« citaat van de dag | Main | gedichten voor hassnae »

17 juni 2007

budapest & bandini

Ik had nog beloofd verslag te doen van mijn reisje naar Budapest, Hongarije. Ach, er wordt zoveel beloofd. Wie echt nieuwsgierig is moet NRC van gisteren maar even opslaan, daarin (in Leven &cetera) staat een verslag van de trip (Fokke en Sukke in Hongarije).

Bij wijze van eigen verslag: in Budapest lag een grote verrassing voor ons klaar, de schitterende Nederlands/Hongaarse bundel Theresa/ Nora/ Anja Possa, drie liefdesgeschiedenissen (Három szerelem története) van Tommy Wieringa, Jaap Scholten en Adriaan Jaeggi, mooi sober uitgegeven door Uitgeverij Bandini (Amsterdam/Budapest).
Dit boekje is ook in Nederland verkrijgbaar, maar in kleine oplage. Haast u dus naaar boekhandel Scheltema, Athenaeum, Het Martyrium of Schimmelpenninck, alle in Amsterdam. In de AKO zult u het niet zien liggen.

Hierbij een voorproef uit een van de verhalen: Nora.

Nora

Nora had de hele middag doorgebracht in Peterson's Wijnboetiek, en ze had nog altijd geen beslissing genomen. Ze bevond zich achter in de winkel, bij de grote houten vaten die in rijen in houten rekken lagen, en slenterde door de smalle gangetjes waar het zurig rook, en muf, maar niet onprettig. Af en toe nam ze peinzend een slok uit haar glas, proberend om aan prettige dingen te denken, of aan wat voor dingen dan ook, boodschappen, de televisie, alles liever dan het barbecuefeest dat ze die avond zouden geven. Ze was begonnen met voorzichtig nippen aan de proefglazen die de oude meneer Peterson voor haar had ingeschonken, maar toen had hij haar alleen gelaten `om zelf rustig te beslissen', en ze hoe meer ze had geprobeerd om goed te proeven, hoe minder het wilde lukken. Het liefst was ze op een van de logge bruine vaten gaan zitten om een beetje te huilen. Ze voelde haar gezicht warm worden en hield het koele glas tegen haar wang. Ze voelde de strenge, vragende blik van de oude meneer Peterson op zich gericht, die haar altijd onrustig maakte en haar het gevoel gaf dat ze een winkeldief was en een idioot.
Ze rechtte haar rug en glimlachte in zijn richting. Hij kwam naar haar toe en ze wees op de gok op een van de wijnvaten. Hij haalde bijna onmerkbaar een wenkbrauw op, schonk een bodempje rode wijn in een schoon glas, en overhandigde het haar met een stijve knik van zijn bovenlichaam. Zij en Max waren al jaren goede klanten van de Wijnboetiek.
Daarna liep hij naar voren en begon zijn zoon uit te foeteren, een mager joch dat hem hielp in de winkel en dat stiekem dronk. Met dertien jaar had hij het roze gezicht van een beginnende alcoholist. Altijd als zijn vader hem uitschold liet hij alles vallen wat hij in zijn handen had. Op een gegeven moment had zijn vader besloten dat het te veel kostte, en voortaan gaf hij zijn zoon op fluistertoon op zijn donder. Er zijn niet veel mensen die iemand fluisterend op zijn donder kunnen geven, maar oude meneer Peterson kon het.
Nora nam een slok van de wijn. Ze was blond en tamelijk aantrekkelijk, in elk geval aantrekkelijk genoeg om op bedrijfsfeestjes of de maandelijkse barbecue's regelmatig jonge jongens van Max' kantoor van zich af te moeten houden, die haar in een hoek manoevreerden met verhalen over 'managing directors' en 'targetting' waar ze niets van begreep.
Ze nam nog een slok en probeerde die niet meteen door te slikken.
Vroeger had ze veel zomersproeten gehad, maar in de loop der jaren waren die verbleekt en hadden plaats gemaakt voor een zachte witte huid, die Max, als hij in een romantische bui was, 'romig' noemde. Zelf vond ze zich meestal een onaantrekkelijke klomp marsepein, al wilde ze zichzelf wel toegeven dat het minder erg was dan het uiterlijk van de meeste vrouwen van Max' collega's, dat vaak veel overeenkomst vertoonde met het vlees op de barbecue.
`O God, de barbecue,' dacht Nora. De wijn verzuurde in haar mond en vlug slikte ze. De slok schoot haar keel in en verdween daarna de verkeerde kant uit. Ze vouwde dubbel, hoestend en wijn sproeiend, tranen in haar ogen. De oude meneer Peterson, gespitst op elke onregelmatigheid in zijn winkel, schoot haar richting uit.
`Mevrouwtje toch,' zei hij, haar op haar rug kloppend. `Gaat het weer? Ach, en moet u uw jurk nou zien. Zo'n mooie jurk. Wat 'n zonde.'
De lichtblauwe jurk was naar donkerpaars verkleurd door de rode wijn. Ze ging recht overeind staan, kuchte een paar keer en glimlachte naar hem, de tranen nog in haar ogen.
'Dank u,' zei ze. 'Het gaat alweer.' Ze draaide weg van zijn hand, die haar nog steeds zorgzaam en krachtig op de rug klopte.
'Heeft u misschien een glas water voor me?'
Oude meneer Peterson draaide zich om en keek rond naar zijn zoon, die nergens te zien was. Hij liep naar het einde van het gangetje en sloeg de hoek om. Zijn binnensmonds gemompel bleef tussen de zwijgzame vaten hangen. Nora wachtte niet tot hij terug was. In de auto veegde ze de tranen uit haar ogen met haar paarse jurk en kuchtte twee keer, hard.
'Rustig maar,' zei ze bij zichzelf. 'Dat was een heleboel wijn die je op hebt, Nora. We zouden niet ergens tegenaan willen rijden, toch?'
Rustig stuurde ze de auto het parkeerterrein voor bezoekers van de wijnboetiek af en draaide de weg op. Er was veel verkeer. Ze besloot de wijn in de supermarkt te kopen. Na één rondje van Max z'n zelfgemaakte barbecuesaus zou niemand toch meer het verschil proeven tussen bier en wijn. Zolang er maar genoeg was.
`Good night, little girl, good night,' neuriede ze. Ze kon zich niet herinneren waar ze het liedje van kende, maar de woorden kwamen vanzelf in haar op terwijl ze zong.`I just hope you'll get home allright,' zong Nora. `The ring on your finger, told me not to linger, so good night little girl, good night.'
Ze draaide het parkeerterrein van de supermarkt op en parkeerde de Volvo stationcar zo dicht mogelijk bij de ingang. Ze neuriede terwijl ze het winkelkarretje langs de overvolle schappen duwde, en stapelde het vol met grote pakken luchtdicht verpakte hamburgers en biefstukken, uien, aardappels, spek, paprika's, ketchup, pakken jus d'orange, een streng knoflook groot genoeg om heel Transsylvanië de stuipen op het lijf te jagen, chips, potten mayonaise en augurken, bier en witte en rode wijn in plastic jerrycans van vijf liter.

Toen ze, de winkelwagen voor zich uit duwend, door de schuifdeuren naar buiten liep was het of iemand haar met een voorhamer op haar hoofd sloeg. De overgang van de airconditioning in de supermarkt naar de plakkerige hete buitenlucht, en de wijn die ze gedronken had, veranderden haar knieën in rubber. Ze probeerde zich vast te grijpen aan haar karretje, maar het gleed onder haar vingers uit en reed rammelend de helling af in de richting van de auto's, steeds harder. Nora klapte tegen het beton.
Haar rechterknie raakte eerst de grond, daarna haar handen en haar kin. Vanuit haar knie schoot een schicht van pijn naar haar kin, en de tranen sprongen in haar ogen. 'Dat is nou al de tweede keer vandaag,' dacht ze, terwijl ze haar ogen dichtkneep van pijn, en tegelijkertijd vroeg ze zich af hoe vaak ze nog in tranen uit zou moeten barsten voor de dag om was. Ze moest er bijna om grinniken, stilletjes, diep in zichzelf, wat de enige plaats was waar ze weleens om zichzelf durfde te lachen.
De overvolle kar had bijna de rij geparkeerde auto's bereikt. Even dacht ze dat ze ongelooflijk geluk zou hebben en dat de kar haar eigen auto zou raken - ze zag zelfs voor zich, in een onderdeel van een seconde, hoe hij de bumper zou raken, kantelen en hoe de boodschappen, als in een tekenfilm, in een boogje door het achterraam precies op hun plaats zouden vallen - maar toen raakte hij een kiezelsteen, boog af en botste frontaal op de lage, donkere auto naast de hare. De bovenste laag boodschappen schoof van de kar af en verspreidde zich over de glanzende motorkap van de auto. Ze hoorde glas breken.
'O God,' kreunde Nora, en even legde ze haar voorhoofd op haar handen. Haar kin schrijnde en haar knie stond in brand. Er zat vast allemaal vuil in. Ze durfde niet te kijken. Dat had ze als kind ook nooit gedurfd, als ze gevallen was; ze was altijd bang geweest dat de wond zo diep zou zijn dat ze in haar eigen lichaam zou kunnen kijken. Haar vader had haar ooit geprobeerd te dwingen naar een snijwond in haar wijsvinger te kijken, die ze had gemaakt toen ze haar moeder ontbijt op bed wilde brengen. Hij hield haar vinger voor haar gezicht en brulde dat ze haar ogen open moest doen. Ze had ze stijf dichtgeknepen, tot hij zuchtte, haar haren losliet en de trap opliep naar boven. Ze hoorde zijn bromstem boven haar hoofd en daarna het lachen van haar moeder.
'Kan ik u helpen, mevrouw?'
Nora tilde haar hoofd van haar handen. Naast haar zat een man op zijn hurken. Het eerste wat ze zag waren zijn schoenen: gaatjesschoenen met geschaafde neuzen. Daarna zijn vingernagels, een beetje te kort geknipt. Ze legde haar hoofd in haar nek en keek naar zijn gezicht: een brede mond, met grote lachrimpels op de hoeken, en donker haar met al heel wat grijs erin, alsof hij witte verf in zijn haar had gekregen. Ze probeerde zijn ogen te zien, maar hij bewoog zijn hoofd en ze keek recht in de verblindende zon.
Ze stak haar hand uit.
Haar gezicht vertrok toen hij haar overeind hielp.
'Gaat het?'
Ze knikte. Ze vermeed het naar haar knie te kijken en hield haar kin stijf omhoog.
'Dat ziet er niet zo best uit. Ik zou er maar even naar laten kijken als ik u was.'
Ze draaide haar hoofd, zodat ze niet meer in de zon keek. Hij had een grote, vooruitstekende kin en bruine ogen. Niet van die trouwe hondenogen, gelukkig. Meer de ogen van een jonge hond die net met veel plezier je schoenen kapotgekauwd heeft.
Ze glimlachte en streek haar haar uit haar gezicht.
'Dankuwel,' zei ze. 'Het gaat alweer. Die warmte...'
Hij staarde naar haar. Hij had echt aardige ogen, al was zijn gezicht verder nogal gewoon. Nora streek haar jurk glad over haar buik.
'Mag ik?' zei hij.
Hij stak zijn hand uit naar haar kin. Onwillekeurig schrok ze even terug, toen liet ze hem begaan. Heel licht raakte hij haar kin aan. Hij liet haar zijn zakdoek zien, smetteloos wit met een grote bloedvlek erin. Ze voelde haar knieën weer week worden.
'Hier, voorzichtig,' zei hij. Hij greep haar onder haar armen en troonde haar mee naar de lage zwarte auto. Met een arm veegde hij een deel van de motorkap schoon zodat ze kon zitten.
'Ik weet niet of dit wel kan,' zei ze paniekerig. 'Straks komt de eigenaar...'
'Maak je daar nou maar geen zorgen om,' zei hij. 'Hou je kin even omhoog.'
Voorzichtig bette hij haar kin. Het deed pijn, en ze voelde een paar dikke tranen langs haar wangen rollen. Hij deed of hij het niet zag maar veegde ze onopvallend op in het voorbijgaan.
'Zo, dat is redelijk schoon,' zei hij. 'Maar als je thuis bent moet je er wel even iets op doen.'
Ze knikte en probeerde op te staan. Een doos eieren gleed van de motorkap en plofte op de grond.
'Nou, die zijn niet meer te repareren,' zei hij.
Ze lachte. Hij lachte ook, en ze zag dat zijn tanden ongelijk waren, maar wel wit en niet te groot. Ze kende al genoeg mensen met te grote tanden.
'Geeft niet,' zei Nora. 'Ik heb nog negen dozen.'
Hij grinnikte en zei: 'Zal ik maar even helpen met de boodschappen? Waar staat je auto?'
Ze wilde protesteren, maar hij was al bezig zakken chips terug op het boodschappenkarretje te stapelen.
'Dat hoeft echt niet, hoor,' zei ze, de zakdoek tegen haar kin gedrukt.
'Ik ben bang van wel,' zei hij. 'Ik kan niet gaan rijden met een motorkap vol boodschappen.'
Met een gloeiend hoofd liep Nora naar de Volvo. Ze stak de sleutels in het slot en zag zichzelf weerspiegeld in de achterruit.
'Mijn god,' zei ze.

(wordt vervolgd in Theresa/ Nora/ Anja Possa, drie liefdesgeschiedenissen [Három szerelem története], Uitgeverij Bandini (Amsterdam/Budapest 2007).

jaeggi om 17 juni 2007 11:43