« september 2007 | Main | november 2007 »

30 oktober 2007

het kortste gedicht (2)

Gisteren een ultrakort gedicht van Walter Vogt, vandaag van een tweede Walter - of, om precies te zijn: van de poes van Walter Vandenb. (Met dank aan 'Ace')


Blekkies lentegedicht

Hallo zon
Hier is mijn buik

Mooi gedicht, maar het kan korter.
Kandidaten mailen naar korter@jaeggi.nl.


Posted by jaeggi at 12:40 pm

het kortste gedicht

Volgens mij heb ik het kortste gedicht aller tijden geschreven. Maar eerst een paar andere mededingers.


Die drei Lebensalter des Menschen

da da
bla bla
ga ga

- Walter Vogt (Die Zeit, 08-02-2002)
Andere mededingers kunnen mailen naar korter@jaeggi.nl.

Posted by jaeggi at 12:36 pm

slecht vertaald gezegde wordt levensmotto (gevelsteen, handvat voor onderhandeling)

Als de worst komt tot de worst.

Posted by jaeggi at 12:31 pm

29 oktober 2007

paspoort

Zeg: die ruwweg 1100 kopieën van mijn paspoort die inmiddels in dossierkasten door heel Nederland verspreid liggen, heeft daar al eens iemand naar gekeken? Een vluchtige blik op geworpen desnoods? Ha, daar is Jaeggi's paspoortkopie, gelukkig, nu kunnen we rustig verder met ons werk.

Hallo?
Iemand?

Posted by jaeggi at 01:23 pm

corps


Ik had nog dertig tentamens te gaan, en een half jaar om ze in te doen.
Om te beginnen moest ik maar eens weg uit mijn gezellige corpshuis, naar een kamer waar ik rustig kon studeren. Een vriend die geen corpslid was - een knor, moest je dan zeggen - hielp met verhuizen. Het laatste dat wij naar mijn nieuwe kamer sleepten was mijn matras. Deze legden we op mijn fiets en zo wankelden wij over de Breestraat, langs sociëteit Minerva, waar op dat moment, het was de late borrel, een machtig kabaal uit opsteeg. Flarden van gezang, gelach en gebral tierden welig op een humuslaag van hitsig geroezemoes. Het was lang geleden dat ik er voor het laatst geweest was. Mijn tijd daar was voorbij. Ik was zo in gepeins verzonken dat ik de fiets bijna tegen een kar aanstuurde die midden op straat stond, zo'n aanhangwagen voor paardenvervoer waar ik altijd licht opgewonden van wordt - geen idee waarom.
Mijn vriend duwde de matras recht. Hij wees op de aanhangwagen en daarna op de ramen van de sociëteit, waar het lawaai aanzwol. Zuur lachend zei hij: 'Je gaat me toch niet vertellen dat ze daarbinnen een paard hebben rondlopen?'
Ik reageerde geprikkeld. ‘Ach, je moet al die lulpraatjes over het corps niet geloven. Dat is allemaal sterk overdreven.' Ik was nog niet uitgesproken of de deuren van de sociëteit zwaaiden wijd open, en tussen twee oppassers in schreed statig een kameel naar buiten.

Posted by jaeggi at 10:50 am

de mooiste stem op aarde

Zanger Robert Holl kreeg een lintje vandaag. Ik vind dat eerlijk gezegd wat overdreven: de man heeft al de mooiste stem op aarde, en dan ook nog een lintje.

Hier zingt hij Donna Nobis Pacem(Holl is de meest rechtse van het kwartet). Zelfs onder het geweld van een slordige honderd andere zangers hoor je zijn onmetelijk diepe stem overal doorheen.


Posted by jaeggi at 10:28 am

28 oktober 2007

waarom oude mannen huilen

Let op Ben, die er van dichtbij uitziet als een mooie oude leguaan.
Let ook op het mooiste meisje dat naar hem luistert.
Let op de solo van Teddy.
Let op de intellectueel met pijp en azuur trui in het publiek achter Teddy.
En let dan op de traan van Ben.

Posted by jaeggi at 10:10 am

26 oktober 2007

timing

Ik probeer elke dag tenminste 1 mail te versturen om 13.13.
Nog mooier is een blog posten om 13.13. Maar het valt niet mee, qua timing.

Posted by jaeggi at 01:05 pm

bariton

Een van mijn grotere angsten is dat op een dag niemand meer besluit nog baritonsax te gaan spelen.

Posted by jaeggi at 12:26 am

25 oktober 2007

funkles in de suikerfabriek: 5 november


Ik denk dat ik inmiddels een jaar of dertig muziek maak. Van carnavalsmuziek tot modern klassiek en big band tot salsa. Vanaf het begin met één doel: goeie jazz leren spelen. Daar zijn twee manieren voor:
1. met goeie platen meespelen;
2. met goeie muzikanten meespelen.

Die platen heb ik, ongeveer 500, daar heb je je eerste paar lessen wel mee gecoverd. En twee weken geleden kreeg ik een dag lang onschatbare muziekles van de band van Erik van der Luijt. We maakten toen opnamen voor zijn nieuwe plaat, composities, arrangementen, produktie en idee: allemaal courtesy of Erik. Ik heb die dag met open mond naar zijn pianospel staan luisteren. Ik kende hem al uit Leiden. Toen was hij al goed. Nu is hij een van de beste jazzmuzikanten van Nederland.
De plaat heet Project Corleone.
Volgens Erik wordt hij alleen in Japan uitgebracht, maar ik zal ervoor pleiten hem ook in Nederland te laten uitkomen. Het zou toch wel raar zijn als we voor de nieuwe plaat van het wonderkind van de Nederlandse jazz helemaal naar Japan moeten.
Als de plaat er is laat ik het weten.

Na Project Corleone staat het volgende muziekproject alweer op stapel: funkles van Candy in de suikerfabriek. Op 5 november a.s., en als je nu al geld hebt zou ik zo slim zijn nu alvast kaartjes te kopen - er zijn er niet zoveel.
Wat we die avond precies gaan doen weten we nog niet, maar ik kan wel een paar steekwoorden geven: Candy dus, met haar band, en Kasper, en covers van dit fijne bandje, spoken word & poetry (en dan waarschijnlijk iets levendiger dan dit), en heel veel trombonegefunk, naast muziek van Mike, naast quizmaster en tv-bekendheid een zeer goede pianist, die we trouwens nog kennen uit het immer swingende Leiden van de jaren '80. Als Candy haar zin krijgt (en dat krijgt ze vaak) doet hij ook nog mee.

Het klinkt niet als een lullige avond.

Posted by jaeggi at 09:00 am

24 oktober 2007

adriaan's onweerlegbare stellingen-parade

- Mensen die zonder het te merken onder een ladder doorlopen hoeven geen ongeluk te vrezen.
- Mensen die expres onder een ladder doorlopen om te laten zien dat ze niet bijgelovig zijn, zijn bijgelovig.
- Mensen die het lukt om onder een ladder door te lopen zonder aan bijgeloof te denken kunnen rekenen op extra geluk.

Posted by jaeggi at 12:18 pm

lees dit voor u aan het werk gaat

Ongeveer twee maanden geleden kreeg ik het verzoek een artikel over luiheid te schrijven. Ik maakte een mentale notitie, die direct wegzonk tussen urgentere zaken die mijn aandacht opeisten, zoals Coburger ham, drop en kattenbakkorrels. Ongeveer een maand later dacht ik er weer aan. Ik schreef een briefje aan mezelf (‘luiheid, niet vergeten’) en legde dat op mijn bureau, waar het zoekraakte tussen de onbetaalde rekeningen en de belastingaangifte 2005. Toen werd het mooi weer. Ik bracht een paar aangename dagen door op terrassen, waar de gedachten aan het artikel dat ik moest schrijven vanzelf naar de achtergrond dreven. Na uitgebreid genoten te hebben ging ik achter mijn bureau zitten en tikte: Wees lui! Op dat moment werd er gebeld. Het was een brommerkoerier met een verkeerde bezorging, maar voordat ik de lastpost de deur uit had gewerkt, was het tijd voor de lunch, en bij de lunch was er champagne (ik weet niet precies meer waarom). Na champagne moet ik altijd even gaan liggen. Die avond was er een verjaardag. De dag erna regende het pijpestelen en voelde ik me nauwelijks in staat mijn bed uit te komen. De dag erop, ik was de deadline inmiddels tot op een paar uur genaderd, voelde ik me verkwikt en vol energie. Ik zette me weer achter mijn bureau en zette de computer aan, toen me opviel dat mijn toetsenbord erg vies was. Ontmoedigd ging ik liggen voor een dutje, en sliep rustig door de deadline heen.
Toch leest u op dit moment een stuk over luiheid. Dat betekent dus dat er ergens in die periode een moment geweest moet zijn dat ik het artikel schreef dat u nu leest.
Het had ook anders gekund: ik had de opdracht (‘Schrijf een lichtvoetig artikel over luiheid’) flink wat gewicht mee kunnen geven door er eerst een dossier van aan te leggen, uitgebreid research te doen, eerste, tweede en derde conceptversies te maken, en op het allerlaatste moment, als de opdracht inmiddels als een molensteen om mijn nek zou hangen een freelancer in te huren die er fris tegenaan keek en het stuk in anderhalf uur zou schrijven.
Wat wil ik met dit voorbeeld aantonen?
Niets. Het is heel vermoeiend om de hele tijd dingen te moeten aantonen. Het lijkt veel te veel op activiteit, en ik ben liever passief. Sommige mensen zouden het lui noemen. Ik noem het vrijheid. Vrij, zoals mijn grote vriend Tom Hodgkinson zegt, ‘om het leven te leiden dat je wilt leven, vrij van bazen, lonen, pendelen, consumeren en schulden.’ Hodgkinson is mijn vriend sinds ik zijn boek Lof der luiheid heb gelezen. Daarin toont hij overtuigend en met vele voorbeelden aan dat werken een duivelse uitvinding is, en dat lui zijn niet alleen veel aangenamer is, maar zelfs van levensbelang voor het voortbestaan onzer beschaving. Hij haalt de filosoof Bertrand Russel aan, die de gekte van het hard werken aantoont met het voorbeeld van een speldenfabriek. In deze fabriek wordt acht uur per dag gewerkt en worden er genoeg spelden gemaakt voor de hele wereldbehoefte. Dan doet iemand een uitvinding waardoor hetzelfde aantal mensen twee keer zo veel spelden kan maken. In een redelijke wereld zou iedereen die spelden maakt dan vier uur gaan werken. Er is toch genoeg. Maar in de werkelijke wereld zullen mensen acht uur blijven werken omdat de produktie dat nu eenmaal voorschrijft, er worden veel te veel spelden gemaakt en de helft van de mensen die vroeger spelden maakten krijgt ontslag.
Dit is hoe het systeem werkt. Een wereld waarin produceren, competitie, omzetstijging, consumeren en schulden vooropstaan is een wereld vol schuldgevoel, frustratie en uitputting.
Denk niet dat dit iets van de laatste jaren is: door de eeuwen heen zijn vele geniale luiaards u voorgegaan: Lord Byron, Descartes, William Blake, Oscar Wilde, Nietschze, Sherlock Holmes, Hugh Hefner en John Lennon. Langslapers, uitstellers, nietsnutten, dichters, flaneurs. Zij begrepen waarom inactiviteit iets nobels is. Zij begrepen dat je betere resultaten boekt als je niet op je nek wordt gezeten door winstcijfers, wekkers of wc-eendreclames. Oscar Wilde zei het zo: ‘Handelen is het toevluchtsoord voor mensen die helemaal niets te doen hebben. Het is het redmiddel voor mensen die niet weten hoe te dromen.’
Een leven dat bestaat uit dromen, nadenken, mijmeren, peinzen, is dat mogelijk? Misschien niet voor iedereen. Maar laten we eens kijken naar het alternatief. Daarvoor moeten we een klein zelfonderzoek verrichten.
Wat zijn de dingen in het leven die u het meest ongelukkig hebben gemaakt? Dan praat ik niet over sterfgevallen of scheidingen, de grote rampen die niet te voorkomen zijn, maar over de kleine duivelse dingen die elke dag ons leven vergallen. Hoog op dat lijstje staat voor velen het afgaan van de wekker. Voor de meeste mensen worden de eerste jaren van hun volwassenheid, wanneer de buitenwereld toch al vreselijk verwarrend is, bepaald door wekkers en schoolbellen. In die gevoelige jaren woonde ik in een dorpje in Brabant, vanwaar elke ochtend vroeg de schoolbussen vertrokken. Om 7 uur ging mijn wekker. Blind van de slaap stond ik op, stommelde door het huis om mijn schoolspullen bij elkaar te zoeken, wankelde naar de bushalte en viel als een blok in slaap op de achterbank van de bus. Een paar haltes later werd ik ruw gewekt als er een boerenzoon uit Klundert op mijn hoofd ging zitten. De eerste uren van elke schooldag bracht ik onvermijdelijk versuft en wanhopig door. Regelmatig gleed ik midden onder de les domweg van mijn stoel en viel op de grond in slaap.
Nog steeds worden tienduizenden pubers elke dag aan deze marteling onderworpen, terwijl toch allang bewezen is dat je op die leeftijd je slaap het allerhardst nodig hebt. Een verstandige minister zou eens moeten beslissen dat een schooldag pas om 11 uur begint. Daarmee worden een hoop onderwijsproblemen in éen klap opgelost: les geven aan alerte, uitgeslapen kinderen kost veel minder moeite dan het elke ochtend op gang trekken van een onwillige, slaperige kudde.
Hetzelfde geldt voor onze beroepsbevolking. Zij worden elke ochtend in files en benauwde treincoupé’s naar hun werk gedreven. Intussen zitten honderdduizenden vrouwen thuis aan tafel tussen de ruïnes van het ontbijt, met uitzicht op een gigantische berg was- en strijkgoed in de bijkeuken. Het is niet minder dan moderne slavernij. We slijten vrijwillig onze dagen in zenuwslopende omstandigheden tussen werkoverleg en spoedvergaderingen, we worden langzaam doof tussen stampende machines of zenuwziek achter de kassa, waar we de hele dag beleefd moeten zijn tegen mensen ‘die het eigenlijk verdienden om spiernaakt bereden te worden door de duivel, met scherpe conservenblikjesdeksels als sporen’, zoals Annie Proulx het noemt. Of we draaien rond in de eindeloze tredmolen die ‘het huishouden’ heet.
Is er een andere conclusie mogelijk? Het leven dat de meesten van ons leiden is onmenselijk. Het maakt van ons nerveuze, zenuwzieke, gefrustreerde wrakken, die ver voor hun tijd opgebrand zijn en zelden gezond de pensoengerechtigde leeftijd halen. (Alleen al die formulering: het ‘halen’ van je ‘pensioengerechtigde leeftijd’! Alsof het een wedstrijd is waarbij je een beloning krijgt als je het lang genoeg volhoudt!) Maar er is een oplossing
Wees lui.
Luiheid is niet slecht: het is de manier van Moeder Natuur om het juiste tempo aan te geven. Als je moe bent moet je even slapen. Als je honger hebt moet je eten, rustig, niet tussen twee verplichtingen door, of staand aan het aanrecht. Doe de dingen in je eigen tempo. Denk eerst over wat u doet, bij voorkeur met uw benen op het bureau of keukentafel. De kans is groot dat u een betere, efficiëntere manier bedenkt om het te doen – of het juist te laten – in de tijd dat iedereen zich dood rent om op tijd te komen. Nadenken over dingen, al is het in een hangmat, is niet slecht. Het ziet er misschien nietsdoenerig uit, maar het is creatief. Of zoals een groot schrijver ooit verzuchtte (en velen na hem): ‘Ik wou dat mijn vrouw begreep dat ik ook aan het werk ben als ik uit het raam staar.’
Maar het voornaamste is: doe vooral geen dingen omdat ze altijd zo gedaan zijn. Dat is de allerslechtste reden om iets te doen, en bovendien is het niet waar. Het is bijvoorbeld pas sinds de industriële revolutie gebruikelijk dat mensen de hele dag werken. Voor die tijd werd er alleen gewerkt tot er genoeg geld was om een paar dagen van te leven. Dan legde iedereen het werk neer en spoedde zich naar de kroeg. Kortzichtig? Niet kortzichtiger dan krom liggen voor hypotheken en levensverzekeringen terwijl je weet dat je waarschijnlijk voor je pensioen al versleten bent, en nooit van je huis of je gespaarde rijkdom zult genieten.
Er wordt altijd gedaan alsof we twee levens hebben: één waarin we werken en één waarin we genieten van een welverdiende wat dan ook. Dat is een grote leugen. We hebben maar één leven, en dat is nu. Je bent gek als je al die kostbare tijd vermorst met zoiets onbelangrijks als werken.


(Verder lezen?
Tom Hodgkinson: Lof der luiheid. Vertaling Thijs Bartels. Uitgeverij De Bezige Bij, 312 p., € 17,90.
Corinne Maier: Liever lui – De kunst van effectief nietsdoen op het werk. Spirit, 123 p., € 12,50)


Posted by jaeggi at 08:49 am

23 oktober 2007

adriaan's aforismentrommel


- het bedenken van een aforisme is als het nemen van een aspirine terwijl je weet dat je niet ziek bent

Posted by jaeggi at 09:41 am

22 oktober 2007

BNP - meer slecht nieuws

'President Hu Jintao streeft ernaar het Bruto Binnenlands Product per hoofd van de bevolking in 2020 te hebben verviervoudigd.' - Het Parool, vandaag.

(Zie verder hieronder.)

Posted by jaeggi at 06:04 pm

het bruto nationaal produkt

Ik had al een tijdje niet meer over ons Bruto Nationaal Produkt nagedacht. Om precies te zijn: niet meer sinds 3 Athenaeum, het jaar waarin ik Economie I en II uit mijn pakket liet vallen ('Het BNP is het totale inkomen van de mensen die in een land wonen, ongeacht of ze in dat land werken of niet.')
Het BNP per hoofd van de bevolking (BNP gedeeld door aantal inwoners) is een maat voor de rijkdom of armoede van een land. Kijk maar op eens op dit lijstje; ik mag Economie indertijd dan hebben laten vallen, ik ben toch blij dat we qua BNP boven België en Finland staan.
Dat neemt niet weg dat het huidige BNP een economische monstruositeit is. Het onderscheidt namelijk geen 'goede' economische activiteit (bouw van ziekenhuizen, verkoop van broccoli van gegarandeerd biologische teelt) of 'slechte' economische activiteit (overbevissing, verkoop van giftig Japans speelgoed): het telt alle economische activiteit bij elkaar op.
De columnist Bill Bryson schrijft hier boeiend over (vertaling van mij): 'In feite genereren slechte activiteiten meer BNP dan goede. Kort geleden was ik in Pennsylvania bij een zinkfabriek wiens uitstoot van afvalstoffen zo vervuilend was dat een complete berg erdoor ontbost was. Van het hek om de fabriek heen tot de top van de berg was nergens meer een sprietje vegetatie te vinden. Maar gezien vanuit een BNP-perspectief was dit geweldig.
Allereerst had de economie geprofiteerd van alle zink dat de fabriek jarenlang had veredeld en verkocht. Vervolgens was er economische winst vanwege de tientallen miljoenen dollars die de overheid moest besteden aan de schoonmaak van het terrein en de berg. En tenslotte zal het BNP nog lang blijven groeien door de medische behandeling van alle arbeiders en mensen in de stad die ziek zijn geworden van de vervuiling. In conventionele economische termen is dit allemaal winst, geen verlies. Dat geldt ook voor overbevissing en ontbossing. Kort gezegd: hoe roekelozer we onze natuurlijke hulpbronnen opgebruiken, hoe meer het BNP glanst. Of zoals de econoom Herman Daly ooit zei: "Het huidige nationale economische systeem behandelt de aarde alsof het een boedel onder failissement is."'

Waarmee ik maar wil zeggen: degenen die blijven volhouden dat economische groei met procenten per jaar de enige manier is om te overleven, hadden tegelijk met die andere dinosaurussen moeten uitsterven.
En voorzover die aansporing nodig is: lees Bill Bryson.


Posted by jaeggi at 11:56 am

20 oktober 2007

de tijd dat niemand dood was

(deze recensie verscheen afgelopen donderdag in Het Parool)

Op 24 september 1964 sprak de schrijver K. Schippers in de Groene Amsterdammer de profetische woorden: ‘Toch geloof ik, dat Koos van Zomeren een goed dichter kan worden.’
Zoiets heet een vergiftigd compliment: het impliceert natuurlijk dat Van Zomeren op dat moment geen goeie dichter was.
De vraag is nu: had K. Schippers gelijk? Het zou leuk zijn om daarvoor een oud gedicht van Van Zomeren te bekijken, maar de bundel die Schippers in 1964 besprak, Van Zomeren’s debuut De wielerkoers van Hank is natuurlijk allang niet meer in druk. Maar inmiddels is, wellicht aangemoedigd door het enthousiasme
Van K. Schippers, Van Zomeren’s tweede bundel verschenen: Ik heet welkom. Het minste wat we van Van Zomeren als dichter kunnen zeggen is dat hij niet in het wilde weg bundels publiceert.

So-long Saddam

Een boom met de bijl aan zijn voet
een paard dat voelt dat het pistool
in zijn oor wordt gestoken
een hond die kijkt hoe het spuitje
in gereedheid wordt gebracht;
een man die het schavot betreedt
ga daar maar aan staan dan – zoals je
zo vaak ergens hebt gestaan.

De onwetendheid van een lichaam
tot het daarvan wordt verlost.

Ik heb nog niet veel gedichten gelezen over de dood van Saddam. Niet een, om precies te zijn. Het is ook niet meteen het eerste onderwerp dat je te binnen schiet als je een gedicht van plan bent. Alleen al vanwege de onderwerpskeuze heeft dit gedicht bij mij een streepje voor. Ik vind het ook sterk dat het pas laat duidelijk wordt waar het over gaat. Eigenlijk zou de titel pas op het eind moeten staan. Of je zou het eerst moeten lezen zonder titel en daarna nog eens, zodat je er van de weeromstuit nog eens van opschrikt, en je kunt ontdekken op welke verschillende manieren je tegen zo’n gedicht aankijkt als het ineens veel specifieker is (overigens ben ik van mening dat gedichten eigenlijk geen titels zouden moeten hebben – vaak is het de uitslag verklappen voordat je de wedstrijd gezien hebt).
Wat de vergelijkingen met dieren betreft ben ik het niet met de dichter eens. Het wil er bij mij niet in dat een hond die een spuit ziet klaarmaken ook maar in de verste verte iets kan voelen dat zich laat vergelijken met de stormen die op het moment vlak voor de dood in Saddam moeten hebben gewoed. Maar in de slotregels maakt dat niet meer uit, als we allemaal, mens en dier, tot lichamen worden gereduceerd.
Wat dit gedicht vooral sterk maakt is de sterke empathie die Van Zomeren heeft met bijna elk levend wezen. Je ziet dat ook bijvoorbeeld in de column die hij schrijft op de achterpagina van het NRC: een column over bomen, nota bene. Waarschijnlijk is Van Zomeren de enige Nederlandse schrijver die een levendige column kan schrijven over zoiets statisch als een boom.
De natuur is hoe dan ook nooit ver weg in zijn poëzie. Dat betekent niet dat zijn gedichten het lieftallige stilleventjes zijn: als er iets is waar Van Zomeren oog voor heeft is het wreedheid, vooral achteloze wreedheid. ‘Als het geen pijn deed zou het niet leven’, schrijft hij over een emmer paling, ‘niet kronkelen, de graaiende visboer niet zo gretig bij zijn pols/ omstrengelen./ Die dieren stikten in het zaagsel.’
Behalve de wreedheid van de mens is er ook de wreedheid van de tijd, waar Van Zomeren zich zeer van bewust is. Dat komt sterk naar voren in het gedicht Toen iedereen nog leefde. Van Zomeren mijmert daarin over het paradijselijke Nederland waarin hij opgroeide: ‘De emmers nog van zink/ en boordevol gerammel, melk/ die gutsend in bussen gegoten/ aan de dijk werd gezet.’ Het is eerst een wat tamme lofzang op het verleden, tot de laatste regels, waarin Van Zomeren zichzelf ineens middenin dat verleden plaatst, als met een tijdmachine: ‘Ze zijn er/ ze zijn er allemaal/ er is nog niemand dood.’
En waar je net nog in een prentenboek met nostalgische plaatjes zat te bladeren realiseer je je ineens dat er inderdaad een tijd was dat nog niemand dood was. En wat lijkt het lang geleden.
Iemand die dat kan bewerkstelligen is een knap dichter. Heeft die ouwe praatjesmaker van een Schippers toch gelijk gekregen.


Koos van Zomeren, Ik heet welkom. Uitgeverij De Arbeiderspers, € 14,90.

Posted by jaeggi at 05:13 pm

15 oktober 2007

mosselen

‘Kom je mosselen eten?’ zei ze. ‘Het is het seizoen.’
Ik had in een opwelling de telefoon opgenomen, maar het was nog het uur van de dag dat het onmogelijk is een juiste beslissing – of eigenlijk elke vorm van beslissing – te nemen, daarom zei ik dat ik bezig was de poes te ontluizen, en of ik haar mocht terugbellen.
‘Zo moeilijk is het toch niet? Ja of nee? Je mag best nee zeggen, als je geen zin hebt, ik ben heus niet…’
Ik riep ‘kom hier rotbeest’ tegen een lege kamer en liet de hoorn op het toestel vallen. In één keer raak, gelukkig. Nu had ik ongeveer twee minuten extra tijd om te beslissen. Mosselen. Ja of nee? Mosselen. Je houdt toch van mosselen? sprak ik mezelf streng toe. Nou dan!
Maar het gáát natuurlijk niet om die mosselen, sputterde ik tegen. Het gaat om haar.
Hoezo, wat is er dan met haar? ‘t Is toch een schat van een meid? Je hebt al eerder bij haar gegeten. Je hebt zelfs bij haar op schoot gezeten. Ze kan verrukkelijk koken.
Dat laatste moest ik toegeven. Die laatste keer had ze een compleet klassiek menu op tafel getoverd, slakken, schildpadsoep, kreeft als hoofdgerecht. Ze had kennelijk iets met dieren die schelp of schaal droegen, dat viel me nu ineens op. Daarna was er een stevig ruikende kaasplank geweest, en bij de koffie zelfgemaakte bonbons. Het was zo overdadig dat ik bij elke volgende gang verwachtte dat nu eindelijk de rest van de gasten wel zou binnenkomen. Dat gebeurde niet. Eigenlijk zat ik het grootste deel van de tijd alleen aan tafel, terwijl zij in de keuken de kreeften aan het splijten was.
De telefoon ging. Mijn twee minuten waren om. Ik moest een beslissing nemen. Het zoemde in mijn hoofd. Mosselen, mosselen. Wel mosselen of niet mosselen. Mosselen, Peter van Vosselen. Ik nam de hoorn op en zei: ‘Met Van Vosselen.’
‘Met wie?’ vroeg ze verbaasd.
‘Vosselen,’ zei ik.
‘Sorry, verkeerd verbonden.’ Een scherpe klik.
Weer een minuut gewonnen. Wat nu, wat nu?, zei Pichegru. Ik herinnerde me ineens iets dat ze de vorige keer gezegd had, toen ik na de kaasplank was opgestaan om naar de wc te gaan en zij me bij mijn broekriem had gegrepen en op schoot getrokken had. Ze had brede, warme dijen.
‘Vind jij ook niet dat er veel overeenkomst is tussen verliefdheid en verkoudheid?’ vroeg ze. ‘Je kunt niet meer normaal functioneren, de medische wetenschap kent er geen remedie voor en als je het hebt wil je eigenlijk alleen maar in bed liggen.’ Haar arm lag over mijn benen als de veiligheidsstang in een achtbaanwagentje, maar op dat moment klonk een doordringend gegorgel uit de keuken. Ze riep ‘o, de koffie’ en wipte me met één beweging van haar schoot, zonder op een antwoord op haar vraag te wachten.
Ze kon elk moment weer bellen. Voor de zekerheid nam ik de hoorn op en draaide mijn eigen nummer. In gesprek. Dat was prettig. Ik draaide nog eens. Weer in gesprek. Opgelucht legde ik de hoorn neer. Het toestel begon onmiddellijk te rinkelen. Ik verbeeldde het me niet, het sloeg wel degelijk een kwaadaardige toon aan.
Er zat niets anders op. Ik moest opnemen. Nosselen. Hosselen.
‘Hallo.’
‘Hèhè, met mij. Weet je het al?’
‘Weet ik wat?’
‘Of je komt eten! Ik moet het nu weten want ik moet nog inkopen doen.’
Ik nam het toestel onder mijn arm en liep ermee naar het raam. De zon scheen een beetje, niet al te fanatiek, en aan de gracht stonden twee mannen, de een kaal, de ander met een hoed, te staren naar de punten van hun hengels die op een centimeter boven het bewegingloze, olieachtige grachtenwater hingen. Geluksvogels.
‘Lijkt me enig,’ zei ik. ‘We komen met zijn drieën.’

Posted by jaeggi at 11:17 am

12 oktober 2007

briefgeheim

Mijn computer kan meer dan ik kan.

Posted by jaeggi at 09:56 am

10 oktober 2007

bronnen van wijsheid (afl. 124)

Iedereen is ongelukkig op de manier die hem gelukkig maakt.

Posted by jaeggi at 04:59 pm

nieuwe boete

Zelfs als het hele voetbal je geen moer kan schelen en je spontaan over je nek gaat als iemand weer eens met vochtige ogen begint over de tijd dat je nog ‘met een bordje op schoot klaarzat voor Studio Sport’, zelfs als je dacht dat dat hele circus van opgefokte ego’s, belangenverstrengeling en adembenemende botheid je niet meer kon verbazen, dan blijkt er toch nog een overtreffende trap van schaamteloosheid te zijn. Ik heb het natuurlijk over ex-Ajaxtrainer Henk ten Cate, die afgelopen vrijdag met een stalen gezicht beweerde dat hij met Ajax kampioen wilde worden, terwijl iedereen toen al wist dat hij een overeenkomst had gesloten met zijn nieuwe club Chelsea.
Ten Cate zit inmiddels in Londen. Hij heeft het loden juk van Ajax afgeschud en zit nu voor veel meer geld op een veel minder risicovolle plek, als hulptrainer van Chelsea. Kostje gekocht, kat in het bakkie. Het ergste is nog dat hij waarschijnlijk denkt dat hij het handig heeft aangepakt. En de club, ach, die komt er wel bovenop. Zo’n kans komt maar één keer, je bent gek als je die niet pakt, je wilt geen dief van je eigen portemonnee zijn, enz, enz, dat werk.
Ik ben er toch nog steeds niet echt aan gewend. Dat iemand bij zijn aanstelling de mond vol heeft van ouderwetse begrippen als clubliefde, verantwoordelijkheid, moed en eer, en dat die bij het afscheid ineens niet meer meetellen.
Eer? Waar heb je het in godsnaam over? Eer? Probeer er maar eens een brood voor te kopen.
Ik herken er de houding in van topbestuurders die net hun opties hebben verzilverd voor tientallen miljoenen. En waarom niet? Dit was toch bij mijn aanstelling afgesproken? Staat toch in mijn contract?Dan heb ik er toch recht op? Ik weet dat het bedrijf momenteel niet optimaal draait, maar dat was niet mijn verantwoordelijkheid, en je wilt geen dief van je eigen portemonnee zijn…

Nu zal het me werkelijk een zorg zijn of een of andere topbestuurder miljoenen opstrijkt voor twee jaar duimendraaien. Of dat Henk ten Cate voor een vergelijkbaar bedrag zijn kunstje in Engeland gaat doen. Als iemand denkt gelukkiger te worden van nog een paar miljoen extra voel ik eerder medelijden dan iets anders.
Maar het is wat Ten Cate achterlaat dat me woedend maakt. Rond die club bevindt zich momenteel een groot publiek dat weer extra voedsel heeft voor de primitieve maar begrijpelijke gedachte dat mensen op hoge posities niet te vertrouwen zijn. Die hier een rechtvaardiging in zien van hun eigen slechte gedrag, en teksten uitslaan als: 'het zijn toch allemaal zakkenvullers' en 'zie je wel dat je ze niet kunt vertrouwen'...
En het gaat hier ‘maar’ om een voetbaltrainer, maar het vertrouwen in mensen die een verantwoordelijke positie bekleden is opnieuw geschaad. Dat is het probleem: Ten Cate, topbestuurders die zich verrijken, politici die onzorgvuldig omspringen met gemeenschapsgeld: ze ondermijnen het vertrouwen in de samenleving. Ook al is er juridisch gezien niets op hun gedrag aan te merken: bestuurders en mensen die veel in de publiciteit komen hebben een extra morele verantwoordelijkheid. Ze hoeven niet van onbesproken gedrag te zijn, maar ze moeten zich realiseren dat alles wat zij doen van invloed is op de manier waarop wij, burgers, tegen de samenleving aankijken.
Laat ik het nog iets concreter stellen: Henk ten Cate heeft door zijn egoïstische gedrag grote schade toegebracht aan de Nederlandse samenleving. Lees de commentaren er maar op na. Cynisme, woede en gelatenheid strijden om de voorrang.
Wat mij betreft hoort iemand die zijn omgeving zo benadeelt gestraft te worden. Er is vast wel een nieuw soort boete of belasting te verzinnen, speciaal voor gluipkoppen die alleen maar aan zichzelf denken, en daarmee hebzucht, oneerlijkheid en wantrouwen zaaien.


Posted by jaeggi at 11:07 am

07 oktober 2007

just push the button

Bij alle aandacht voor ongewenste intimiteiten lees ik nooit eens wat over de wildvreemden die je op straat aanklampen om een foto te nemen. En al helemaal niet waarom ze mij altijd moeten hebben. Sommige mensen worden nóóit lastiggevallen, maar ik kan de straat niet op of ik loop recht in de armen van bijvoorbeeld een Japanse heer die mij een camera ter grootte van een lucifersdoosje in mijn hand drukt, waarna hij zich zonder op- of omkijken in het verkeer stort en de straat oversteekt naar zijn vrouw, een slordig in plastic verpakt souvenir van veertig jaar huwelijk dat bibberend voor het Anne-Frankhuis staat.
Op het cameraatje is lens noch knop te vinden.
De Japanse heer gebaart heftig. Ik wijs: hier? Hij schudt zijn hoofd. Hier misschien? Hij slaat beide handen om zijn vrouw’s nekje en schud haar krachtig heen en weer. Wanhopig zwaai ik met het cameraatje: hier dan? Hij laat zijn vrouw los en stort zich opnieuw in het langsrazende verkeer. Als hij door een godswonder weer ongedeerd de overkant heeft bereikt rukt hij het cameraatje uit mijn hand en richt het op zijn vrouw, die versuft tegen de gevel van het Anne-Frankhuis leunt. Zó doe je dat, rund, gebaart hij, want het gebaar voor Zó doe je dat, rund is over de hele wereld hetzelfde.
Ik houd de camera voor mijn oog en zoek met mijn vingertoppen het gladde omhulsel af naar een knopje, een oneffenheid, een ribbel. Niks. Ik doe of ik afdruk en steek de camera zegevierend in de hoogte. Nippon breekt uit in een stralende lach. Ze rennen de straat over, onder gekrijs van remmen en gevloek van automobilisten. De vrouw grijpt mijn handen en drukt ze tegen haar voorhoofd. Haar man richt zijn camera op ons. Neenee, protesteer ik. Hij doet of hij me niet begrijpt. De vrouw laat mijn handen niet los. Hij drukt af. Ze lachen en zwaaien en ik loop verder met de nijpende vraag wat hij straks gaat doen met de foto van die Amsterdamse kerel die geen foto van hem en zijn vrouw bij het Anne-Frankhuis heeft gemaakt. Had ik moeten zeggen dat mijn geloof het verbiedt, foto’s? Of dat ik bang ben dat ik mijn ziel verlies aan een foto, zoals aboriginals?
Omdat ik niet oplet loop ik recht in de armen van een paar rugzakkers. Een stelletje. Zij draagt een bandana, hij een monsterachtige camera, een soort naakt motorblok met een lens als een kanon.
‘Sorry mate, but would you mind?’
Zonder op antwoord te wachten hangt hij me de camera om en zegt: ‘Just push the button, mate.’ Ze posteren zich tegen de brugleuning. Hij slaat een arm om zijn vriendin heen, best een mooi exemplaar als er niet allemaal ijzer door haar heen geboord was. Met grote inspanning til ik de camera op ooghoogte en richt. Ze zijn bleke vlekken in de verte. Ik draai met één hand aan de lens. Nu zijn ze bleke vlekken van heel dichtbij.
‘Just push the button, mate,’ roept hij.
Ik druk af. De lens krimpt in elkaar alsof ik hem een klap verkocht heb.
‘No, no…’ De jongen komt aanhollen. Hij trekt de camera uit mijn hand, richt hem op zijn vriendin, die verveeld in de gracht staart, en geeft hem terug.
‘Just push the button. This one. Okay?’
Als ik de camera weer hef buigen ze naar elkaar toe en kussen, kussen die al snel overgaan in diepe kussen. Tongen glibberen in en uit. Hij knijpt in haar borsten. Zij wrijft met haar hand over zijn gulp. Hij geeft een liefdevolle ruk aan haar piercings.
‘Okay!’ roep ik.
Ze kijken verdwaasd op. Hij loopt naar me toe en neemt de camera over, en wijst dat ik naast zijn vriendin moet gaan staan. Zij kijkt me misprijzend aan, maar ik sla een arm om haar heen, pers haar tegen me aan en knijp met mijn andere hand ontzettend hartelijk in haar borsten. Ja, wie is er nou begonnen?

Posted by jaeggi at 03:46 pm

05 oktober 2007

constantinopel

Een geheel waarheidsgetrouw verslag van mijn reisje naar Istanbul staat hier. Kort, maar met foto's!

Dit is overigens slechts het verslag van 1 middag. Ik was er vijf dagen, en er is veel meer te vertellen, misschien komt dat nog. In elk geval ben ik momenteel bezig met een gedicht over die stad als een continent (16 miljoen mensen en elke dag groeiend met ongeveer 10.000 nieuwe inwoners)
Werktitel: een gooi naar het stadsdichtersschap van Istanbul.


Posted by jaeggi at 02:24 pm

04 oktober 2007

nessun dorma

Waarom heeft de nacht zo’n slechte naam? Als we erover nadenken moeten we toegeven dat de meeste van onze nachtelijke angsten stammen uit de tijd dat er nog sabeltandtijgers rondliepen. Het is een oerangst. Roofdieren jagen ’s nachts, en wij zijn het meest kwetsbaar als we slapen. Maar in dit tijdperk woont het grootste deel van de wereldbevolking in de stad, en wie in een stad woont vergeet hoe de nachten vroeger waren. Soms denken we er even aan terug als we op vakantie onder een sterrenhemel liggen die niet vergiftigd wordt door licht. Maar de tijd dat de nacht de tijd was om binnen te blijven ligt ver achter ons. Er is weinig meer over om ’s nachts bang voor te zijn, in de zeeën van licht waarin onze steden zwemmen.
Overdag bevolken we de kantoren, de treinen, de wasserettes en copyrettes. Overdag is de tijd dat we het leven plichtmatig afwerken, dat we de dingen doen die nu eenmaal gedaan moeten worden. En intussen kijken we verlangend uit naar het einde van de dag.
In zuidelijke landen begint dan het leven, het flaneren, flirten en lachen, als de zon onder is en iedereen naar buiten komt om te genieten van de koele avondlucht. Wie vroeg naar bed gaat is gek: de nacht is lang en vol belofte. ‘s Nachts zijn er geen verplichtingen, behalve om plezier te maken - behalve voor de enkele ongelukkigen die juist dan naar hun ploegendienst gaan, of naar hun plek achter de balie van de snackbar om hongerige nachtmensen te voeden. Voor de rest van ons is de nacht de tijd dat we tot leven komen.
Denk eens na: wanneer hoorde je voor het laatst muziek die je echt raakte, diep in je hart? Wanneer ontmoette je degene met wie je voor altijd samen wilde zijn? Wanneer voelde je voor het laatst die diepe, bijna clandestiene opwinding die het leven de moeite waard maakt? Tien tegen een dat het ’s nachts was. Niet verwonderlijk, want ’s nachts staan onze zintuigen op scherp. Je zou zeggen dat we juist overdag meer zien, meer horen, meer openstaan voor het leven om ons heen. Maar dat leven overdag is inmiddels zo overvol geworden dat we het grootste deel van de dag in een soort verdoving doorbrengen, murw van de massa’s, het verkeer, het bombardement van reclame, nieuws en meningen.
’s Nachts is er geen reclame, geen nieuws, er zijn geen meningen. Er is wel leven, in politiebureau’s, ziekenhuizen, op krantenredacties en in fabrieken. Maar het is een ander soort leven, met andere kleuren, andere geluiden, andere verhoudingen. Als u wilt weten wat ik bedoel, kijk eens naar de herhalingen van de beste series die ooit op tv waren: ER en Hill Street Blues. Het leven in die series speelde zich merendeels ’s nachts af. Niet voor niets: ze waren een aaneenschakeling van overvallen, moorden, verkrachting, ongelukken en gebroken harten. Het zou ondraaglijk zijn als het niet ’s nachts gebeurd was. In die series gebruikten ze de nacht, de regen op het asfalt, de sluimerende moeheid als troost - zoals wij zelf doen.
Jaren geleden werkte ik een zomer in een fabriek in Moerdijk: de nachtdienst begon om 10 uur ’s avonds en eindigde om zes uur in de ochtend. Het was zwaar werk, rond die eeuwig voortdenderende machines, maar toen ik eruit was was alles anders. Ik heb weleens gedacht dat ik sinds die tijd nooit meer goed aan de dag heb kunnen wennen. En al zong Wim de Bie ooit spottend: ‘Mooie mensen in de nacht, lege nachten vol pretentie/ Het cafe zit overvol, toch klinkt de ruimte hol’, ik hoor het met instemming aan. Natuurlijk, nooit wordt er slapper geouwehoerd dan in het nachtelijk café waarvan de klanten niet naar huis willen. Maar op geen ander tijdstip wordt ons onze slappe praat en onze kwetsbaarheid makkelijker vergeven. De kater komt als we elkaar de volgende ochtend aantreffen in het onthullende ochtendlicht, en we schrikken van wat de nacht ons gebracht heeft. Ja, de nacht is bedrieglijk, maar zonder bedrieglijkheid kunnen we niet leven. En voor degenen die het nog niet begrepen hebben: dit stuk is geschreven in de uren na middernacht, toen alles sliep behalve wij.

Posted by jaeggi at 11:59 pm

kindervers

De KinderKomrij is verschenen. Wij zongen altijd dit (wijs: Lili Marleen):

ga je mee naar boven
ga je mee naar bed
ga je lekker slapen
einde van de pret
o, wat een lange, lange dag
'k ben blij dat ik
nu slapen mag
de hele lange avond
de hele lange nacht

Ik zing het nog steeds, af en toe. Het werkt.

Posted by jaeggi at 09:08 am

03 oktober 2007

het hebzuchtseizoen

Er zijn ergere dingen dan het krijgen van een cadeaubon, maar niet veel. De ontvanger van een cadeaubon weet namelijk één ding zeker: de vriendschap heeft zijn langste tijd gehad. De gulle gever is zelfs de kleine moeite van het kopen van een boek of cd uit de Top 5 teveel moeite geweest. De cadeaubon moet dan ook vooral beschouwd worden als een feilloos middel om zieltogende vriendschappen mee te beëindigen.
Marginaal minder erg dan een cadeaubon is een cadeau uit de Kadowinkel.
Kadowinkels heten Hebbes! of Habbekrats. Mensen die geen talent hebben voor het kopen van cadeau’s gaan naar een kadowinkel, waar ze, de naam zegt het al, dingen kopen die enkel kado zijn. Briefkaarthouders. Grappige zonnebrillen. Ondeugende pennen. Grappig bestek. Flesopeneners in de vorm van een fles. Verbazend veel uurwerken: in de vorm van een dier, in de vorm van een futuristisch voertuig, zolang het maar niet op een klok lijkt.
Het krijgen van een kado uit een kadowinkel is minder beledigend dan het krijgen van een cadeaubon, maar het geeft wel haarfijn het onvermogen van de gever aan. Schenken is namelijk een kunst. Men heeft er talent voor of niet. Het is mooi als je goed piano kunt spelen, het bereiden van een lekkere maaltijd is ook belangrijk, maar het geven van de juiste cadeau’s is een onderschatte kunst. Het is mogelijk om iemand met het juiste cadeau de adem te benemen. Eén keer heb ik meegemaakt dat iemand in tranen uitbarstte - maar goed, toen betrof het een witgouden ring met een vierentwintig karaats diamant erin. Cadeau’s van die orde van grootte hebben meestal wel het beoogde effect.
Het is natuurlijk geen kunst om met diamanten en Ferrari’s te strooien. Het is met hagel schieten: je raakt altijd wel wat. De begaafde schenker doet het met minder, maar schiet precies raak. Hij geeft de ontvanger het gevoel dat ze iets krijgen wat tot dan toe aan hun leven heeft ontbroken. Nu het Hebzuchtseizoen met rasse schreden nadert geef ik daarom enkele tips voor degenen die weten dat het zaliger is te geven dan te ontvangen.
- Koop ook cadeau’s als de gelegenheid er nog niet is. Om de een of andere reden zijn in Mei altijd de beste kerstcadeau’s in de aanbieding.
- Als een cadeau is aangeslagen: koop het in tienvoud, dan zit je voorlopig goed. Hou wel bij welke jubilaris wat heeft gekregen, twee keer hertzelfde cadeau geven is even slecht voor je reputatie als kraaiend van plezier worden aangetroffen op een waterfiets.
- Geef nooit iets dat je zelf zou willen hebben. Dan heb je namelijk een rotavond, verduisterd door jaloezie.
- Schat bij het kiezen de smaak van een vrouw altijd iets hoger in dan die in werkelijkheid is, en die van een man iets lager. Ze zullen je beiden dankbaar zijn.

Posted by jaeggi at 10:59 am

02 oktober 2007

de enige woordspeling die vandaag in me wil opkomen


Gurkha’s tegen Burkha's.

Posted by jaeggi at 10:10 am