« briefgeheim | Main | de tijd dat niemand dood was »
15 oktober 2007
mosselen
‘Kom je mosselen eten?’ zei ze. ‘Het is het seizoen.’
Ik had in een opwelling de telefoon opgenomen, maar het was nog het uur van de dag dat het onmogelijk is een juiste beslissing – of eigenlijk elke vorm van beslissing – te nemen, daarom zei ik dat ik bezig was de poes te ontluizen, en of ik haar mocht terugbellen.
‘Zo moeilijk is het toch niet? Ja of nee? Je mag best nee zeggen, als je geen zin hebt, ik ben heus niet…’
Ik riep ‘kom hier rotbeest’ tegen een lege kamer en liet de hoorn op het toestel vallen. In één keer raak, gelukkig. Nu had ik ongeveer twee minuten extra tijd om te beslissen. Mosselen. Ja of nee? Mosselen. Je houdt toch van mosselen? sprak ik mezelf streng toe. Nou dan!
Maar het gáát natuurlijk niet om die mosselen, sputterde ik tegen. Het gaat om haar.
Hoezo, wat is er dan met haar? ‘t Is toch een schat van een meid? Je hebt al eerder bij haar gegeten. Je hebt zelfs bij haar op schoot gezeten. Ze kan verrukkelijk koken.
Dat laatste moest ik toegeven. Die laatste keer had ze een compleet klassiek menu op tafel getoverd, slakken, schildpadsoep, kreeft als hoofdgerecht. Ze had kennelijk iets met dieren die schelp of schaal droegen, dat viel me nu ineens op. Daarna was er een stevig ruikende kaasplank geweest, en bij de koffie zelfgemaakte bonbons. Het was zo overdadig dat ik bij elke volgende gang verwachtte dat nu eindelijk de rest van de gasten wel zou binnenkomen. Dat gebeurde niet. Eigenlijk zat ik het grootste deel van de tijd alleen aan tafel, terwijl zij in de keuken de kreeften aan het splijten was.
De telefoon ging. Mijn twee minuten waren om. Ik moest een beslissing nemen. Het zoemde in mijn hoofd. Mosselen, mosselen. Wel mosselen of niet mosselen. Mosselen, Peter van Vosselen. Ik nam de hoorn op en zei: ‘Met Van Vosselen.’
‘Met wie?’ vroeg ze verbaasd.
‘Vosselen,’ zei ik.
‘Sorry, verkeerd verbonden.’ Een scherpe klik.
Weer een minuut gewonnen. Wat nu, wat nu?, zei Pichegru. Ik herinnerde me ineens iets dat ze de vorige keer gezegd had, toen ik na de kaasplank was opgestaan om naar de wc te gaan en zij me bij mijn broekriem had gegrepen en op schoot getrokken had. Ze had brede, warme dijen.
‘Vind jij ook niet dat er veel overeenkomst is tussen verliefdheid en verkoudheid?’ vroeg ze. ‘Je kunt niet meer normaal functioneren, de medische wetenschap kent er geen remedie voor en als je het hebt wil je eigenlijk alleen maar in bed liggen.’ Haar arm lag over mijn benen als de veiligheidsstang in een achtbaanwagentje, maar op dat moment klonk een doordringend gegorgel uit de keuken. Ze riep ‘o, de koffie’ en wipte me met één beweging van haar schoot, zonder op een antwoord op haar vraag te wachten.
Ze kon elk moment weer bellen. Voor de zekerheid nam ik de hoorn op en draaide mijn eigen nummer. In gesprek. Dat was prettig. Ik draaide nog eens. Weer in gesprek. Opgelucht legde ik de hoorn neer. Het toestel begon onmiddellijk te rinkelen. Ik verbeeldde het me niet, het sloeg wel degelijk een kwaadaardige toon aan.
Er zat niets anders op. Ik moest opnemen. Nosselen. Hosselen.
‘Hallo.’
‘Hèhè, met mij. Weet je het al?’
‘Weet ik wat?’
‘Of je komt eten! Ik moet het nu weten want ik moet nog inkopen doen.’
Ik nam het toestel onder mijn arm en liep ermee naar het raam. De zon scheen een beetje, niet al te fanatiek, en aan de gracht stonden twee mannen, de een kaal, de ander met een hoed, te staren naar de punten van hun hengels die op een centimeter boven het bewegingloze, olieachtige grachtenwater hingen. Geluksvogels.
‘Lijkt me enig,’ zei ik. ‘We komen met zijn drieën.’
jaeggi om 15 oktober 2007 11:17
