« mosselen | Main | het bruto nationaal produkt »
20 oktober 2007
de tijd dat niemand dood was
(deze recensie verscheen afgelopen donderdag in Het Parool)
Op 24 september 1964 sprak de schrijver K. Schippers in de Groene Amsterdammer de profetische woorden: ‘Toch geloof ik, dat Koos van Zomeren een goed dichter kan worden.’
Zoiets heet een vergiftigd compliment: het impliceert natuurlijk dat Van Zomeren op dat moment geen goeie dichter was.
De vraag is nu: had K. Schippers gelijk? Het zou leuk zijn om daarvoor een oud gedicht van Van Zomeren te bekijken, maar de bundel die Schippers in 1964 besprak, Van Zomeren’s debuut De wielerkoers van Hank is natuurlijk allang niet meer in druk. Maar inmiddels is, wellicht aangemoedigd door het enthousiasme
Van K. Schippers, Van Zomeren’s tweede bundel verschenen: Ik heet welkom. Het minste wat we van Van Zomeren als dichter kunnen zeggen is dat hij niet in het wilde weg bundels publiceert.
So-long Saddam
Een boom met de bijl aan zijn voet
een paard dat voelt dat het pistool
in zijn oor wordt gestoken
een hond die kijkt hoe het spuitje
in gereedheid wordt gebracht;
een man die het schavot betreedt
ga daar maar aan staan dan – zoals je
zo vaak ergens hebt gestaan.
De onwetendheid van een lichaam
tot het daarvan wordt verlost.
Ik heb nog niet veel gedichten gelezen over de dood van Saddam. Niet een, om precies te zijn. Het is ook niet meteen het eerste onderwerp dat je te binnen schiet als je een gedicht van plan bent. Alleen al vanwege de onderwerpskeuze heeft dit gedicht bij mij een streepje voor. Ik vind het ook sterk dat het pas laat duidelijk wordt waar het over gaat. Eigenlijk zou de titel pas op het eind moeten staan. Of je zou het eerst moeten lezen zonder titel en daarna nog eens, zodat je er van de weeromstuit nog eens van opschrikt, en je kunt ontdekken op welke verschillende manieren je tegen zo’n gedicht aankijkt als het ineens veel specifieker is (overigens ben ik van mening dat gedichten eigenlijk geen titels zouden moeten hebben – vaak is het de uitslag verklappen voordat je de wedstrijd gezien hebt).
Wat de vergelijkingen met dieren betreft ben ik het niet met de dichter eens. Het wil er bij mij niet in dat een hond die een spuit ziet klaarmaken ook maar in de verste verte iets kan voelen dat zich laat vergelijken met de stormen die op het moment vlak voor de dood in Saddam moeten hebben gewoed. Maar in de slotregels maakt dat niet meer uit, als we allemaal, mens en dier, tot lichamen worden gereduceerd.
Wat dit gedicht vooral sterk maakt is de sterke empathie die Van Zomeren heeft met bijna elk levend wezen. Je ziet dat ook bijvoorbeeld in de column die hij schrijft op de achterpagina van het NRC: een column over bomen, nota bene. Waarschijnlijk is Van Zomeren de enige Nederlandse schrijver die een levendige column kan schrijven over zoiets statisch als een boom.
De natuur is hoe dan ook nooit ver weg in zijn poëzie. Dat betekent niet dat zijn gedichten het lieftallige stilleventjes zijn: als er iets is waar Van Zomeren oog voor heeft is het wreedheid, vooral achteloze wreedheid. ‘Als het geen pijn deed zou het niet leven’, schrijft hij over een emmer paling, ‘niet kronkelen, de graaiende visboer niet zo gretig bij zijn pols/ omstrengelen./ Die dieren stikten in het zaagsel.’
Behalve de wreedheid van de mens is er ook de wreedheid van de tijd, waar Van Zomeren zich zeer van bewust is. Dat komt sterk naar voren in het gedicht Toen iedereen nog leefde. Van Zomeren mijmert daarin over het paradijselijke Nederland waarin hij opgroeide: ‘De emmers nog van zink/ en boordevol gerammel, melk/ die gutsend in bussen gegoten/ aan de dijk werd gezet.’ Het is eerst een wat tamme lofzang op het verleden, tot de laatste regels, waarin Van Zomeren zichzelf ineens middenin dat verleden plaatst, als met een tijdmachine: ‘Ze zijn er/ ze zijn er allemaal/ er is nog niemand dood.’
En waar je net nog in een prentenboek met nostalgische plaatjes zat te bladeren realiseer je je ineens dat er inderdaad een tijd was dat nog niemand dood was. En wat lijkt het lang geleden.
Iemand die dat kan bewerkstelligen is een knap dichter. Heeft die ouwe praatjesmaker van een Schippers toch gelijk gekregen.
Koos van Zomeren, Ik heet welkom. Uitgeverij De Arbeiderspers, € 14,90.
jaeggi om 20 oktober 2007 17:13
