« juli 2007 | Main | september 2007 »

30 augustus 2007

troost en een moraal

Het ging al lang niet goed met hem, het ging met hem niet goed
Hij voelde het als hij opstond. Hij kreunde bij het tillen.
Hij kreunde als hij iemand sprak die iets van hem zou willen
Hij vloekte elke dag zoals een dronkelap dat doet.

Hij keek jaloers naar vrienden die vervroegd waren gaan vutten
Hij spelde advertenties en hij volgde elke stoet.
En in de spiegel kijkend zag hij groeven, putten,
De gelaatskleur van een varken dat geheel is leeggebloed

Het ging al lang niet goed met hem, dat zagen ook zijn vrienden
Maar ze bleven hem steeds bijstaan, zeker nog een week of twee
Toen belden ze niet meer. Niet dat hij het niet verdiende
Maar ze moesten voor de feestdagen met de familie mee.

Er kwam een dag dat hij besloot: zo gaat het echt niet langer
En hij begon te zoeken naar een pijnloze manier: misschien een pil?
Wat was de beste oplossing: de trein of toch verhangen?
Er zijn genoeg manieren voor een doorzetter die wil.

Toen op een avond op de bank de flatline zachter ging
Omdat de buren al om tien uur gingen pitten
Toen stond hij op en vroeg waar Bello’s honderiempje hing
Maar toen zei zij: ‘Kom nou eens even naast me zitten.’

Toen legd’ hij, als een grote zachte lobbes van een hond
Zijn hoofd neer op haar dijen, en hij zuchtte bodemloos.
En zij vertelde nog eens het verhaal van hoe ze hem vond
En streelde liefdevol zijn kale kruin vol oude roos.

En toen hij ’s morgens wakker werd was het dit keer zonder zuchten
Hij floot de hele ochtend, in de bus en op zijn werk
En zag uit het kantineraam het blauw van blauwe luchten
En voelde zich zo'n halve werkdag bijna bovenmenselijk sterk

Hij ging weer dammen en tuinieren; naar de kroeg
Ging hij alleen als zij hem daar nadrukkelijk om vroeg
En daar wordt nu gezegd dat men hem lang herinneren zal,
want krap drie weken later kwam die nette hartaanval.

Moraal
Het leven biedt genoeg voor wie niet constant loopt te vitten
En niet meteen er uitstapt als hij ’t even niet ziet zitten.

Posted by jaeggi at 10:41 pm

mijn nieuwe gegevens op Wikipedia

Adriaan Jaeggi (Rio de Janeiro, 3 april 1983)
Nederlands schrijver. Won op twintigjarige leeftijd de Nobelprijs voor de Literatuur voor zijn hele oeuvre. Was getrouwd met Kim Basinger en Angelina Jolie en had verhoudingen met o.a. Maartje van Weegen, Ria Visser, Mabel Wisse Smit, Prinses Maxima der Nederlanden en Beatrix, Koningin der Nederlanden (de laatste platonisch).
Adriaan Jaeggi is de jongste (en meest succesvolle) staleigenaar in de Formule 1 en fokt zijn eigen renpaarden. Volgens hardnekkige geruchten meet zijn geslachtsdeel 30 centimeter, maar hier is geen definitieve bevestiging van te krijgen.

Posted by jaeggi at 03:30 pm

29 augustus 2007

file-sonnet

A20 Hoek van Holland-Gouda tussen Schiedam-Noord en Giessenbrug 3 km stilstaand verkeer
A50 Arnhem-Oss tussen Renkum en Waalbrug 6 km langzaam rijdend tot stilstaand verkeer
A7 Heerenvee-Groningen tussen Leek en Groningen-West 5 km langzaam rijdend tot stilstaand verkeer
A7 Afsluitdijk - Heerenveen tussen A7: Sneek-Houkesloot en Prinses Margriettunnel 2 km langzaam rijdend verkeer door een ongeval

A4 Vlaardingen-Hoogvliet tussen knooppunt Kethelplein en knooppunt Benelux 2 km langzaam rijdend verkeer
A27 Utrecht-Almere tussen Hilversum en knooppunt Eemnes 5 km langzaam rijdend verkeer
A9 Alkmaar-Amstelveen tussen Beverwijk en knooppunt Rottepolderplein 2 km stilstaand verkeer door een eerder ongeval
A2 Eindhoven - Maastricht tussen Sint Joost en Roosteren 2 km stilstaand verkeer door wegwerkzaamheden

A8 Zaandam-Amsterdam tussen knooppunt Zaandam en Oostzaan 2 km langzaam rijdend verkeer
A2 Utrecht-'s-Hertogenbosch tussen Culemborg en Waalbrug 11 km stilstaand verkeer door een ongeval
A27 Gorinchem-Utrecht tussen Houten en knooppunt Rijnsweerd 6 km langzaam rijdend tot stilstaand verkeer

A7 Afsluitdijk-Heerenveen tussen A7 Sneek-Houkesloot en Joure-West afgesloten door een ongeval
A2 Utrecht-'s-Hertogenbosch tussen Waardenburg en Waalbrug twee rijstroken afgesloten door een ongeval
A2 Utrecht-'s-Hertogenbosch, ter hoogte van knooppunt Everdingen omleiding ingesteld door een ongeval

Posted by jaeggi at 10:31 am

28 augustus 2007

mode

Weet u wat een gepitte gulp is?
Niet? Geeft niks. Bij mij duurde het tot mijn negenendertigste verjaardag voor ik het wist. Mijn vriend Hugo, die op het levenspad altijd precies de tegenovergestelde afslag neemt als ik, duwde me bij binnenkomst een fles Louis XVIII cognac in handen en keek me misprijzend aan.
‘Nou ben je bijna veertig,’ zei hij. ‘En dan loop je er nog bij als de warmeworstenverkoper van de Hema. Wat heb jij toch met zakkige spijkerbroeken?’
‘Ze zitten comfortabel,’ zei ik.
Hij legde een arm om mijn schouder en trok me mee naar de spiegel.
‘Zie je een verschil?’ vroeg hij. ‘Eerlijk zeggen.’
Nu moet ik van tevoren zeggen dat ik al mijn hele leven een, hoe zal ik het noemen, onthechte houding ten opzichte van kleding heb gehad. Als het comfortabel zit en mijn genitaliën netjes afdekt ben ik eigenlijk al tevreden. Mensen beweren weleens dat wat je draagt een verlengstuk van je persoonlijkheid is, maar waarom zou je met je persoonlijkheid te koop lopen? Ik verberg die liever achter morsige gemakskleding. Maar wat ik op de avond van mijn negenendertigste verjardag in de spiegel zag sloeg dat zelfbeeld radicaal aan stukken. Hugo stond naast een gepensioneerde vuilnisman die op het punt stond uitgewezen te worden naar zijn moederland Jamaïca. Hugo zag eruit als de mannelijke versie van het Vrijheidsbeeld; naast hem stond een gesmolten gipsmodel van de Euromast.
‘Help,’ zei ik.
Die avond droeg ik voor het laatst een spijkerbroek met laaghangende kont (‘een broek vol yoghurt’, aldus Hugo). Toen ik mij verdiepte in de mannenmode werden mijn ogen geopend. Mijn wereld is veranderd sinds ik weet dat een hoge hoed oorspronkelijk een valhelm was, omdat vrijwel alle avondkleding is afgeleid van Engelse paardrijkleding uit de 18e eeuw. Behalve deze praktische kennis leverde mijn kennismaking met de mannenmode me ook enkele parels van filosofie op: ‘Een lied is moeilijk, want alles moet in drie minuten gezegd worden. Maar dassen zijn moeilijker, want alles moet in drie seconden gezegd worden’ (Luciano Donatelli).
Mode: ik had het altijd aangezien voor vermoeiende aanstellerij, maar het bleek een stelsel van etiquette, ongeschreven regels en hilarische historische kennis, waarbinnen je een bijzondere, subtiele vrijheid hebt. Vandaar mijn keuze voor de gepitte gulp: het is misschien minder makkelijk, met al die knopen, vooral als je haast hebt, maar dat is het hele idee erachter: een heer heeft nooit haast.
Aan de andere kant: de worstenverkoper bij de Hema heeft óók nooit haast.

Posted by jaeggi at 10:18 am

27 augustus 2007

geniaal

Als ik tot twee keer toe het woord 'geniaal' in een recensie lees, frons ik mijn wenkbrauwen. Maar in dit geval kan ik het hebben.

Posted by jaeggi at 04:57 pm

het groene beest

Jaloezie is als een ziekte die na lange tijd weer de kop opsteekt: ineens blijkt het terug te zijn en weet je meteen weer hoe erg het was. Hoe kan het dat je dat vergeten was? Waarom heb je er al die tijd zo luchtig over gedaan? Als extraatje krijg je er gratis en voor niks de symptomen zelfhaat, spijt, walging, buikpijn en plotseling opkomende aanvallen van wanhoop bij. Je zit erbij en kijkt naar je ego dat langzaam ineenschrompelt tot de grootte van een erwt. Je kijkt naar buiten, waar allerlei mensen lopen die best bereid zijn je te troosten en te zeggen 'dat het heus wel overgaat'. Daarom loop je naar de deur en draait hem op slot. Je doet de grendel erop en tikt de code in voor het inbrekersalarm, je schuift een stoel onder de deurknop en daarna ga je op zoek naar de donkerste kamer in huis.


Posted by jaeggi at 09:34 am

26 augustus 2007

recensie

deze recensie stond afgelopen week in Het Parool

Een aantal weken geleden schreef journalist Ron Rijghard in NRC-Handelsblad een pleidooi voor laagdrempelige poëzie. Hij noemde het ‘instappoëzie’, waarbij wij moesten denken aan de lage instap bij de tram, voor de lichamelijk minder bevoorrechte medemens. Op internet en in de krant ontstond een levendige discusie, die ook weer snel overwaaide. De reden dat ik er alsnog op terugkom is om te herinneren aan de Amerikaanse ‘slam poet’ Taylor Mali die in de discussie als voorbeeld werd gesteld aan Nederlandse dichters. De tekst die Mali op YouTube voordraagt is namelijk kenmerkend voor het verschil tussen een dichter en een stand-up comedian. Mali’s tekst draait om één vondst, de woordspeling ‘what do you make’, waarbij to make in het Engels zowel ‘maken’ als ‘verdienen’ betekent. De clou van zijn conference luidt: ‘I make a difference. What about you?’ Klaar, niks meer aan doen, weer een gedicht onschadelijk gemaakt.
Is dat nu poëzie? Tot op zekere hoogte. Is het goede poëzie? Ik zou zeggen van niet. Mali’s ‘The problem with teachers’ zweeft ergens in het schemergebied waar ook songteksten, gelegenheidsgedichten en readymade’s rondzweven. De beste poëzie vind je daar niet, want de beste poëzie heeft geen clou, frappe, afmaker, conclusie: de beste poëzie is zijn eigen clou, frappe, afmaker, conclusie.
Testen wij dit aan de hand van twee nieuwe bundels in de Sandwich-reeks, ooit opgezet door toenmalig Dichter des Vaderlands Gerrit Komrij. De bundels zijn A Capella, het debuut van John Schoorl, journalist van de Volkskrant, en Dat ik zong van Bernardo Ashetu, alias Henk van Ommeren, alias Kamanda, wat betekent ‘ik ben neger’. Ashetu werd geboren in Paramaribo in 1929 en stierf in 1982 in Den Haag.
John Schoorl dichtte dit:

Jackass
(11 september 2001)

Eierkots.
Melkkots.
Bierkots.

Berengevecht.
Hondengevecht.
Kattengevecht.

Schop in je kruis.
Schop tegen je ballen.
Schop voor je kloten.

(Hier had uw bedrijfslogo kunnen staan.)

John Schoorl is niet wars van een beetje humor in de poëzie. Ach, dat serieuze gelul, hoor je hem denken. Niet te lang over nadenken, gedichten vind je overal, zoals laatst nog: ‘’Toen in de voetbalkantine/ Eén minuut stilte werd gehouden/ Ter nagedachtenis aan de 300.000 doden (-) Als gevolg van de zeebeving in Azië/ Was alleen het pruttelen/ Van het frituurvet te horen.‘
Op de achtergrond hóór je de drummer van het combo een roffel geven om de clou aan te kondigen, daar komt-ie, hou vast, ja mensen dat wordt lachen: ‘Waarschuwing!/ Dichten beïnvloedt de rijvaardigheid/ Niet.’ Er staat bijna geen gedicht in deze bundel zonder clou. Het niveau is dat van de gemiddelde reclame-slogan. Het gedicht ‘de levensdichter eindigt letterlijk met een slogan: ‘Dit is de man/ Dit is zijn bier.’
De gelijktijdig met Schoorl uitgegeven Bernardo Ashetu dicht dit:

Ik heb een landhuis gekocht.

Ik ben blij dit huis gekocht te hebben.

Het is groot
En ligt in een waas van kleuren aan een mysterieuze grens.

In donker water eromheen
bloeit een aan de wiskunde verwante bloem
die ’s nachts een vernietigend licht uitstraalt.

Ik voel mij veilig in dit huis.
Het is de zegen die zich uitstrekt tot voorbij m’n rottend graf.

Het contrast met de gedichten van Schoorl is veelzeggend. Waar de laatste zich één kant uit bewegen, namelijk in de richting van de clou, daar slingert Ashetu’s gedicht ons voortdurend heen en weer, van hoop naar wanhoop, van de geborgenheid van het landhuis naar de mysterieuze grens, van het vernietigende licht van de ‘aan de wiskunde verwante bloem’ naar opnieuw de zegen van het landhuis – en vandaar onverwachts maar wel rechtstreeks het graf in.
Als Ashetu een keer iets gebruikt dat op een clou lijkt is het er een van deze klasse: ‘Morgen/ is de matroos er/ met zijn rare, vreemde ziekte.’
Hebt u een drumroffel gehoord? Ik niet.
De voor de hand liggende conclusie is dat John Schoorl een matige dichter is en Ashetu een geweldig goede. Ietwat flauw, zo’n conclusie, poëzie zou geen wedstrijd moeten zijn, maar dat is het risico als je steeds twee bundels gelijktijdig uitgeeft, zoals de Sandwichreeks doet. Dat neemt niet weg dat het Komrij wéér is gelukt een hele bijzondere dichter aan de vergetelheid te ontrukken. Houdt het dan nooit op, de genialiteit van die man?


Bernardo Ashetu, Dat ik zong. Uitgeverij Van Gennep, € 12,50.
John Schoorl, A Capella. Uitgeverij Van Gennep, € 12,50.

Posted by jaeggi at 11:36 am

24 augustus 2007

mooie beginzinnen van weleer

'Op deze middag was ik bereid God op mijn blote knieën te danken voor de koffiekamer van het Muiderpoortstation, maar daarvoor zou ik eerst mijn broek uit moeten trekken en bovendien: er is geen God.'

uit: Rob van Essen, Reddend zwemmen (1996)

Posted by jaeggi at 04:15 pm

23 augustus 2007

eenzame uitvaart nr. 80

Johannes Koopman, 3 december 1925 † 17 augustus 2007
Begraafplaats St. Barbara, donderdag 23 augustus 2007, 10 uur ’s morgens
Dichter van dienst: Adriaan Jaeggi

De heer Johannes Koopman woonde sinds Kerstmis 1998 in verpleeghuis Sint Jacob aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam, tegenover Artis. Hij heeft er in al die jaren nooit bezoek gehad. Wegens onderbezetting komt niemand van het personeel dat hem de laatste negen jaar verzorgde naar de uitvaart. Hij was weduwnaar. Volgens opgave van het Bevolkingsregister zijn er geen kinderen. Hij werd geboren in Aengwirden, Friesland. Hij beschikt over een klein saldo bij de bank, zijn begrafenis is verzekerd voor een bedrag tot 2944 gulden, bij twee verschillende maatschappijen.

Wat doe je op zo’n dag?
Je scheert je zorgvuldig, met een nieuw mesje. Het is een slecht mesje, na afloop zijn je kaken en je hals een bloederig stoppelveld, het vergt een koude douche en uitgebreid deppen met een speciale balsem die, volgens het etiket, ‘de brand verzacht en de huid herstelt’.
Je trekt je blauwe pak met het streepje aan, netjes maar niet te somber, want het is dan wel een begrafenis maar het belooft niettemin een mooie en zonnige dag te worden. De begraafplaats is ongeveer tien minuten fietsen, je vertrekt op twintig minuten voor tien, voor de zekerheid. Onderweg koop je een croissant die je al fietsend opeet.
Het Westerpark heeft er nog nooit zo mooi bijgelegen. Het is sowieso een prachtig park, met de roodstenen gebouwen van de Westergasfabriek op de achtergrond, de klassieke herfstkleuren van de bomen rond het spoor, en daartusssenin het oogverblindende groen van het grote grasveld, waarop een clubje kinderen een spel speelt met oranje pilonen en een bal.
Voor het hek van begraafplaats St. Barbara staan acht dragers te wachten, in hun grijze jassen, met hun grijze hoeden. Het zijn alle mannen op leeftijd. Ik stal mijn fiets en bedenk dat je waarschijnlijk pas vanaf een bepaalde leeftijd in aanmerking komt voor dit werk, uit een soort piëteit jegens de dode, een onzinnige gedachte die kort daarop ontkracht zal worden. Zes van de mannen zijn brildragend, in een van de mannen die het nog zonder doet meen ik een acteur uit een film van Luis Buñuel te herkennen. Hij spreekt licht gebroken Nederlands en heeft schitterende wenkbrauwen .
Voor de aula staan drie mannnen te wachten, de directeur van St. Barbara, de man van de Dienst Uitvaarten en F. Starik. Nadat ik hen begroet heb vragen ze me bezorgd of ik mijn fiets niet op slot moet zetten. Ik overweeg dit en besluit dat het niet nodig is. Als iemand desperaat genoeg is om op een begraafplaats fietsen te jatten moet je hem niet nog verder ontmoedigen.
We zijn midden in een gepaste anekdote als de auto met de kist het hek binnendraait. De directeur loopt schielijk naar binnen en enkele seconden later begint de klok te luiden. De anekdote verdwijnt onuitverteld in het heelal.
Na enig wachten worden wij binnengelaten. De muziek speelt al, een cd die ik zelf heb meegenomen, bewerkingen van Ierse volksliederen door Beethoven, gezongen door de Ier Frank Patterson. De overledene is Fries, gisteravond had ik bij het afmaken van het gedicht het idee dat Friezen en Ieren wel iets met elkaar zouden hebben.
Het eerste lied, een traditional, heet Sunshine. Nadat de laatste maten piano zijn weggestorven sta ik op, posteer mij naast de kist en lees het gedicht voor. Anders dan de vorige keer ben ik minder aangedaan tijdens het lezen, het gedicht klinkt vol en draagt bijna vanzelf, de akoestiek in de aula is zeer goed, het trillingsgetal van de echo moet het volmaakte benaderen.
Daarna zingt Frank Patterson The Farewell Song.

Als wij de aula uitlopen, achter de kist aan, vang ik een flard van het laatste lied op: ‘to the house of my fathers’, precies op het moment dat wij naar buiten stappen. Het is niet verzonnen, het is toeval maar perfect toeval, soms vindt het leven even zijn timing terug.
Wij wandelen naar het graf en nemen afscheid. De directeur drukt op de knop van het mechaniek en de kist begint te zakken. En zakt, en zakt, en zakt nog steeds. Ik heb het idee dat hij zal blijven zakken tot hij uit het zicht verdwenen is, dat gebeurt niet, bij ongeveer drie meter raakt de kist de bodem en ligt stil, al kan het ook vijf meter geweest zijn, ik heb geen timmermansoog en ik weet niet wat de voorgeschreven diepte van een graf is. Vast staat wel dat de overledene helemaal onderop komt te liggen.

In de aula vraagt Starik of ik de mensen van het verpleeghuis heb gesproken, omdat ik ze heb laten figureren in het gedicht. Ik zeg nee, ik heb ze niet gesproken, en vraag me ineens af of het wel kies is, deze vorm voor een gedicht. Mag je je fantasie wel loslaten op een dode? Aan de andere kant heb je je fantasie hard nodig bij deze gelegenheden, je moet het leven van een mens opbouwen uit wat summiere mededelingen van de Dienst Uitvaarten.
De uitvaartbegeleider vertelt me bij het eerste kopje koffie dat hij als student al drager was. Daar gaat mijn theorie dat je dat werk alleen kunt doen als je een zekere leeftijd bereikt hebt.
Starik neemt het aanbod van een tweede kopje koffie dankbaar aan, en we doen wat in militaire kringen de debriefing heet. Starik vraagt om de gegevens van de muziek, en ik geef hem de cd. Nu pas valt me op dat de zanger ook Frank heet, net als Starik zelf.

In het park word getennist op de banen van Big Ali, twee honden staan rillend van opwinding tegenover elkaar, een grootvader raapt een gevallen speen van het asfalt en geeft het terug aan zijn kleinkind dat half uit de buggy hangt, de bladeren trillen van genot in de warme zon, het is het eind van de zomer.


Melding van absentie

Het spijt ons erg dat wij er niet bij kunnen zijn.
Maar u weet zelf hoe het is op donderdag,
met de intakegesprekken met nieuwe bewoners
en mevrouw P. is gisteren gevallen
dus die moet naar de wc worden gereden
en vind daar maar weer mensen voor.

U was een fijne bewoner.
Dat moest ik u namens allen overbrengen.
Met meneer Koopman had je nooit last.
Meneer Koopman had nooit bezoek.
Misschien hield hij wel niet van bezoek.

We hebben samen heel wat afgelachen.
Soms wilde u zingen: Frysk bloed tsjoch op!
Dan stond u op. Dan zag je die koppies glimmen.
Maar de laatste jaren werd het minder.
Men zei hij is misschien een beetje uitgevochten.

We zijn blij dat de uitvaart goed verzorgd is.
Dat u de zaakjes goed op een rijtje had.
Dat je daar later geen gedoe over krijgt.
Er is al genoeg gedoe.

Wij zullen de fijne herinneringen bewaren.
Die avond dat het zo warm was
en alle ramen openstonden
en de leeuwen zo ontzettend brulden
in Artis.

Iemand heeft voorgesteld
bij het avondeten iets te zingen.
Dus dat gaat gebeuren.
Wij hebben de woorden
van het internet gehaald.

Klink dan en daverje fier yn it roun
dyn âlde eare, o Fryske groun
(bis)


Posted by jaeggi at 12:44 pm

22 augustus 2007

kleine doorschijnende man

Laat ik eens een voorspelling doen.
In maart 2008 wint Erik Jan Harmens de Gouden uil voor dit boek. Ik heb het net uit en ik... ik...

Waarom De Gouden Uil?
Voor de Ako-prijs is het te moeilijk, en voor de prestigieuze LIBRIS is Harmens te onbekend. Hij 'past niet in het format' - zoals hij wel vaker doet.
(Maar geloof ik dan niet in de onafhankelijkheid van literaire jury's?
Natuurlijk wel. Tssss. Uiteraard. Spreekt vanzelf. Het idee. Dat zou wat zijn. Maar wie ben ik.)
Hoe dan ook: hieronder een citaat. En een dringend advies: ga naar de boekhandel of Bol.com en koop Kleine doorschijnende man, want zulke boeken verschijnen in Nederland maar heel zelden, en alleen als er ergens ter wereld een orkaan woedt.

'Ik haatte je, maar je had me een contract beloofd en eisen had ik niet. Ik wilde dat je de deur voor me openhield, zoals ik ook de deur voor jou open had willen houden, ware het niet dat jij altijd als eerste een deur opende, omdat dat beleefd was, omdat je daar een overwinning in zag of omdat het een gewoonte was die je niet kon of wilde afleren. Dat heb ik al die jaren maar zo gelaten, omdat ik waarde toekende noch aan een deur noch aan het als eerste openen van de deur noch aan het als laatste door een deuropening gaan.
Toen de kaarten anders geschud waren en de zon nog gewoon in mijn gezicht scheen in plaats van een wolk bij zich te roepen zodra ik de deur uitging, had ik je gezicht vervormd en je voor van alles uitgemaakt en je naam doorgespuugd en, als ik iets anders te doen had, wandelde ik met een boog om je heen, alsof je een neger was in een luxe villawijk of andersom, een blanke in een achterstandswijk. En nu beloofde je me een contract, alsof jij iets goed te maken had, alsof je een rekening bij mij had openstaan, alsof jij bij mij in het krijt stond. Het was alsof je heimwee had naar een tijd waarin je nog niet leefde. Je een film trachtte te herinneren die nooit gemaakt was. Iemands gezicht voor de geest probeerde te halen die je nooit ontmoet had.
Of je was geslepen, dat kon natuurlijk ook. Dat je een plan had. De ene belofte op de andere aan het stapelen was, wetende dat ik naakt door mijn kamer zou dansen alsof mijn haar in brand stond en spiegels zou bekrassen en dingen tussen mijn lippen zou stoppen. Je zou me wel degelijk een contract aanbieden maar me al na een dag ontslaan, om een onduidelijke reden.
Of je zou me eerst een paar maanden laten aanploeteren, zonder enige begeleiding, zwemmend als een uit een vuilniszak ontsnapte kat, voortdurend vragend of ik m’n targets wel zou halen, waarbij ik dan welke targets welke targets vroeg, waarna jij de deur van je kantoor op zo’n manier sloot dat ik het wel uit m’n hoofd liet om aan de klink te gaan hangen of aan te kloppen, waarna ik je met het bloed op de benen zou smeken om een staandevoetontslag, omdat ik m’n targets niet kende, omdat ik m’n targets niet haalde, omdat ik mezelf voor de kop sloeg en eruit wilde, als een frettenjong in een rad, dat de lokroep van zijn frettenmoeder vanuit de rivier wel hoort maar zich niet bij haar weet te voegen, hoe hard hij ook rent.
Of misschien had je me helemaal geen contract beloofd en had ik het me allemaal verbeeld, zoals ik me ook eens verbeeldde dat ik een meisje achter de kassa van de supermarkt een briefje van vijftig had gegeven en niet van twintig, zoals zij beweerde, waarna ik zoveel stennis schopte dat het meisje zich gillend uit de voeten maakte, haar kassalade open als een schatkist, waarna ik me met de platte rechterhand op het voorhoofd petste en besefte dat ze toch gelijk had gehad en ik inderdaad een briefje van twintig had gegeven, waarna ik achter haar aan rende om mijn ongelijk te bekennen, maar werd tegengehouden door omstanders.'

Posted by jaeggi at 12:07 pm

19 augustus 2007

voors en tegens

Al mijn wensen worden vervuld
op de langzaamste manier denkbaar.

Posted by jaeggi at 11:18 am

18 augustus 2007

Max Roach

“You can’t write the same book twice”

Max Roach, 1924 – 2007

(met dank aan Joe van E.)

Posted by jaeggi at 08:32 pm

17 augustus 2007

tromboneliefde

Ik ben weer verliefd.
Op het meisje uiterst rechts. Alhoewel het meisje uiterst links (met de bastrombone) me ook niet onberoerd laat.
Maandag analyse van dit muzikale hoogtepunt.
Fijn weekend allemaal.

Posted by jaeggi at 10:52 pm

16 augustus 2007

nicht die bierernst

We rijden in stilte over de zanderige wegen van de Masaï Mara. De avond valt, iedereen is moe van een volle dag safari. Onze Masaï gids en chauffeur, waarvan ik me een decennium later alleen een diepzwart, scherp gesneden gezicht herinner dat oplicht in het vroege maanlicht, heeft zijn uiterste best gedaan ons die dag zoveel mogelijk opwinding te bezorgen. Naast een tour langs de Big Five van het safari-park (buffel, leeuw, jachtluipaard, neushoorn en olifant) hebben we twee keer een lekke band opgelopen, midden in het reservaat. De eerste keer hebben we hem alleen laten zwoegen, maar bij de tweede lekke band zijn alle mannen in het gezelschap de auto uit geklommen en hebben geholpen met het verwisselen van de band, want het wordt al later en niemand voelt ervoor de nacht in de bush door te brengen, ook al leken de leeuwen die we een uur daarvoor hebben bekeken nog zo slaperig. Bovendien verheugen we ons op koel bier dat klaarstaat in het kamp. Het gedeelde verlangen schept een band binnen het diffuse internationale gezelschap: twee Duitsers in korte khaki broeken, die hun uiterste best doen aan elk vooroordeel over hun volksaard te beantwoorden; een ouder, iets te vaak gewassen Engels echtpaar dat nog altijd lijkt te leven in het tijdperk dat de zon nimmer onderging in het Britse Rijk; een zwijgzame Hongaar die onafgebroken rookt; een onzijdig Chinees stel dat boe noch ba zegt; en een heel jong Indiaas kereltje, de zoon van zeer rijke ouders, met flitsende zwarte ogen en een ongehoord enthousiasme, die er door de gids voortdurend van weerhouden moet worden uit de auto te springen om close-up foto’s van moeder-neushoorn met kind te maken. We schommelen over de stoffige zandwegen richting het kamp en wedden erom welke nationaliteit het meeste bier kan drinken.
Terug in het basiskamp blijkt de bierdrinkwedstrijd glansrijk gewonnen door een nationaliteit waar we geen rekening mee hebben gehouden: Australiërs. Terwijl wij banden verwisselden heeft een passerend peloton Australische soldaten van de Internationale Vredesmacht al het bier opgedronken. Onze Masaï kok - die naar eigen zeggen het vak in Marseille heeft geleerd –vertelt mistroostig dat ze zelfs de wijn voor het koken hebben opgezopen. Het gesprek die avond gaat vooral over de eigenaardigheden van verschillende nationaliteiten.
De Duitsers en Engelsen voeren een geanimeerd gesprek over hun buitenlandse politiek, en geven toe dat heerszucht en een totaal gebrek aan aandacht voor het uiterlijk een gedeelde eigenschap van beide volken is. De Hongaar bekent ruiterlijk dat hun nationale keuken ontworpen is door krankzinnigen, maar rust niet voor wij erkend hebben dat hun muziek is gecomponeerd door engelen. De Engelsen geven hoog op van hun eilandstatus, de Duitsers prijzen hun solidariteit met Europa, en iedereen is het erover eens dat Frankrijk en Italië de mooiste landen in Europa zijn, als je er niet hoeft te wonen. Eén moment lijkt het erop dat een van de Chinezen iets zal zeggen, maar als dat niet doorgaat komt het woord bij ons. De Nederlanders.
‘Tolerant,’ zegt mijn reisgenoot.
Ik knik. ‘Vrijheid blijheid.’
‘Wat drugs en prostitutie betreft,’ gnuift de Indiër.
‘Altijd hetzelfde,’ zeg ik. ‘Het enige dat jullie van Nederland weten is klompen, molens, drugs en hoeren. En Anne Frank.’
‘Eigen schuld,’ zegt de Hongaar. ‘Ik hou van Nederland, ik vind het een mooi land. Jullie hebben de mooiste, grootste vrouwen van de wereld, iedereen bij jullie is rijk. Maar als ik Nederlanders spreek lijkt het wel alsof ze zich schamen Nederlander te zijn.’
‘Jullie hebben goede schrijvers,’ zegt een van de Duitsers. ‘Witziger. Frecher. Nicht die Bierernst wie bei uns.’
Het woord Bierernst nestelt zich voor de rest van mijn leven in mijn geheugen, maar dat neemt niet weg dat ik me onbehaaglijk begin te voelen onder de druk van de internationale gemeenschap. Ik zoek bewijzen van mijn identiteit, maar behalve de cliché’s die iedereen hier al kent wil me niets te binnen schieten. Waar ik vandaan kom is het er ingehamerd: altijd begrip opbrengen voor de cultuur van anderen, met onvermijdelijke bijwerking: schamper doen over de eigen cultuur, die zo schril afsteekt tegen die van beschaafder volken. Andijviestamppot versus Pasta Norma. Nederland 1, 2 en 3 versus de BBC. Ons platte, met schuren volgebouwde landschap versus de Pyreneeën. Danny Boy versus Cowboy Billy Boem. En de overtuiging dat het overal beter is dan bij ons brengt die andere typisch Nederlandse eigenschap voort: het diepe verlangen onszelf te zien door de ogen van anderen.
Nergens in de wereld zijn boeken over de nationale identiteit zo populair als in Nederland. Van het inmidddels voor de achtentwintigste keer herdrukte The Undutchables, dat vooral de pittoreske onbeschoftheid van de Nederlanders benadrukt, tot het handboek Doe maar gewoon – 99 tips voor het omgaan met Nederlanders. De titel zegt het al: Nederlanders zijn een exotische diersoort die een speciale behandeling vereist. Uit zulke boeken, geschreven zowel door buitenlanders als door Nederlandse intellectuelen als Bas Heijne en Herman Pleij, spreekt vaak een soort verwondering dat een land als Nederland nog bestaat. Volgens veel schrijvers is Nederland in al zijn zelfverklaarde vooruitstrevendheid een anachronisme, een land waarin alles geregeld is maar niets begrepen wordt van de wereld eromheen.
Ik zoek nog altijd panisch naar argumenten om het bestaan van mijn vaderland te rechtvaardigen (de Deltawerken? Philips? Simon Carmiggelt?) als twee Australische soldaten onze kant uit slenteren.
‘Oy, mate, ‘ zegt de een. ‘Move over, will ya?’ De ander boert schallend en laat zich op de grond bij het vuur vallen. Ik schuif een eindje op. De Australiër zet zich naast mij. Hij walmt onbekommerd bier en zweet uit. Toch straalt hij, voor een militair, weinig vijandigs uit, eerder berusting.
‘Whatcha talkin’ ‘bout, then?’ vraagt hij.
Ik wijs op de bierblikken die bijna schuilgaan in zijn massieve klauwen.
‘That,’ zeg ik. Hij opent zijn vuist. Een verkreukeld blikje Heineken valt in het zand.
‘Sorry mate. All gone.’
Er gaat een zucht van teleurstelling door het gezelschap. Ik ben opgelucht. Ik hoef niets meer te bedenken. Ik hoef niet eens over Cruyff te beginnen. Als het er op aankomt je bestaansrecht te bewijzen zijn er maar weinig argumenten overtuigender dan dorst, ik bedoel echte dorst.


(dit stuk verscheen afgelopen zomer in het Financieel Dagblad als 'zomeressay')

Posted by jaeggi at 06:25 pm

ha fijn, weer nederlandse kranten

1.
'De allerbelangrijkste reden om becoming Jane het voordeel van de twijfel te geven zijn de sprankelende Hathaway en James McAvoy. De chemie tussen die twee maakt zelfs een kuis handenspel zo spannend als het in het echt kan zijn.'

2.
'Hun acteren (van Hathaway en McAvoy) is oppervlakkig, om niet te zeggen plat, en het ontbreekt aan chemie.'

(1= de Volkskrant vandaag en 2= A-Weekly deze week over dezelfde film: Becoming Jane van Julian Jarrold)

Posted by jaeggi at 01:39 pm