« juni 2007 | Main | augustus 2007 »

19 juli 2007

nog meer regen

Boos worden op slaap die niet wilde komen was even effectief als boos worden op de regen. Hij herinnerde zich een lotgenoot die ook leed aan slaapproblemen, die op een avond zo woedend was geworden op de eindeloze, monotone regen die neerdaalde op het golfplaten dak van zijn huis en hem uit zijn slaap hield, dat hij naakt uit bed was gesprongen en naar buiten ijlde met niets anders dan een tennisracket in zijn hand, waarmee hij furieus en tierend naar het gestaag neervallende water had staan zwaaien, tot hij zichzelf met een wilde beweging op de slaap trof en voor de komende tien uur buiten westen sloeg.

Posted by jaeggi at 11:37 pm

weerbericht: regen

Tosca telde haar liters.
Het was begonnen met de milieu-special van haar favoriete glossy, waarin stond dat elke West-Europeaan tussen de 134 en 138 liter water per dag gebruikte. Bespottelijk, was haar eerste gedachte. Alles bij elkaar dronk ze misschien twee liter per dag. Dan was er natuurlijk de douche, drie keer per week, misschien vijftig liter per keer. Alles bij elkaar kwam ze zo nog niet aan 200 liter per week.
Ze zette glimlachend theewater op en besloot nu echt nooit meer te geloven wat die stomme bladen zeiden. De horoscopen klopten ook van geen kant, en de tips voor het vinden van een nieuwe liefde waren waardeloos.
De theeketel begon te fluiten. Terwijl ze het water opschonk dacht ze: wacht even, dit is óók waterverbruik. Ze kreeg er een kleur van. Even later, toen ze de wc doortrok, overviel haar dezelfde gedachte. ‘s Avonds bij de afwas nog een keer. Ze zette haar bord in het droogrekje naast haar wijnglas en haar koffiemok, liep naar de computer en voerde de zoekterm ‘waterverbruik’ in.
Het was nog erger dan ze gedacht had.
Het waterverbruik van West-Europeanen naderde de 150 liter per dag. Overal ter wereld dreigden tekorten. Nederlanders dachten dat ze water in overvloed hadden, maar het tegendeel was waar. In de omgeving van Barneveld werd al water opgepompt dat 5000 jaar geleden als regenwater was gevallen! En intussen lieten Nederlanders vrolijk halfvolle vaatwassers draaien. Alleen Amerikanen waren nog erger: die verkwistten elk gemiddeld 700 liter per dag! Tosca’s wangen werden weer rood, van woede dit keer, maar toen las ze: ‘In Senegal is het gemiddeld watergebruik per persoon per dag nog geen 30 liter.’
Dat was het moment dat Tosca besloot voortaan haar liters te tellen.
Ze was verstandig genoeg het niemand te vertellen, zelfs niet haar beste vriend Jos. Die was weliswaar homo en dus gevoeliger dan de meeste mensen, maar ooit, toen ze hem vertelde van haar besluit veganist te worden had hij haar hard uitgelachen en geroepen: ‘Girl, dat red je nóóit!’. Bij hun eerstvolgende afspraak had hij expres gereserveerd in zo’n Argentijns biefstuk-restaurant, waar ze de hele avond niks anders had kunnen eten dan ijsbergsla.
Ze telde haar liters dus in stilte. Als ze in een restaurant ging eten, alleen, zoals ze zichzelf eens per week dwong te doen, probeerde ze bij elk gerecht te berekenen hoeveel water het gekost had. Ze nam er speciaal een rekenmachine voor mee. De productie van één kilo vlees kostte tonnen aan graan en dus belachelijk veel water, dat was een optelsom die je niet eens hoefde te maken - maar hoeveel moest je bijvoorbeeld voor vis rekenen? Zo’n paar sliptongetjes, hoeveel water zouden die verbruikt hebben? Wat kostte het groeien van de worteltjes? Hoeveel witte en rode druiven gingen er eigenlijk in één glaasje rosé?
Thuis gebruikte ze afwaswater om de wc mee door te spoelen. Ze liet haar kamerplanten verdrogen en bracht het douchen terug tot twee keer per week. Dan maar iets meer deodorant en parfum gebruiken, dacht ze opgewekt, tot ze op een avond op een website las dat de parfumindustrie meer water verbruikte dan alle ontwikkelingslanden bij elkaar. Ze gooide de shampoo in de vuilnisbak en bracht haar flesje eau de toilette (White Linen) en haar deospray (Odorex) naar de chemokar.
Na twee maanden had Tosca haar dagelijks waterverbruik teruggebracht tot 88 liter per dag.
Ze vond het nog steeds veel te veel. Ze schaamde zich als ze een glas water dronk, ze schaamde zich als ze met een natte washand haar oksels stond te deppen, en ze schaamde zich als ze de wc doortrok, al deed ze dat nog maar één keer per dag.
De bovenburen begonnen te klagen over luchtjes in het trapgat.
Tosca telde door: van 88 ging ze naar 75. Toen ze de 50-litergrens bereikt had vierde ze dat door zichzelf een literfles duur bronwater kado te doen. Ze lag daarna de hele nacht wakker met een schuldgevoel en een opgeblazen buik.
Maar als het regende was ze gelukkig.

(Dit is de laatste post voor de zomerstop. Ik ga A) een nieuwe band oprichten B) aan een nieuwe roman beginnen C) een nieuw recept voor ketchup ontwerpen D) naar de camping E) alle zes voorafgaande)

Posted by jaeggi at 11:31 pm

16 juli 2007

ik weet niet of dit poëzie is maar verontrustend is het wel


k ben met Tom Vanhove
en ik hou van hem
!!!
hou bakt al deze lekkere groene dingen voor me en das super
lekker hij is zo'n goeie tongzoener en dat
snot dat achterblijft in mijn mond is super lekker
mmmmmmmmmmmmmmm

we zijn ook naar het optreden geweest van K3
en toen hebben
we niet 1 liedje gehoord want we waren te druk bezig snap je
!!!!
o tom ik hou van jou
en K3 is de beste band ooit
!!!
snottebelletje ik wil je nooit meer
kwijt
tong me voor eeuwig

je liseke

(Bron; de afbrekingen zijn van mij, AJ)

Posted by jaeggi at 06:18 pm

O 7- O 7- O7!

Het was een bijzonder etmaal.
Niet alleen trouwden honderden bruidsparen die graag een rekenkundig geruststellende datum in hun trouwboekje hebben, niet alleen werd de nieuwe Openbare Bibliotheek van Amsterdam op koninklijke wijze geopend, maar zaterdag 07-07-07 zag ook de wederopstanding van wijlen successchrijver en reisleider Boudewijn Büch.

- Boudewijn Büch? Opa, die is toch al bijna vier jaar dood?
- Dat dachten wij ook, mien jong. Maar lees eens wat er staat in dit feestelijke boekje, 'Ode aan de OBA'.
- 'In dit boekje brengt een aantal van Nederlands grootste schrijvers een ODE aan de bibiotheek als herinnering aan 070707, een prachtige dag voor de OBA, een begrip!' Hee, wat gek, Opa.
- Ja, mijn jongen. De laatste datum waaraan Boudewijn Büch een herinnering zou kunnen hebben is 23 november 2002. Maar in dit boekje is hij springlevend - o, wacht even, het betreft een dagboekfragment uit 1983 dat toevallig over een bibliotheek gaat. Niks ODE dus. Maar dit boekje is dan ook in elkaar gestoken door een hele rare meneer die (onder pseudoniem) hele rare boekjes schrijft. En die volgens zichzelf wel tot de allergrootste Nederlandse schrijvers moet behoren, want behalve dat hij door Boudewijn B. uitvoerig wordt genoemd in dat dagboek, staat hij met drie (3) verhalen in de door hemzelf uitgegeven bundel. Knul, wat heeft Opa altijd gezegd over uitgevers die zichzelf uitgeven?
- Dat dat hele enge meneren zijn? Net als die meneren die zeggen dat ze thuis een grote stapel Pokémon-plaatjes hebben die ik mag houden als ik even mee naar binnenga?
- Je bent een slimme knul. Kom, dan krijg je een Werther's Echte.
- En dit boekje, Opa?
- Leg maar in de kattenbak, jongen.



Posted by jaeggi at 05:07 pm

15 juli 2007

citaat van de dag

‘Ik raak er iedere dag meer en meer van overtuigd dat goed schrijven na goed doen het hoogste goed is in het leven. [...] Ik voel dat het in mijn vermogen ligt een geliefd schrijver te worden. Ik voel het aan de kracht waarmee ik de vergiftigende bijval van een publiek weet te weerstaan.'

- John Keats

(De verzamelde brieven van Keats zijn net verschenen in een prachtuitgave van Uitgeverij Athenaeum)

Posted by jaeggi at 01:21 am

de slechtgemaakte ridder

Het wordt tijd dat we een oud misverstand eens uit de wereld helpen: natuurlijk is Casanova niet de grootste minnaar aller tijden. Hij heeft misschien meer vrouwen 'gehad' dan de meesten van ons, en naar eigen zeggen heeft hij nachten beleefd waarin hij zo uitputtend de liefde bedreef dat hij op het laatst bloed ejaculeerde – wat me voor de vrouw in kwestie geen pretje lijkt –, maar in de liefde gaat het niet om aantallen, centimeters of liters. Dan kunnen we net zo goed meteen porno-acteur Ron Jeremy uitroepen tot grootste minnaar aller tijden, want qua aantallen, centimeters en liters verslaat hij Casanova op alle fronten.
Nee, Giacomo Casanova mag de geschiedenis ingaan als de man met de meeste gebroken harten op zijn naam, maar dat geeft hem geen recht op de titel grootste minnaar aller tijden. Ook Don Juan komt niet in aanmerking, noch Omar Sharif, Ramon Navarro, Romeo Capulet, Tristan of Sir Tom Jones, al hebben zij ook stuk voor stuk hun sporen verdiend. Maar nogmaals: het gaat niet om aantallen, in de liefde. Niet om het aantal veroveringen, niet om het aantal zelfmoorden uit liefde dat voor je is gepleegd, zelfs niet om het aantal slipjes dat aanbidsters naar je hoofd hebben gegooid.
En laten we meteen een ander misverstand rechtzetten: het gaat ook niet om uiterlijk, dus Antonio Banderas, George Clooney, Brad Pitt en de net verkozen Knapste Man ter Wereld, de über-griezelige Matthew McConnaughey: move over.
De grootste minnaar aller tijden is geen knappe acteur, wereldwijze globetrotter of rijke playboy, maar een lelijke ridder. Hij noemde zich de Chevalier Mal Fet, wat je kunt vertalen als de slecht gemaakte, de afzichtelijke ridder. Zijn hele leven werd hij geplaagd door zijn uiterlijk, zelfs nadat hij de beste ridder aller tijden was geworden en de wereld aan zijn voeten lag – de wereld van toen, die een stuk kleiner was dan de wereld nu, maar toch nog een aanzienlijke wereld om in vereerd te worden – en zelfs toen hij het hart van de koningin van Engeland had veroverd, bleef hij ervan overtuigd dat hij eruitzag als een Afrikaanse aap.

Hij won elk toernooi waaraan hij meedeed. Hij was een soort topvoetballer, iemand voor wie duizenden aanbidders naar het stadion komen. Hij was de verpersoonlijking van het nieuwe ridderlijke ideaal in zijn tijd, dat bedacht was door Arthur en later zo afschuwelijk verkracht werd door Walt Disney en Richard Gere en de Happy End-fabrieken in Hollywood. De slechtgemaakte ridder was in zijn tijd – maar wat zit ik u toch te vervelen, u bent waarschijnlijk in het geheel niet geïnteresseerd in de ridderlijke idealen aan het hof van Koning Arthur, u wilt weten wie de grootste minnaar was. Welnu, zijn naam was Lancelot.
Hij was de grootste minnaar aller tijden om meerdere redenen. De eerste was dat zijn liefde geen grenzen kende. De tweede reden, en je zou willen dat de ironie nimmer uitgevonden was als je je de gevolgen realiseert, was dat hij verliefd werd op twee mensen tegelijk. Die twee mensen waren getrouwd. Lancelot was het slachtoffer van een klassieke driehoeksverhouding, wat al eeuwenlang – ontkennen heeft geen zin – de meest voorkomende liefdesverhouding is.
Lancelot werd allereerst verliefd op de koning, Arthur. Het was geen erotische liefde, het was een ouderwetse, ridderlijke, kinderlijke liefde voor hoge idealen, en een grenzenloze bewondering voor een man die oprecht probeerde de wereld te veranderen. Lancelot werd jong verliefd op Arthur, de koning in het glanzende kasteel, en de rest van zijn jeugd spande hij zich in om een ridder te worden die het waard zou zijn om aan Arthur’s Ronde tafel te zitten. Toen het zover was stak hij het Kanaal over en voer naar Engeland. Daar ontmoette hij Arthur. Hij lichtte hem uit het zadel tijdens een gevecht, want dat deden ridders in die tijd net zo makkelijk als voetballers nu een sliding maken. Arthur, die zich de ambitieuze, lelijke jongen nog herinnerde, feliciteerde hem met zijn overwinning en nam hem mee naar Camelot om hem tot ridder te slaan. Daar ontmoette hij zijn noodlot: ze heette Guinevere en ze was Arthur’s koningin. 'Het verhaal gaat dat haar haar geel was, maar dat was het niet. Het was zo zwart dat het verbijsterend was en haar blauwe ogen, diep en helder, bezaten een soort onbevreesdheid die eveneens verbijsterend was.’ Vanaf het eerste moment dat zij het zag hield ze van Lancelots scheve gezicht. Het duurde even voor hij het ook doorhad, maar toen vlogen de vonken er vanaf.
Lancelot was de soort man die nooit eens iets half kan doen. U kent ze misschien wel. Het zijn vermoeiende types. Als Lancelot iemand zijn hart schonk, deed hij het met volle overgave. Hij had zijn hart beloofd aan Arthur, waarna hij het, geheel tegen zijn wil en alle ridderlijke opvattingen in, verloor aan de koningin. Dit scheurde hem langzaam uit elkaar. Het is eigenlijk een heel verdrietig verhaal, hoe Lancelot en Guinevere elkaar uit alle macht probeerden niet lief te hebben, omdat ze allebei ook van Arthur hielden en hem niet wilden bedriegen. Ze deden de gekste dingen om uit elkaars armen te blijven. Lancelot was de eerste die begon met het verslaan van boze ridders en het redden van jonkvrouwen uit betoverde kastelen, aldus een romantische traditie startend waar Hollywood nog steeds op drijft - maar hij deed het enkel om Jenny te vergeten. Natuurlijk werkte het niet. Lancelot kon elke tegenstander aan op het tournooiveld, maar hij kon onmogelijk winnen van de zachte vijand die de liefde is.
Natuurlijk loopt het niet goed af. Er is geen uitweg voor de drie mensen in dit verhaal, en de liefde is de schuld van alle bloed en pijn die zij nog tegoed hebben. Maar voordat dat laatste bittere gevecht begint is er een moment dat dat niet telt, zoals het niet uitmaakt dat het nacht wordt als de avond schitterend is. Het moment komt dat twee oude geliefden elkaar weer zien en twee harten, tegen alle beter weten in, naar elkaar toetrekken met de bijna vergeten klik van twee magneten.
‘Lancelot had in de tuin een ladder gezien die lang genoeg was voor zijn doel – en hoewel zij geen afspraak hadden gemaakt, wachtte de koningin. Toen zij zijn verschrompelde gezicht voor het raam zag met de nieuwsgierige neus tegen de sterren, dacht zij niet dat het een waterspuwer of een demoon was. Zij bleef enkele hartslagen lang staan en voelde het onstuimige bloed naar haar hals opwellen en liep zachtjes naar het raam. Niemand weet wat zij tegen elkaar zeiden. Waarschijnlijk kwamen zij tot de slotsom dat het onmogelijk was van Arthur te houden en hem tegelijkertijd te bedriegen. (-) Waarschijnlijk werden zij het er volledig over eens dat hun schuldige liefde als geëindigd moest worden beschouwd.
Later fluisterde Sir Lancelot: “Ik wou dat ik mocht binnenkomen.”
“Dat wou ik ook.”
“Zoudt u willen, madam, met heel uw hart, dat ik bij u was?”
“Waarlijk.”
Toen hij de laatste ijzeren tralie brak, sneed hij zich tot op het bot in de palm van zijn hand. Nog later verstomde het gefluister en heerste er stilte in de duisternis van het vertrek.’


Citaten uit: T.H. White: Arthur, koning voor eens en altijd

Posted by jaeggi at 01:18 am

09 juli 2007

Nog is Polen niet verloren

Jeszcze Polska nie zginela
Kiedy my zyjemy

Nog is Polen niet verloren
zolang als wij leven

- Jósef Wybicki, Mazurek Dabrowskiego (Pools volkslied)

In de winter van 1999 waren we getrouwd; een koude dag, er viel natte sneeuw op ons terwijl we ons naar de tram haastten die ons naar het stadhuis zou brengen; geen trouwdag zoals je je die voorstelt, maar er was besloten dat we nog snel zouden trouwen voordat ons kind geboren werd, een beslissing waar ik mij geheel aan had overgegeven, en nog geen maand na ons jawoord en de rondvaart met onze vrienden over ijskoude, zwart oplichtende grachten werd het geboren, een meisje, en in de maanden erna was het feit dat mijn tweede roman verscheen hoogstens een onderdeel van een algehele roes, en dat het binnen korte tijd na verschijnen herdrukt werd en op de longlists van literaire prijzen verscheen was verheugend, maar bij lange na niet zo belangrijk als de vraag of het kleine meisje die nacht goed geslapen had, of dat het een lange dag met veel huilen zou worden. De gedachte dat het daarna nog zeven jaar zal duren voor er een volgende roman van je verschijnt is niet iets dat in zulke tijden in je opkomt.

Nadat je tweede roman is verschenen kun je niet veel anders doen dan beginnen aan een derde. Ik huurde een werkkamer aan de Weesperzijde, een kamer die door de andere bewoners – een bedrijf dat op een moderne manier aan goede doelen deed, en twee jonge vrouwen die via internet de distributie van bruiloftsgeschenken regelden – de tuinkamer werd genoemd. Hij lag aan de achterkant van het huis, en als ik aan die kamer terugdenk is het eerste wat ik zie hoe ik bij de open deuren zat, met mijn rug naar het bureau, urenlang kijkend naar de aan alle kanten ommuurde tuin en de regen die op een halve meter van mijn gezicht neerdaalde als een grijs gordijn.
Het moet in die tijd geweest zijn dat mijn tweede boek en de schrijver ervan de ronde deden langs de talkshows van Hanneke Groenteman en Paul de Leeuw, en dat er een tweede en een derde druk verschenen. Had ik Held van beroep nog geschreven met in mijn achterhoofd de bevrijdende gedachte dat niemand op een nieuw boek van mij zat te wachten (mijn eerste roman, De tol van de roem, was tenslotte ook door bijna niemand opgemerkt, behalve door een recensent van De Groene Amsterdammer – zijn jubelkreten waren het laatste teken van leven dat dat boek gaf), nu bleek dat ik een groeiend aantal lezers had – en volgens mijn uitgever zouden die moeiteloos worden overgehaald een nieuw boek van me te kopen, mits ik dat nieuwe boek binnen een termijn van twee jaar afrondde.
De mechanica van de verkoop. Een extra stimulans voor het schrijven was het niet.

Ik wist waarover het moest gaan. Over een man die groter is dan het leven zelf, en over zijn bediende. Sancho Panza, dokter Watson, meneer Topwash, Robin (of eigenlijk eerder Alfred, Batman’s bediende), dat waren een paar van de mensen die ik voor ogen had. Deze twee mannen, en de voortdurende worsteling om een voet aan de grond van de werkelijkheid te houden: daarover moest het gaan, en over Nederland, het land waarvan ik houd en dat ik verafschuw. En over Amsterdam.
Het enige dat een goed begin in de weg stond was de titel: ik had er twee en kon niet kiezen. De eerste titel was Nog is Polen niet verloren, zijnde de eerste regel van het Poolse volkslied: Marcheer, Dabrowski! Die titel leek alle wanhoop en vergeefs optimisme te bevatten die ik nodig had voor mijn boek. De andere optie was om het boek simpelweg de naam van de hoofdpersoon mee te geven: Pluto.

(Meer over het schrijven van een onvoltooid boek in het writer's blocknummer van Bunker Hill dat over plusminus drie weken verschijnt)

Posted by jaeggi at 09:58 pm

08 juli 2007

gebed

(uit te spreken in een bibliotheek)

Boek, vertel me hoe te leven
hoe ik de liefde moet overwinnen
vertel hoe anderen dat deden
wat de weg is, hoe
de kost te winnen

Boek, wij spreken in iconen
als Jolly Roger: avontuur,
een bloedend hart voor
liefde, eclips wijst ons
de toekomst.

Kien, Bandini, Biberkopf,
Schveyk, Tiuri, Windvaantje,
Horse Badorties, Oblomov.
Owen, Rosenberg, Sassoon:
Egidius.

Boek, vertel me hoe te branden
als een tijger in de nacht.
Vertel het ook aan anderen, als
ze radeloos zijn en dwalen, als
hun afgod naar ze lacht.

Boek, wij zijn allang verloren
wees ons dus steeds genadig. Ik getuig
dat er één is van elk van ons
en elk boek is mijn profeet.
Zorg dat iedereen dat weet.

Boek, vertel ons hoe we leven.


(Dit stadsgedicht, het tiende, werd geschreven ter gelegenheid van de opening van de nieuwe Openbare Bibliotheek Amsterdam, op 07-07-07. Het werd voor het eerst voorgelezen ten overstaan van Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Laurentien, burgemeester J. Cohen van Amsterdam, mevrouw H. Haasse, staatsminister dhr. R. Plasterk en plusminus honderdvijftig genodigden, in de nieuwe openbare bibliotheek op Oosterdokseiland. Het gedicht werd in Hong Kong gedrukt op +/- 100.000 linnen tassen en +/- 180.000 plastic tassen en verspreid onder de Amsterdamse bevolking. Het gedicht opent tevens de bundel Ode aan de OBA die bij deze gelegenheid werd uitgegeven.)


Posted by jaeggi at 12:24 pm

04 juli 2007

gedicht voor hassnae (5)

het maakt niet uit hoeveel jullie van elkaar hielden, het maakt niet uit hoeveel je verdiende, het maakt niet uit of je goed was in bed, het maakt niet uit of je lief voor haar poes was, het maakt niet uit of je hielp met de afwas, het maakt niet uit of je in het rond sliep of thuis lag, het maakt niet uit of je harig of kaal was, het mahaakt niet uit of je zong, het maakt niet uit hoeveel dagen je sleet achter je beeldscherm, het maakt niet uit hoeveel jullie van elkaar hielden, uiteindelijk zal ze zeggen
dat toch,
dat je toch,
dat je toch in een pak
het beste tot je recht komt

Adriaan Jaeggi

Posted by jaeggi at 05:03 pm

interview

Ik heb vanavond weer een interview. Mijn zeventiende binnen twee maanden. Er waren interviews voor Edele dieren, voor de Nacht van de Vrijheid en vanwege de opening van de Openbare Bibliotheek a.s. zaterdag.
Waar het interview vanavond precies voor is weet ik niet, maar dat is het probleem niet.
Ik weet niks meer. Ik heb de afgelopen twee maanden zo vaak mijn mening gegeven dat ik geen mening meer heb. Het is op.
Daarom roep ik uw hulp in.
Hieronder staan de vragen die ik voorgelegd heb gekregen. Wie er een antwoord op weet mag het mailen (antwoord@jaeggi.nl). De beste antwoorden zal ik in het interview gebruiken.
Overigens maken antwoorden die niks met de vraag te maken hebben een grotere kans.

Welk kunstwerk zou je graag aan de muur willen hebben
Welk boek zou je graag verfilmd zien
Van wie ben een groot fan - op welk gebied dan ook
Favoriet theater/concertzaal
Wil niet dood gevonden worden.... daar en daar
Wie mag nooit meer op de planken
Legendarische culturele ervaring in Amsterdam.
Eerste bezoek aan iets cultureels (als kind, (jong) volwassene)

Posted by jaeggi at 12:48 pm

03 juli 2007

nieuws

En dit is de nieuwe hoofdredacteur van Het Parool (eindelijk, diepe zucht, was dat nou zo moeilijk, pak van mijn hart, en nu hop hop weer aan de slag, die krant maakt zichzelf niet).

Gefeliciteerd allemaal!

Posted by jaeggi at 03:40 pm

Instappoëzie en omfietswijn

‘Ja, ik huil soms ook nog. U niet?’ vraagt NRC-redacteur Ron Rijghard zijn lezers aan het eind van zijn artikel in het Cultureel Supplement, afgelopen vrijdag. Ik wil die vraag wel beantwoorden. Ja, ik huil soms ook nog. Bijvoorbeeld afgelopen vrijdag, bij het lezen van Rijghard’s artikel.
Rijghard beklaagt zich, als ik zijn stuk even in een notedop mag persen, over het gebrek aan Nederlandse poëzie ‘waar je wat mee kunt als je aan het eten bent en beschaafd wilt converseren of juist de beschaafde conversatie wilt inruilen voor een ongezouten mening.’ In Nederland ontbreekt het aan ‘verhalende gedichten, met een kop en een staart’, die bewijzen dat eenvoud originaliteit niet in de weg staat.’
Dat was meen ik de derde keer dat ik in snikken uitbarstte.
Ik zal maar niet ingaan op Rijghard’s evidente gebrek aan kennis van de Nederlandse poëzie, want als hij serieus meent dat Nederland te weinig verhalende gedichten kent met een kop en een staart die zowel origineel als ongezouten zijn, dan is het duidelijk dat hij nooit gehoord heeft van Ingmar Heytze, Frank Koenegracht, Sjoerd Kuyper, Tjitske Jansen, Ruben van Gogh, Jean Pierre Rawie, Menno Wigman, F. Starik, Rogi Wieg of Job Degenaar, mensen die niet alleen de soort poëzie schrijven waar Rijghard zo naar hunkert (al heeft hij er de zeldzaam neerbuigende term ‘instappoëzie’ voor bedacht - op 1 niveau met 'omfietswijn'), maar die ook zelf pleiten voor ‘poëzie die niet alle banden met de werkelijkheid uit het oog verliest’, zoals dichter Job Degenaar recent deed in het laatste nummer van het poëzie-tijdschrift Balustrada.
In zijn stuk stelt Rijghard de Amerikaanse ‘slam poet’ Taylor Mali ten voorbeeld aan Nederlandse dichters. En inderdaad, wie Mali's voordracht bekijkt moet toegeven dat er maar weinig Nederlandse dichters zijn die met zo’n overtuiging over hun publiek heenwalsen als Mali. Zijn teksten zijn grappig, gepassioneerd, en om de andere regel klinkt er een one-liner waar het publiek bij kan klappen, lachen en juichen. Als er van tevoren niet bij gezegd was dat het om een dichter ging zou je Mali’s optreden zomaar kunnen verwarren met dat van tientallen even boze, originele en geestige Amerikaanse stand up comedians.
Nu is het Rijghard’s goed recht om van stand up comedians en verstaanbare poëzie te houden - maar botweg concluderen dat er in Nederland geen dichters zijn die mensen aan het huilen kunnen brengen, of die een zaal ademloos kunnen maken met poëzie die ook door een leraar, een agent en een verpleegster begrepen kunnen worden, dat is bedroevend.
De dag nadat Rijghard’s pleidooi verscheen lazen Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer gedichten voor tijdens de Nacht van de Vrijheid in de Amsterdamse stadsschouwburg. Ik was erbij. Links van mij stond een agent. Het ging over ons land, het ging over ons leed en onze angst, het ontroerde ons, het schudde ons wakker, en het was van begin tot eind te begrijpen. Niet met de oneliners van de stand-up-comedian, maar met woorden van ware dichters.
Heus, er lopen er tientallen rond in Nederland, dichters van het volk, dichters voor iedereen, voor iedereen te zien, voor iedereen te lezen - behalve voor iemand die met dichtgeknepen ogen van het huilen opkijkt van You Tube en vervolgens concludeert dat er niks te zien is.


Posted by jaeggi at 02:41 pm

02 juli 2007

gedicht voor hassnae (4)

Prooi van de zus van

Boven haar ogen
strekt een adelaar zijn vleugels
uit, alleen de buitenste puntjes
naar beneden,
het lijfje gewillig
verdwenen

'Wie wil er nu geen
man die kan dichten?’
zegt ze onder andere
tegen mij

Ik zwicht niet,
ik ben prooi


Derwent Christmas

(Morgen verslag van de Nacht van de Vrijheid, en een reactie op het lichtelijk stupide stuk van Ron Rijghard in NRC's Cultureel Supplement van afgelopen vrijdag. Tot morgen)

Posted by jaeggi at 03:48 pm