« ha fijn, weer nederlandse kranten | Main | tromboneliefde »

16 augustus 2007

nicht die bierernst

We rijden in stilte over de zanderige wegen van de Masaï Mara. De avond valt, iedereen is moe van een volle dag safari. Onze Masaï gids en chauffeur, waarvan ik me een decennium later alleen een diepzwart, scherp gesneden gezicht herinner dat oplicht in het vroege maanlicht, heeft zijn uiterste best gedaan ons die dag zoveel mogelijk opwinding te bezorgen. Naast een tour langs de Big Five van het safari-park (buffel, leeuw, jachtluipaard, neushoorn en olifant) hebben we twee keer een lekke band opgelopen, midden in het reservaat. De eerste keer hebben we hem alleen laten zwoegen, maar bij de tweede lekke band zijn alle mannen in het gezelschap de auto uit geklommen en hebben geholpen met het verwisselen van de band, want het wordt al later en niemand voelt ervoor de nacht in de bush door te brengen, ook al leken de leeuwen die we een uur daarvoor hebben bekeken nog zo slaperig. Bovendien verheugen we ons op koel bier dat klaarstaat in het kamp. Het gedeelde verlangen schept een band binnen het diffuse internationale gezelschap: twee Duitsers in korte khaki broeken, die hun uiterste best doen aan elk vooroordeel over hun volksaard te beantwoorden; een ouder, iets te vaak gewassen Engels echtpaar dat nog altijd lijkt te leven in het tijdperk dat de zon nimmer onderging in het Britse Rijk; een zwijgzame Hongaar die onafgebroken rookt; een onzijdig Chinees stel dat boe noch ba zegt; en een heel jong Indiaas kereltje, de zoon van zeer rijke ouders, met flitsende zwarte ogen en een ongehoord enthousiasme, die er door de gids voortdurend van weerhouden moet worden uit de auto te springen om close-up foto’s van moeder-neushoorn met kind te maken. We schommelen over de stoffige zandwegen richting het kamp en wedden erom welke nationaliteit het meeste bier kan drinken.
Terug in het basiskamp blijkt de bierdrinkwedstrijd glansrijk gewonnen door een nationaliteit waar we geen rekening mee hebben gehouden: Australiërs. Terwijl wij banden verwisselden heeft een passerend peloton Australische soldaten van de Internationale Vredesmacht al het bier opgedronken. Onze Masaï kok - die naar eigen zeggen het vak in Marseille heeft geleerd –vertelt mistroostig dat ze zelfs de wijn voor het koken hebben opgezopen. Het gesprek die avond gaat vooral over de eigenaardigheden van verschillende nationaliteiten.
De Duitsers en Engelsen voeren een geanimeerd gesprek over hun buitenlandse politiek, en geven toe dat heerszucht en een totaal gebrek aan aandacht voor het uiterlijk een gedeelde eigenschap van beide volken is. De Hongaar bekent ruiterlijk dat hun nationale keuken ontworpen is door krankzinnigen, maar rust niet voor wij erkend hebben dat hun muziek is gecomponeerd door engelen. De Engelsen geven hoog op van hun eilandstatus, de Duitsers prijzen hun solidariteit met Europa, en iedereen is het erover eens dat Frankrijk en Italië de mooiste landen in Europa zijn, als je er niet hoeft te wonen. Eén moment lijkt het erop dat een van de Chinezen iets zal zeggen, maar als dat niet doorgaat komt het woord bij ons. De Nederlanders.
‘Tolerant,’ zegt mijn reisgenoot.
Ik knik. ‘Vrijheid blijheid.’
‘Wat drugs en prostitutie betreft,’ gnuift de Indiër.
‘Altijd hetzelfde,’ zeg ik. ‘Het enige dat jullie van Nederland weten is klompen, molens, drugs en hoeren. En Anne Frank.’
‘Eigen schuld,’ zegt de Hongaar. ‘Ik hou van Nederland, ik vind het een mooi land. Jullie hebben de mooiste, grootste vrouwen van de wereld, iedereen bij jullie is rijk. Maar als ik Nederlanders spreek lijkt het wel alsof ze zich schamen Nederlander te zijn.’
‘Jullie hebben goede schrijvers,’ zegt een van de Duitsers. ‘Witziger. Frecher. Nicht die Bierernst wie bei uns.’
Het woord Bierernst nestelt zich voor de rest van mijn leven in mijn geheugen, maar dat neemt niet weg dat ik me onbehaaglijk begin te voelen onder de druk van de internationale gemeenschap. Ik zoek bewijzen van mijn identiteit, maar behalve de cliché’s die iedereen hier al kent wil me niets te binnen schieten. Waar ik vandaan kom is het er ingehamerd: altijd begrip opbrengen voor de cultuur van anderen, met onvermijdelijke bijwerking: schamper doen over de eigen cultuur, die zo schril afsteekt tegen die van beschaafder volken. Andijviestamppot versus Pasta Norma. Nederland 1, 2 en 3 versus de BBC. Ons platte, met schuren volgebouwde landschap versus de Pyreneeën. Danny Boy versus Cowboy Billy Boem. En de overtuiging dat het overal beter is dan bij ons brengt die andere typisch Nederlandse eigenschap voort: het diepe verlangen onszelf te zien door de ogen van anderen.
Nergens in de wereld zijn boeken over de nationale identiteit zo populair als in Nederland. Van het inmidddels voor de achtentwintigste keer herdrukte The Undutchables, dat vooral de pittoreske onbeschoftheid van de Nederlanders benadrukt, tot het handboek Doe maar gewoon – 99 tips voor het omgaan met Nederlanders. De titel zegt het al: Nederlanders zijn een exotische diersoort die een speciale behandeling vereist. Uit zulke boeken, geschreven zowel door buitenlanders als door Nederlandse intellectuelen als Bas Heijne en Herman Pleij, spreekt vaak een soort verwondering dat een land als Nederland nog bestaat. Volgens veel schrijvers is Nederland in al zijn zelfverklaarde vooruitstrevendheid een anachronisme, een land waarin alles geregeld is maar niets begrepen wordt van de wereld eromheen.
Ik zoek nog altijd panisch naar argumenten om het bestaan van mijn vaderland te rechtvaardigen (de Deltawerken? Philips? Simon Carmiggelt?) als twee Australische soldaten onze kant uit slenteren.
‘Oy, mate, ‘ zegt de een. ‘Move over, will ya?’ De ander boert schallend en laat zich op de grond bij het vuur vallen. Ik schuif een eindje op. De Australiër zet zich naast mij. Hij walmt onbekommerd bier en zweet uit. Toch straalt hij, voor een militair, weinig vijandigs uit, eerder berusting.
‘Whatcha talkin’ ‘bout, then?’ vraagt hij.
Ik wijs op de bierblikken die bijna schuilgaan in zijn massieve klauwen.
‘That,’ zeg ik. Hij opent zijn vuist. Een verkreukeld blikje Heineken valt in het zand.
‘Sorry mate. All gone.’
Er gaat een zucht van teleurstelling door het gezelschap. Ik ben opgelucht. Ik hoef niets meer te bedenken. Ik hoef niet eens over Cruyff te beginnen. Als het er op aankomt je bestaansrecht te bewijzen zijn er maar weinig argumenten overtuigender dan dorst, ik bedoel echte dorst.


(dit stuk verscheen afgelopen zomer in het Financieel Dagblad als 'zomeressay')

jaeggi om 16 augustus 2007 18:25