« gebed | Main | de slechtgemaakte ridder »

09 juli 2007

Nog is Polen niet verloren

Jeszcze Polska nie zginela
Kiedy my zyjemy

Nog is Polen niet verloren
zolang als wij leven

- Jósef Wybicki, Mazurek Dabrowskiego (Pools volkslied)

In de winter van 1999 waren we getrouwd; een koude dag, er viel natte sneeuw op ons terwijl we ons naar de tram haastten die ons naar het stadhuis zou brengen; geen trouwdag zoals je je die voorstelt, maar er was besloten dat we nog snel zouden trouwen voordat ons kind geboren werd, een beslissing waar ik mij geheel aan had overgegeven, en nog geen maand na ons jawoord en de rondvaart met onze vrienden over ijskoude, zwart oplichtende grachten werd het geboren, een meisje, en in de maanden erna was het feit dat mijn tweede roman verscheen hoogstens een onderdeel van een algehele roes, en dat het binnen korte tijd na verschijnen herdrukt werd en op de longlists van literaire prijzen verscheen was verheugend, maar bij lange na niet zo belangrijk als de vraag of het kleine meisje die nacht goed geslapen had, of dat het een lange dag met veel huilen zou worden. De gedachte dat het daarna nog zeven jaar zal duren voor er een volgende roman van je verschijnt is niet iets dat in zulke tijden in je opkomt.

Nadat je tweede roman is verschenen kun je niet veel anders doen dan beginnen aan een derde. Ik huurde een werkkamer aan de Weesperzijde, een kamer die door de andere bewoners – een bedrijf dat op een moderne manier aan goede doelen deed, en twee jonge vrouwen die via internet de distributie van bruiloftsgeschenken regelden – de tuinkamer werd genoemd. Hij lag aan de achterkant van het huis, en als ik aan die kamer terugdenk is het eerste wat ik zie hoe ik bij de open deuren zat, met mijn rug naar het bureau, urenlang kijkend naar de aan alle kanten ommuurde tuin en de regen die op een halve meter van mijn gezicht neerdaalde als een grijs gordijn.
Het moet in die tijd geweest zijn dat mijn tweede boek en de schrijver ervan de ronde deden langs de talkshows van Hanneke Groenteman en Paul de Leeuw, en dat er een tweede en een derde druk verschenen. Had ik Held van beroep nog geschreven met in mijn achterhoofd de bevrijdende gedachte dat niemand op een nieuw boek van mij zat te wachten (mijn eerste roman, De tol van de roem, was tenslotte ook door bijna niemand opgemerkt, behalve door een recensent van De Groene Amsterdammer – zijn jubelkreten waren het laatste teken van leven dat dat boek gaf), nu bleek dat ik een groeiend aantal lezers had – en volgens mijn uitgever zouden die moeiteloos worden overgehaald een nieuw boek van me te kopen, mits ik dat nieuwe boek binnen een termijn van twee jaar afrondde.
De mechanica van de verkoop. Een extra stimulans voor het schrijven was het niet.

Ik wist waarover het moest gaan. Over een man die groter is dan het leven zelf, en over zijn bediende. Sancho Panza, dokter Watson, meneer Topwash, Robin (of eigenlijk eerder Alfred, Batman’s bediende), dat waren een paar van de mensen die ik voor ogen had. Deze twee mannen, en de voortdurende worsteling om een voet aan de grond van de werkelijkheid te houden: daarover moest het gaan, en over Nederland, het land waarvan ik houd en dat ik verafschuw. En over Amsterdam.
Het enige dat een goed begin in de weg stond was de titel: ik had er twee en kon niet kiezen. De eerste titel was Nog is Polen niet verloren, zijnde de eerste regel van het Poolse volkslied: Marcheer, Dabrowski! Die titel leek alle wanhoop en vergeefs optimisme te bevatten die ik nodig had voor mijn boek. De andere optie was om het boek simpelweg de naam van de hoofdpersoon mee te geven: Pluto.

(Meer over het schrijven van een onvoltooid boek in het writer's blocknummer van Bunker Hill dat over plusminus drie weken verschijnt)

jaeggi om 09 juli 2007 21:58