige berg met een paar forse halen de kuil in rijden. Daarna moet het een paar weken inklinken. Inklinken is een mooi woord voor het feit dat de kist onder het gewicht van het zand bezwijkt. Dan wandelen we terug naar de koffiekamer.
Het moet een gezellige man zijn geweest, meneer Hoevelaken. Jaeggi is naar zijn huis gefietst, een benedenwoning, heeft door de ramen naar binnen gekeken. Een zelfgeschilderd landschap, enorm Hollands, een vaandel van Ajax, dat truckersdiploma, waarop hij breed staat te grijnzen, een grote plastic speelgoedvrachtwagen, genoeglijke spulletjes. Iemand die zich graag door zijn raam liet zien. Dit ben ik.
Jaeggi vertelt over zijn afscheidstournee. Hij zal in het kader daarvan bij een paar gewone Amsterdammers op bezoek gaan. Hij zal zelfs een verjaardag bezoeken.
‘Een verjaardag?’, steun ik, ‘neem je dan een cadeautje mee?’ Maar nee, de dichter is zelf het cadeautje.
‘En ga daar dan ook een taartje eten? Met een vorkje op een driezitsbank, tussen twee lijvige personages ingeklemd, het schoteltje op de knieën?’ Dat gaat hij allemaal doen. Hij kan dat. Even later fietst het geschenk op zijn rijwiel dat opnieuw niet is gestolen het terrein af, vol vertrouwen, een dikke groene das om zijn nek geknoopt, terug zijn leven in. Onwillekeurig betast ik de smalle das die ik eenmaal om de jas heb gewikkeld, opdat de kraag zich recht houdt, tegen de tocht in de nek. Wij blijven achter voor nummer 86."


Nog maar één feest te gaan. Dat schiet op. Voor degenen die naa Sint en kerst een beetje zonder inspiratie zitten, hierbij enkele Wenken voor een geslaagd Oud en Nieuw. Ook bruikbaar voor gewone feesten.

Er moet een olifant zijn.
Nu ja, een olifant is meteen weer zo bewerkelijk (vooral bij het opruimen): het mag ook een giraffe zijn. Of een kameel.
Zorg in elk geval dat er iets is waar de mensen nog dagen over kunnen napraten. Wie niet van dieren houdt kan een vriend of vriendin vragen die snel dronken wordt en die bij binnenkomst een vol glas Pimms met een rietje geven. Een half uur later laten ze zich gedwee uitkleden en een halsband omdoen.
Zorg voor vermaak. Poker is populair, maar heeft het nadeel dat degenen die niet meespelen zich buitengesloten kunnen voelen. Dit probleem is in één probleem opgelost als u strippoker speelt. Voor wie niet van poker houdt zijn er tientallen sportieve varianten te bedenken: strip-triviant, strip-Monopoly, strip-kolonisten van Catan.
Het meest essentiële onderdeel van een geslaagd feest is uiteraard de drank. Het is verbijsterend hoeveel mensen hiermee niettemin de fout in gaan. Ofwel bestaat de hele drankvoorraad uit lauwe pils en één fles citroenjenever, ofwel gaat de gastheer zich te buiten aan exclusieve cocktails, waardoor je een kwartier moet wachten op je Ménage a Trois Daiquiri Special en je vervolgens na de eerste slok zo’n knal tegen je hoofd krijgt dat je pas drie dagen later bij kennis komt op de afdeling Zware Coma’s van het AMC.
Wie een geslaagd feest wil maar niet de hele avond op en neer naar de keuken wil hollen met flessen en glazen: maak een bowl punch. Het is makkelijk, goedkoop, en zo ouderwets dat het weer hip is. Punch maak je van een of twee verse, in stukjes gesneden ananassen (of twee ingeblikte), het sap van drie citroenen, een schep suiker, twee van die blikjes vruchten op sap die achter in de keukenkast staan te verstoffen, en verder alle restjes drank die je kunt vinden. Meng dit met ijsblokjes, een fles goedkope belletjes wijn, een flesje tonic of ginger ale, en een fles witte wijn in de grootste schaal die u kunt vinden. Tot slot het geheime ingrediënt: drie koppen (koude) Earl Grey thee. Dit is essentieel, want de theïne in de thee (een heel licht pepmiddel) zorgt ervoor dat iedereen zich prima blijft voelen tot het te laat is. Daarmee is het feest precies op het hoogtepunt afgelopen (we weten allemaal hoe vervelend feesten zijn die te lang doorgaan) en hoeft u alleen de olifant nog naar de stal te brengen. Pas op dat hij niet op de bewusteloze gasten trapt.


Vijfde Kerstdag

- En nog een pond prei alstublieft. Dan ben ik er geloof ik.
- En een pondje prei. Dat wordt dan dertien vijfenzeventig. O nee, dertien vijfennegentig. Zou ik bijna de winst vergeten. Hahahahaha!
- Hahaha. Alstublieft.
- Dankuwel. Gaat u het met de familie vieren?
- Nou, eerste kerstdag komen mijn ouders, en we zijn uitgenodigd bij mijn schoonouders op de tweede
- Wat een ópgave kan dat zijn he, zo die kerstdagen met je familie.
- Nou, eerlijk gezegd vind ik het wel leuk mijn vader weer eens te zien. Die wordt er natuurlijk ook niet jonger...
- En maar mopperen natuurlijk, want dat heb je met die ouwe mensen. Nee, ik ben altijd blij als het weer voorbij is. Er is nooit wat goed of het deugt niet.
- En na het eten een lekkere wandeling op de hei. De Wouwse Plantage, kent u die?
- En dan het wéér! O, vreselijk, ik blijf het liefst de hele dag bij de kachel.
- Lekker even een frisse neus halen, dan voel je je ook niet zo volgepropt
- Ik denk elk jaar weer ik doe het niet meer, ze kunnen allemaal het dak op, maar ja dan sta je toch weer in die keuken met je hazenpeper en je zallem...
- Wat zegt u?
- Zallem. Dat eten wij altijd vooraf, zallem. Op toost.
- O, zalm!
- Ja, dat zeg ik toch? Ik zie het gezicht al van mijn zwager als ik een keer de zallem zou vergeten. Ik zweer het u, die verstouwt in zijn eentje een pond zallem op een avond.
- Tjonge. Nou, ik ga maar weer eens, ik moet ook nog naar de bakker.
- En daarna een soepje. Maar dat maak ik niet zelf. Ik zal daar gek zijn. Ik haal het kantenklaar bij de slager. Niet dan?
- Nog een kerststol kopen…
- Met spijs. Dat nemen wij pas achteraf. Bij de koffie. We hebben het ook wel eens gegeven bij de koffie als de mensen binnenkomen, maar dan heb je geen trek meer tegen dat de gans op tafel komt. En na de koffie heb je toch al snel je borrel en je nootjes en je blokje kaas en je worst. Heb u dat trouwens gelezen? In Engeland kan je voor je kerstdiner een kalkoen kopen die is gevuld met een kip en die is weer gevuld met een eend. Dat is toch walgelijk? Dat zijn toch geen mensen meer? En het was ook nog hartstikke duur.
- Had ik u nou al betaald of niet?
- Ja, nee, dat is in orde hoor. Ja, als je nog een keer wil betalen mag het hoor, we kunnen het best gebruiken in deze tijden. Hahahaha!
- Hahahaha!
- En Derde Kerstdag zijn we gesloten, dat wist u toch?
- Nee, goed dat u het zegt. Derde Kerstdag, ik zal het onthouden.
- En Vierde Kerstdag gaan we pas om 1 uur open.
- Om 1 uur. In orde.
- En Vijfde Kerstdag alleen ‘s ochtends.
- Prima.
- Want wij willen ook weleens uitslapen.
- Tuurlijk.
- En de dag voor Oud en Nieuw sluiten we anderhalf uur eerder. Maar da’s logisch.
- Precies.
- Moet ik het anders niet even opschrijven?
- Nee hoor, dat onthou ik wel. Komt allemaal hier terecht (tikt met een prei tegen voorhoofd. Stukje aarde van de prei blijft ongezien aan neusvleugel hangen)
- Nou, knap hoor, met al die drukte. Mijn hoofd loopt om. Zeg, wil je een sinaasappeltje mee voor de kleine?
- Ach nee, dat is…
- Is goed voor de vitaminen. Zeker in deze tijd. Heb je nog een hand vrij? Wacht, doe je mond even open. Zo, die zit. Heb je nou alles?
- Mmmmm-mmm.
- Mooi zo. Zeg, héle fijne dagen en rij voorzichtig.
- Mmm-mfff.
- Wie van de dames en heren mag ik dan helpen?

beim schlafengehen

Zittend op de rand van het bed trok hij zijn schoenen uit. De eerste viel met een bons en hij schrok, maar er gebeurde niets.
De tweede zette hij zachtjes naast de eerste.
Achter zijn rug hoorde hij haar klein en onrustig snurken.
Hij trok zijn sokken uit en keek naar zijn voeten.
Ze kwamen hem machtig wit en onbeduidend voor.
Ach, eigenlijk viel het allemaal best mee dit jaar, dacht hij.


rooibos

'Koffie?'
'Nee dank je. Anders slaap ik niet.'
'Digestiefje dan? Cognacje, calvaatje...'
'Nee, als ik nu cognac ga drinken val ik meteen in slaap. En dan schrik ik om een uur of vier wakker en lig ik tot een uur of acht te stuiteren.'
'Ik heb ook wel wat zachters. Een Spaanse brandy, of hoe heet dat, van die chocomel met alcohol, Baileys...'
'O nee. Als ik daaraan begin lig ik vannacht om twee uur met een buik als een ballon en om de vijf minuten een opvlieger.'
'Merkwaardig. Glaasje wijn dan nog?'
'De hoeveelste is dit? Derde of vierde? Nee, ik zeg het omdat drie glazen wijn, da's geen enkel probleem, maar als ik verderga begint mijn tong heel raar te doen. Eerst zwelt hij op totdat hij zo'n beetje bijna uit mijn mond hangt, en na een paar minuten krijg ik me toch een jeuk!'

'Aan je tong?'
'Aan mijn reet, nou goed?'
'Okeeee. Word je er soms ook extra agressief van, van wijn?'
'Hoezo?'
'Zomaar. Dus je hoeft helemaal niks meer?'
'Nou... Heb je kruidenthee?'
'Jazekers. Sint Janskruid, kloosterthee, rooibos...'
'Géén rooibos! In godsnaam geen rooibos, dan zijn de gevolgen niet te overzien.'
'Relax, ik maak wel een kopje Sint Janskruid. Hier, geniet ervan.'
'Is dit Sint Janskruid? Het smaakt heel anders.'
'Echt? Even kijken. O, wat stom, dat zie ik nu pas; heeft Elizabeth alle kruidenthee bijelkaar gedaan in één pot.'
'Dus wat drink ik dan nu?'
'Waarschijnlijk rooibos.'
'In dat geval raad ik je aan nu meteen te beginnen met rennen en niet meer om te kijken.'


intelligent design

‘Ben ik hier bij de familie Heer der Heerscharen, ook wel God van Israël? Goedemorgen meneer. Aardig optrekje hebt u hier. Lekker ruim. Beetje aan de donkere kant, maar… O, dat is het het eerste dat u gedaan wilt hebben. Licht. Tuurlijk, zorgen wij voor. Appeltje, eitje. Waar is de stoppenkast? Hoe bedoelt u geen stoppenkast? Heeft u wel een aansluiting? Dat weet u niet? O, u zit hier net. Tja. Dat maakt de zaken wel gecompliceerder natuurlijk. Kijk, alles kan, maar d’r hangt natuurlijk wel een ander financieel kostenplaatje aan.
Mijn zaad vermenigvuldigen? Nou meneer, als het u hetzelfde is hebben we graag cash of met een cheque, alstublieft.
Laten we eerst de toestand maar eens opnemen. Hoeveel lichtpunten had u gedacht? Eéntje maar? Nee, geen probleem - het lijkt me alleen wat weinig. Nou, misschien als u er een sterke spaarlamp indoet. U weet zeker dat u niet wat romantische lichtpuntjes wilt, bijvoorbeeld langs het plafond? Denkt u er anders rustig even over na. Voorlopig: één lichtpunt, verder niks.
Volgende punt. Hemel en aarde scheiden. Ja, dat lijkt me geen overbodige luxe. Ik dacht net, toen ik hier binnenstapte, daar gaan mijn goeie schoenen. Een beetje droge grond kan die meneer wel gebruiken. En gewassen en vruchtbomen, niet te vergeten. Wat had u gedacht, coniferen, sierheester, taxus?
Alles. De hele rataplan. Meneer weet van aanpakken. Nee hoor, geen probleem, ik moet alleen even kijken wat er op voorraad is. Oerbos is een gewild artikel tegenwoordig.
Wat had meneer verder gedacht?
Zon, maan en sterren. Wat voor zon precies? Ons standaardmodel is de Gele dwerg, dat is een oerbetrouwbaar type. Krijgt u 10 miljard jaar garantie op. We hebben ook rode dwergen en zwarte dwergen, maar die gaan minder lang mee. U kunt ook opteren voor een rode reus, spectaculair, dat wel, maar dan moet u erop rekenen dat u binnen een paar miljoen jaar met een supernova zit. Aangezien u net begint zou ik dat afraden. Gele dwerg dan maar? Verstandige keuze. De maan ook maar van het gewone type? Prima, dan doen wij er gratis een paar miljard sterren bij. Service van de zaak.
Mag ik meneer overigens een vrijblijvend adviesje geven? Het ziet er straks ongetwijfeld heel aardig uit allemaal, met die lichtjes en dat bos en zo, maar ook wel een beetje kaal. Nou weet ik wel dat dat de mode is tegenwoordig, strak en kaal, design is het toverwoord, maar zou het niet gezelliger zijn om er wat beweging aan te geven? Een paar dingen waarvan het water wemelt, alsmede gevleugeld gevogelte, allemaal vruchtbaar natuurlijk, zodat ze zichzelf vermenigvuldigen en u niet steeds nieuwe hoeft te kopen. En misschien wat kruipende dieren en gedierte des velds?
Weet u wat? Ik breng de volgende keer wat proefsamples mee, zonder verplichting. Dan probeert u het een tijdje uit en als het niet bevalt laat ik de hele mikmak zo weer ophalen. Geen kosten aan verbonden. Nou, dan zijn we er wel zo’n beetje, dacht ik. Wat zegt u? Mensen? Weet u het zeker? En hoe had u die gedacht? Ik heb een tijdje geleden bij uw buren, heelal hiernaast, een paar hele fraaie intelligente ijskristallen afgeleverd. Die vrouw was wild-enthousiast. Nee? Geschapen naar uw evenbeeld? U zegt het maar. De klant is koning. Even resumeren dan: licht, scheiding van hemel en aarde, droge grond, gewassen en vruchtbomen, gedierte des velds, en mensen naar uw evenbeeld. Staat genoteerd, dat gaan wij even piekfijn voor u in orde maken. Hoe lang? Ik denk dat de hele zaak met een weekje gepiept is. Nee, op zondag werken wij niet. Meneer, ik dank u hartelijk voor de klandizie, u ziet ons maandag verschijnen, stipt negen uur. Nee hoor, ik kom er wel uit. Waar is de deur? Hoe bedoelt u, geen deur?

kletsnatte biefstukjes

Kussen valt in dezelfde categorie als neuspeuteren, masturberen en computerprogrammeren: heerlijk om zelf te doen, maar volstrekt ongeschikt als schouwspel. Kijken naar andermans gezoen vind ik maar marginaal aantrekkelijker dan toekijken bij een liposuctie-operatie. Toch is het vrijwel onmogelijk een dag door te komen zonder met de binnenkant van andermans mond geconfronteerd te worden. Wie kent niet deze situatie: je zit in de trein, onderuitgezakt, met de diepe wens om de komende paar uur geen enkel intermenselijk contact te hebben, en dan gaat de coupédeur open. Een stelletje. Zij giechelt. Hij likt aan haar oor. Zij giechelt nog harder en kijkt intussen de coupé rond.
- Hier dan maar?
‘Hier’ is recht tegenover jou. Je norse blik noch je uitgestrekte benen hebben enig effect: zij schuift over de bank naar het raam met een soort vage vochtige blik in haar ogen die je snel je benen doet intrekken. Bij hem is het spermapeil inmiddels tot halverwege zijn oogbollen gestegen, dus hij merkt sowieso niets meer. Ze zitten nog niet of het kussen begint. Eerst schuchter, met gesloten monden, gespannen lippen die op elkaar botsen als de stootranden van botswagentjes, maar binnen een halve minuut gaan de monden open en zit je te kijken naar twee volstrekte vreemden die elkaar met kletsnatte biefstukjes te lijf gaan. Ik heb weleens iemand horen beweren dat de mens zich onderscheidt van de andere dieren doordat hij als enige gesteld is op privacy bij het paren, maar diegene heeft nog nooit in de nachttrein van Den Haag naar Amsterdam gezeten, zo rond half vier.
Nu hóef je natuurlijk niet met de trein te reizen. Maar zodra je de tv aanzet of naar de bioscoop vlucht beginnen ze wéér. Eerst moet je anderhalf uur wachten terwijl de heldin zich hardnekkig verzet tegen de avances van de mannelijke hoofdrolspeler (geheim agent, briljant jazmuzikant, gespierd aapmens) alvorens ze zich in de laatste minuten alsnog met opengesperde mond aan hem aanbiedt.
Zal ik u eens iets geks vertellen? Ik heb de afgelopen dertig jaar niet één keer meegemaakt dat een vrouw eerst tegenspartelde en daarna toegaf. Al gooide ik mijn volle vijfennegentig kilo in de strijd, het eindigde nooit met zoete overgave maar wel met een knie in mijn kruis. Maar goed, we hadden het over andermans kussen.
Het vreemde aan zo’n filmkus is dat je er volledig in op kunt gaan terwijl je weet dat er op dat intieme moment tenminste vijftien mensen en drie camera’s buiten beeld aanwezig waren, inclusief een manusje-van-alles dat stiekem de jam uit de donuts aan het zuigen is terwijl de rest bezig is met de belangrijkste scène van de film.
We weten ook dat de beste filmkussen meer met techniek te maken hebben dan met passie – of dacht u dat die ondersteboven hangende kus van Spiderman en Mary-Jane in Spiderman I echt lekker was? Natuurlijk niet. Het zag er alleen maar lekker uit, en dat is voor ons, arme smachtenden, genoeg. Want wij krijgen nooit zo’n kus, zo’n zachte, smeuïge, harde, natgeregende, riskante, naar meer smakende kus als Kirsten Dunst kreeg van Toby Macguire. Als wij een keer een gevaarlijke kus krijgen dan lijkt hij eerder op de klassieke gruwelkus zoals Jay McInnerney beschrijft in Story of mij Life: ‘Hij zet me klem tegen de deur en dan zit ik ineens vast aan dat afschuwelijke benige kleine mondje van hem, ik bedoel je kunt je mond openhalen aan de lippen van deze vent en dan heb ik het nog niet eens over zijn tong, een soort reptiel, het doet me denken aan een plaatje dat ik een keer zag in een blad, van die lampreien die zich vastzuigen aan zalmen en hun ingewanden eruit zuigen.’
Er zijn nu eenmaal veel te weinig mensen die goed kunnen kussen. Het lukt de meesten al niet eens een gewone begroetingskus tot een goed einde te brengen – twee keer? drie keer? – om nog maar te zwijgen van degenen die menen dat kussen een vorm van kunstbiljarten is, met een dozijn verplichte lebber-figuren. Kussen is een prachtige kunst, daarom kan ik er niet tegen als ik knoeiers aan het werk zie. Ik bedoel: vraag dan een vakman.


Nog is Polen niet verloren

Jeszcze Polska nie zginęła
Kiedy my żyjemy
(Nog is Polen niet verloren
zolang als wij leven)
- Jósef Wybicki, Mazurek Dąbrowskiego (Pools volkslied)

In de winter van 1999 waren we getrouwd; een koude dag, er viel natte sneeuw op ons terwijl we ons naar de tram haastten die ons naar het stadhuis zou brengen; geen trouwdag zoals je je die voorstelt, maar er was besloten dat we nog snel zouden trouwen voordat ons kind geboren werd, een beslissing waar ik mij geheel aan had overgegeven, en nog geen maand na ons jawoord en de rondvaart met onze vrienden over ijskoude, zwart oplichtende grachten werd het geboren, een meisje, en in de maanden erna was het feit dat mijn tweede roman verscheen hoogstens een onderdeel van een algehele roes, en dat het boek binnen korte tijd na verschijnen herdrukt werd en op de longlists van literaire prijzen verscheen was verheugend, maar bij lange na niet zo belangrijk als de vraag of het kleine meisje die nacht goed geslapen had, of dat het een lange dag met veel huilen zou worden. De gedachte dat het daarna nog zeven jaar zal duren voor er een volgende roman van je verschijnt is niet iets dat in zulke tijden in je opkomt.

Nadat je tweede roman is verschenen kun je niet veel anders doen dan beginnen aan een derde. Ik huurde een werkkamer aan de Weesperzijde, een kamer die door de andere bewoners – een bedrijf dat op een moderne manier aan goede doelen deed, en twee jonge vrouwen die via internet de distributie van bruiloftsgeschenken regelden – de tuinkamer werd genoemd. Hij lag aan de achterkant van het huis, en als ik aan die kamer terugdenk is het eerste wat ik zie hoe ik bij de open deuren zat, met mijn rug naar het bureau, urenlang kijkend naar de tuin of de regen die op een halve meter van mijn gezicht neerdaalde als een grijs gordijn.
Het moet in die tijd geweest zijn dat mijn tweede boek en de schrijver ervan de ronde deden langs de talkshows van Hanneke Groenteman en Paul de Leeuw, en dat er een tweede en een derde druk verschenen. Had ik Held van beroep nog geschreven met in mijn achterhoofd de bevrijdende gedachte dat niemand op een nieuw boek van mij zat te wachten (mijn eerste roman, De tol van de roem, was tenslotte ook door bijna niemand opgemerkt, behalve door een recensent van De Groene Amsterdammer – zijn jubelkreten waren het laatste teken van leven dat dat boek gaf), nu bleek dat ik een groeiend aantal lezers had – en volgens mijn uitgever zouden die moeiteloos worden overgehaald een nieuw boek van me te kopen, mits ik dat nieuwe boek binnen een termijn van twee jaar afrondde.
De mechanica van de verkoop. Een extra stimulans voor het schrijven was het niet.

Ik wist waarover het moest gaan. Over een man die groter is dan het leven zelf, en over zijn bediende. Sancho Panza, dokter Watson, meneer Topwash, Robin (of eigenlijk eerder Alfred, Batman’s bediende), dat waren een paar van de mensen die ik voor ogen had. Deze twee mannen, en de voortdurende worsteling om een voet aan de grond van de werkelijkheid te houden: daarover moest het gaan, en over Nederland, het land waarvan ik houd en dat ik verafschuw. En over Amsterdam.

‘Ze reden stapvoets door de stad, over smalle, bultige grachten waar nauwelijks ruimte was voor een auto van enige afmeting, laat staan voor een limousine. Voetgangers die ze passeerden keken nieuwsgierig en spottend naar de verduisterde ramen, vooral als ze moesten stoppen omdat de weg versperd werd door een bestelauto die verlaten midden op de weg stond. Pas na langdurig toeteren verscheen er een geërgerd gezicht vanuit een deuropening, en na nog enige minuten wachten slenterde de bestuurder langzaam naar buiten, stapte in zijn auto en trok tergend langzaam op.
Pluto zat bij het raam, met zijn handen tussen zijn knieën. Hij keek naar buiten, naar het gebutste zilveren lichaam van het water naast de kade. Ze passeerden donkere silhouetten van woonboten, onbeweeglijke zwarte blokken, en tientallen kleine, half gezonken bootjes die als gehangenen in hun stroppen aan de kade hingen.'

Het enige dat een goed begin nog in de weg stond was de titel: ik had er twee en kon niet kiezen. De eerste titel was ‘Nog is Polen niet verloren’, zijnde de eerste regel van het Poolse volkslied: Marcheer, Dabrowski! Die titel leek alle wanhoop en vergeefs optimisme te bevatten die ik nodig had voor mijn boek. De andere optie was om het boek simpelweg de naam van de hoofdpersoon mee te geven: Pluto.

Als je twee romans hebt geschreven mag je jezelf, ongeacht het succes, een ervaren schrijver noemen. Ik was een ervaren schrijver, maar er bleken dingen te zijn die ik tijdens het schrijven van die eerste twee boeken geleerd had en toch weer vergeten was.
Bijvoorbeeld dat je niet te lang moet nadenken over de titel van je boek. Bij mijn eerste boek wist ik nog voordat ik de eerste zinnen schreef dat het De tol van de roem zou gaan heten – want dat was wat we tegen elkaar zeiden als we ’s nachts na het optreden in de kleedkamer zaten met de band, en het bier op was en we de laatste sigaret tussen ons vijven verdeelden en we nog twee uur door de nacht moesten rijden voor we thuis waren: ‘Ja jongens. De tol van de roem.’
Held van beroep kwam pas toen het boek zo goed als af was. Daarvoor heette het twee jaar lang De Lange Weg naar Huis.
Het nadenken over de titel van mijn derde boek nam dat eerste jaar een groot deel van mijn werktijd in beslag. Ik zat in de tuinkamer en schreef dagelijks, maar steeds met het idee in mijn achterhoofd dat ik pas echt kon beginnen als ik had besloten wat de titel zou zijn.

Als je achteraf terugkijkt op een jaar en probeert te bedenken wat je gedaan hebt kom je vaak niet veel verder dan dat je elke dag drie maaltijden hebt gegeten en dat Kerstmis dit jaar eigenlijk wel meeviel. Aan het einde van het eerste jaar waarin ik aan Pluto werkte kon ik bogen op drie doorbraken:
1 Pluto was een werktitel;
2 ik had de namen gevonden van nog drie belangrijke hoofdpersonen, waaronder Pluto’s lijfarts Vera Alvarez;
3 de kroonprins van Nederland zou, in een fictieve gedaante, een belangrijke rol krijgen in het boek.

Voorzover ik me kan herinneren heb ik het tweede jaar dat ik aan Pluto (werktitel) werkte vooral geschreven aan het eerste hoofdstuk. Ik denk dat ik het in totaal een keer of tachtig herschreven heb. Want ook die les bleek ik vergeten: het eerste hoofdstuk dat je schrijft wordt niet het eerste hoofdstuk.
Aan het einde van dat jaar schreef ik op mijn weblog, dat ik inmiddels trouw bijhield, ondanks de voortdurende druk van columns, recensies en verhalen die ik ook moest schrijven: ‘Drie stewardessen met massieve benen stonden in de ingang van het Farewell café.’ En daaronder schreef ik: “Dit is misschien niet zo'n hele spectaculaire zin, maar ik heb er drie weken over gedaan om het juiste woord voor die benen te vinden. Dus wat mij betreft is dit een mooie vangst.”

Je kunt ongeveer drie jaar ongestoord schrijven aan een boek, als je geluk hebt, maar dan begint je omgeving zich te roeren. Je uitgever wil weten of het boek al ‘in de aanbieding kan’ en komt met een flaptekstje aanzetten; je huisgenoten beginnen zich af te vragen of die eindeloos lijkende opgraving waar je aan bezig bent nog een keer resultaat gaat opleveren; en in de steeds wijder wordende kring van vrienden, kennissen en vage bekenden zie je steeds vaker het spottende glimlachje dat betekent: ‘Hoe gaat het met je boek?’
Het is heel moeilijk uit te leggen dat je zelf al vier jaar lang niet weet hoe het met je boek gaat.
Een schrijver moet zich zo min mogelijk kunnen aantrekken van storende factoren als fans, publiek, uitgevers en recensenten. De belangen van die groepen staan lijnrecht tegenover de zijne. Waar hij behoefte heeft aan afzondering, bieden zij de wereld. Waar hij discipline nodig heeft, en concentratie, storten zij belangstelling, publiciteit en meningen over hem uit.
Vergelijk het met de scene in de film Bruce Almighty, waarin Jim Carrey als plaatsvervanger van God de gebeden van al zijn discipelen tegelijkertijd in zijn hoofd hoort weerklinken.

In die tijd schreef ik: ‘Weet je wat dat is, vergetelheid? Het is de grote prijs die aan het eind van je leven op je ligt te wachten. Nooit meer herinnerd worden aan je fouten, aan je gemiste kansen, de schaamte die in je verleden ligt te etteren en nooit meer zal genezen, al het ongewroken verraad: alles lost uiteindelijk op in de vergetelheid. Ik stel het me altijd voor als het drijven in een ijskoude zee waarin alles van me losgeweekt word en wegdrijft, en ik verstijf langzaam en alles komt langzaam tot stilstand terwijl ik steeds dieper wegzink in het koude donker dat me van alle kanten insluit.'
(Pluto, hoofdstuk 17)

Ik boog me dieper over het toetsenbord van mijn computer. Ik schreef elke dag, en als ik niet schreef dacht ik aan alle verschillende verhaallijnen in Nog is Polen niet verloren, en hoe ik die aan het einde kon samenbrengen in een wrang, onverwacht en toch logisch einde.
De zomer van het vierde jaar, en de zomer van het vijfde jaar miste ik het grootste deel van de vakantie omdat ik vond dat ik moest schrijven. Het kleine meisje, en het nog kleinere meisje dat er inmiddels bijgekomen was, gingen met hun moeder naar de camping en het strand. Enkele dagen voegde ik me bij hen, daarna haastte ik me terug naaar Amsterdam, omdat ik plotseling een nieuwe wending had bedacht die het einde van het boek zienderogen dichterbij bracht.
In die tijd schreef ik: ‘Het verlangen is weg, voorgoed, gestorven, achtergebleven op een treinstation bij een haastig vertrek. 
Ik heb geen verlangens meer, behalve, als het me vergund is, nog eens een nacht ongestoord slapen en ‘s ochtends uitgerust wakker worden.’

In de zomer van 2006 gingen wij met enkele vrienden op vakantie naar een eilandje ergens in het midden van de Middellandse Zee. Ik nam het inmiddels bijna voltooide manuscript mee.
Op de vierde nacht van onze vakantie werd ik midden in de nacht wakker. Ik voelde mij volkomen verlaten. Ik tastte naast mij. Het bed was leeg. Mijn hand dwaalde naar het nachtkastje, waar ik het manuscript had neergelegd. Ook dit bleek verdwenen.
Na een kwartier rondstommelen door het huis en door het diepe warme duister buiten vond ik haar, gelegen op het bed van een van onze jongste dochter, lezend in het manuscript. Toen ik zacht haar naam riep keek ze niet op.
De volgende middag rond een uur of drie – we lagen op het strand - sloeg ze het dicht, en zei: ‘Uit.’
Het duurde daarna nog meer dan een week voordat we het erover durfden hebben. We waren weer thuis, we zaten bij het open raam tegenover elkaar als twee kemphanen: de een met de autoriteit van zes jaar volharding, de ander met de autoriteit van de onverbiddellijke waarheid.

Anderhalf jaar na dat gesprek verscheen mijn roman Edele dieren. Het boek begon aldus: ‘Aan de ruige kust van de Tyrheense Zee, halverwege tussen Napels en het vulkaaneiland Stromboli, staat een groot, ouderwets huis met de kleur van verschoten rozen. Hoge, gereserveerde palmen wuiven de blozende gevel koelte toe, en weren nieuwsgierige blikken van de vreemdeling die vanuit het twaalf kilometer verderop gelegen stadje Santo S* hier passeert en zich afvraagt wat zich achter de hoge muur en de strenge ijzeren hekken afspeelt.’
De recensies waren gemengd. Het boek werd na een maand herdrukt, en er werd, en word nog steeds gesproken van een eventuele verfilming.

De zomer nadat mijn derde roman uitkwam was een echt Nederlandse zomer: maandenlang wachtten we erop dat hij zou beginnen, en toen bleek hij alweer voorbij. Wel zwom ik bijna elke dag met mijn twee dochters, die in de tussentijd lange benen hadden gekregen.
In de herfst van dat jaar begon ik te schrijven aan mijn vierde roman, over een man die groter is dan het leven zelf, en zijn bediende. Eén ding wist ik al: het boek zou geen Pluto gaan heten. Ook nam ik afscheid van Nog is Polen niet verloren.

Dit stuk zal eerdaags verschijnen in het ‘writers block’-nummer van Bunker Hill, al lijkt het erop dat de redactie van dat blad momenteel last heeft van een ernstig ‘verschijnings-block’, als zoiets bestaat. Voor hen, en voor u allen de beste wensen in 2008. Het eerste decennium zit er alweer bijna op. .

jaeggi om 27 december 2007 10:45