« april 2007 | Main | juni 2007 »

30 mei 2007

hout voor de deur

Het is een warme, drukke avond, de zaal is vol en de band doet zijn uiterste best. Je bent niet dronken maar ook niet nuchter meer, je bent in dat fijne stadium dat je elke noot begrijpt die ze spelen, de hartekreet van de zanger is de jouwe, je drukt je nog iets naar voren tot je vlak voor het podium staat en dan voel je een borst tegen je arm.
Ongelukje. Misverstandje. Heb ik heel lang gedacht: als een vrouw met haar borst tegen mij aan gaat staan dan is er sprake van een misverstand. Ik zeg sorry, verplaats mijn arm iets naar rechts en een seconde later voel ik dezelfde borst tegen mijn bovenarm drukken. Ik laat het maar zo, geniet er stiekem van. Nog steeds gaat me geen licht op. Waarschijnlijk heeft deze vrouw ongevoelige borsten, of gaat ze zo op in de muziek dat ze niet merkt dat ze met haar… Dat doen vrouwen namelijk niet, niet expres.
Tweede misverstand: dat borsten bloot op hun mooist zijn. De vrouw die me deze illusie ontnam keek me heel verleidelijk aan terwijl ze haar bloesje ontknopte en haar BH ontkoppelde. Mijn blik zakte naar haar borsten. De linker gaf me een guitige knipoog, maar de ander bleef ongeinteresseerd een andere kant op staren. Beide hadden ze de houding en het model van een stamgast die een hele avond aan de tapkast hangt. En een paar uur eerder hadden ze er nog zo veelbelovend uitgezien!
‘De waarheid,’ schreef Boris Vian, ‘is simpeler en teleurstellender, net als de meeste vrouwen als je ze naakt ziet.’ Dit geldt, als ik Boris mag aanvullen, vooral voor borsten. Als ik de benen van een vrouw bewonder, onder een rokje of in een spijkerbroek, en me daar een voorstelling van maak, dan voldoet de realiteit – de blote benen dus - meestal wel aan de geschapen verwachtingen. Voor andere lichaamsdelen geldt hetzelfde. Alleen bij borsten gelden andere wetten.
De wetten van de zwaartekracht, om te beginnen. Hoe ouder de borst, en hoe zwaarder de borst, hoe groter het contrast tussen, laat ik zeggen, de façade en wat zich daarachter bevindt. Je ziet in Amsterdam weleens van die oude verzakte trapgeveltjes, antieke steentjes, een scheef kozijntje, terwijl achter die gevel de hele boel strakgetrokken, stevig in het betonijzer gevat en afgeplamuurd is. Zoiets moet u zich voorstellen, maar dan omgekeerd: je staat oog in oog met een splinternieuwe voorgevel en een paar uur later bevind je je in een verzakt en uitgewoond interieur.
Dan is er nog de wet van de remmende voorsprong: vrouwen met een veelbelovend decolleté kunnen meestal niet waarmaken wat hun borsten beloven. Dat kunnen die vrouwen niet helpen: borsten beloven bijna altijd meer dan ze waarmaken.
Dat laatste is natuurlijk de schuld van ons, mannen. Als wij aan borsten denken, denken we niet aan liefde, erotiek of strelen, maar aan bumpers, paardekrachten en de 100 meter in 9,3 seconden. Voor mannen zijn borsten, zoals vrijwel alles, een prestatie. Hoe hoger, hoe verder, hoe harder, hoe beter. En aangezien borsten verder niets kunnen behalve borst zijn, moet de prestatie ergens anders vandaan komen. Dan kom je al snel uit op grootte. Het waren mannen die Lolo Ferrari creërden, geen vrouwen.
Nu zou ik graag willen beweren, als een soort derde wet en een opluchting voor ons allen, dat de grootte er niet toe doet. Helaas is het omgekeerde het geval. Het doet er toe. Een man die zijn vrouw bezweert dat haar twee erwtjes net zo opwindend zijn als de prijscantaloupes van de buurvrouw, maakt twee mensen tegelijk ongelukkig: zijn vrouw en zichzelf. Zo’n man verdient het dat zijn vrouw zich, na de onvermijdelijke laatste ruzie, met haar koffer in haar hand omdraait en roept, zoals Rachel in Friends toen ze Ross verliet: ‘O, en nog iets: niet alle mannen hebben er weleens last van, het doet er wel degelijk toe, en het maakt verdomd veel uit hoe groot hij is.’ Boem, deur dicht, schouders recht, borsten vooruit, de wereld in. Een man die hetzelfde zou doen, schouders recht, pik vooruit, zou er volkomen belachelijk uitzien. Alleen al daarom zie ik meer in borsten.

Posted by jaeggi at 11:52 am

29 mei 2007

nacht van de vrijheid

De eerste gasten van de Nacht zijn bekend.
Psychiater, journalist en vrijheidsdenker Theodore Dalrymple opent de avond met een prikkelend betoog over vrijheid. Daarna begint op verschillende plekken in de schouwburg een vrijheidsprogramma met debatten, film, poëzie, theater en beeldende kunst. Met onder andere Femke Halsema, Eddy Terstall, Hedy d'Ancona, Salah Edin, Marjolijn Februari, Ilja Leonard Pfeijffer, Jelka van Houten, Adriaan Jaeggi, Rebecca Gomperts, Gabi van Driem, Graham Locke, Erik Jan Harmens, Yoeri Albrecht, Sjoukje Smit (Maggie MacNeal), Wimie Wilhelm en Lotje van Lunteren.

Posted by jaeggi at 01:41 pm

gedachte op dinsdagochtend

Als er 1 Nederlande schrijver de Nobelprijs voor de Literatuur verdient is het Leo Vroman.
Waarom?

Wattentakeliggereed-
schappelijkkoetsierraadzaal-
igheidenkelkemaaal-
tijdsgewrichtingleed?

Hoegenaamplatonietwaar-
voorraadselachlustoord-
eelgenoodzakoord-
dansvloerdierbaar?


(uit: Demonoligikaas)

Posted by jaeggi at 10:54 am

27 mei 2007

Nachoem is kampioem

Omdat er op sommige literaire kletssites flarden van ronddwarrelen en dit tot voorspelbaar en onbenullig commentaar leidt: hierbij de volledige recensie van de Beste gedichten van het jaar zoals die afgelopen donderdag in het Parool stond.

In de bundel met de beste gedichten van het jaar staan nooit de beste gedichten; daarom is het zo’n fijne bundel. Elk jaar weer slaat de samensteller bij het uitzoeken van de gedichten de plank soms volledig mis, ziet hij zeer belangrijke bundels over het hoofd en kiest hij uit de goede bundels juist de mindere gedichten. Heerlijk om je over op te winden.
Zo is het mij een raadsel waarom in deze bundel gedichten van de vluchteling/dichter Al Galidi staan. Eigenlijk is het sowieso een raadsel waarom de goede man iets gepubliceerd krijgt in Nederland (Ja, ik weet dat hij genomineerd was voor de VSB-poezieprijs. Nog meer raadsels).
De gedichten van Al Galidi zijn slecht gemaakte, infantiele versjes vanuit een uiterst mager ideetje (‘He regen, waarom val je hier?/ Waarom open je hier paraplu’s/ als je daar bloemen kunt openen?’), larmoyante emotionele oprispingen (Haal deze vuilniszak/ waarin ik en mijn weemoed/ gevangen zijn,/ omhoog’) en in het ergste geval kranke piemelgedichtjes: ‘Soms tref ik een vrouw/ die zich verstopt in mijn penis.’ Genoeg! Genoeg over deze man. Zulke mensen geven poëzie een slechte naam.
Even discutabel is de keuze voor de gedichten van Dirk van Bastelaere, een dichter die expert lijkt in het op het einde alsnog grondig verzieken van een op zich niet slecht gedicht. Door te eindigen met ‘och was ik maar’, bijvoorbeeld. Of ‘Oh shit/ gimme a break’. Of: ‘en nog veel meer dan dat’ (mijn docent literatuur zei altijd: ‘Als iemand etcetera schrijft weet ik direct dat hij daar niet meer verder wist).
Dan Abdelkader Benali. Een goede, produktieve schrijver, maar een dichter? Welnee. Benali schrijft vage verhaaltjes met lukrake afbrekingen, zonder enige urgentie, volkomen vormloos. Typisch geval van een schrijver die denkt: och, dat dichten doe ik er wel even bij.
Net als bij de Dikke Komrij-bloemlezing is er in deze bundel een maximaal aantal gedichten waarmee schrijvers vertegenwoordigd zijn, en waarmee de samensteller, misschien tegen wil en dank, zijn voorkeuren heeft aangegeven. Het maximum is zes gedichten. Dichteres Saskia de Jong bijvoorbeeld krijgt er vijf, waarvan een in drie delen, wat aangeeft dat Henk van der Waal haar ongeveer even hoog heeft zittten als Al Galidi (6) en Nachoem Wijnberg (ook 6). De rest van deze recensie hompel ik dus voort op een gebroken klomp.

(-)
Een iep is een redelijk goede boom
Een paus is een redelijk goede mens
Gedegen geslagen de hond in de magere mand

nou, dit is een mooie snackbar, daar
stap je al op de bus naar de openbare toiletten
gebruik die harde schouders

uit uitgebeende feesten destilleren
sla ons niet in bekoring
gij zult zich niet tromperen

Als je als lezer gaat proberen hierin samenhang te ontdekken ben je verloren. Niet alleen hebben de Jong’s regels onderling weinig verwantschap, ze weet ook vaak met een tweede regel de eerste om zeep te helpen: ‘een iep is een redelijk goede boom’ lijkt een grappige en redelijk onkwetsbare formulering, totdat die gevolgd wordt door ‘een paus is een redelijk goede mens’. Daar verliest de vorige regel zijn onschuldige humor en gaan we ineens serieus doen. En bij ‘gij zult zich niet tromperen’ weet je werkelijk niet of de schrijfster expres zondigt tegen de grammatica. Zo weet De Jong heel wat schade aan te richten binnen haar eigen regels, wat best een interessante manier is om de tijd te doden, als je je tijd liever dood hebt.
Is het dan een en al ellende in deze aflevering van ‘De 100 beste...’? Nee hoor. Samensteller Van der Waal heeft ook bijzonder mooie gedichten uitgekozen, die we anders gemist hadden, zoals het eenvoudige en geraffineerde Strijken van Lieve van Impe:

(-)
Misschien betert het wel, zeg ik
en anders, moeder, valt er mee te leven.
Ze knikt berustend en wat machteloos

Verwoeder strijkt ze sprakeloos
zonder te beven nu het linnen. Ik raad
ze strijkt de angst daarbinnen.

En ook de onmisbare Alfred Schaffer, de onverwoestbare (hopen we) Hans Verhagen en de dichter Willem Thies, die ik niet kende maar nu wel, en Nachoem Wijnberg. De zes ‘liedjes’ die Van der Waal heeft opgenomen zijn de beste gedichten uit deze bundel, waaruit je zou kunnen opmaken dat ‘Liedjes’ van Nachoem Wijnberg de beste bundel van 2006 was. Nachoem is kampioem! Maar prijzen heeft hij niet gekregen. Als ik jurylid en samensteller was geweest had ik het allemaal volkomen anders aangepakt. Kortom: een heerlijke bundel.


(Henk van der Waal (samenst.), De 100 beste gedichten van 2006. Stichting VSB poëzieprijs/de Arbeiderspers, 9,95.)

Posted by jaeggi at 01:59 pm

25 mei 2007

ik ben niet zo gaaf

Enkele dagen geleden schreef ik hier dat uitgeverij PBO schoonmaak hield onder haar schrijvers: men zou in afgeslankte vorm, met alleen met een aantal goed verkopende schrijvers verder willen.
Dit gerucht blijkt niet op waarheid te berusten en ik had het niet moeten plaatsen. Mijn welgemeende excuses aan PBO en eventuele schrijvers die zich ongerust hebben gemaakt.

Posted by jaeggi at 12:35 pm

ik ben gaaf

Eén functie van het weblog was ik nog vergeten, in mijn vorige stukje: een weblog is ook een uithangbord voor jezelf; een podium voor schaamteloze zelffelicitatie, een hele grote vlag met je naam erop en honderd keer de regel IK BEN GAAF.
Als respectabel schrijver kan ik natuurlijk niet achterblijven, vandaar het volgende: Edele dieren wordt herdrukt.
Een tweede druk binnen een maand (en de eerste druk was een grote), dat kan maar één ding betekenen: ik ben gaaf.
Om dit te vieren: hierbij een heel hoofdstuk uit Edele dieren, gratis en voor niks, om te lezen, of uit te printen (omslag van het boek staat op de website) in elkaar te plakken, stuk te lezen en al uw vrienden te vertellen: dit boek moét je lezen op vakantie, je zult nooit meer dezelfde zijn - en we dus snel aan een volgende druk toe zijn.
Veel leesplezier.

EDELE DIEREN
hoofdstuk 1

Aan de ruige kust van de Tyrheense Zee, halverwege tussen Napels en het vulkaaneiland Stromboli, staat een groot, ouderwets huis met de kleur van verschoten rozen. Hoge, gereserveerde palmen wuiven de blozende gevel koelte toe, en weren nieuwsgierige blikken van de vreemdeling die vanuit het twaalf kilometer verderop gelegen stadje Santo S* hier passeert en zich afvraagt wat zich achter de hoge muur en de strenge ijzeren hekken afspeelt.
Op de oprijlaan sliepen twee bestofte, uitgeputte auto’s. In de keuken van de villa zaten de vliegen verdoofd het eind van de middaghitte af te wachten. Pas rond een uur of vijf ontstond beweging rond het huis, toen de houten lattendeuren aan de achterkant openzwaaiden en een man in oranje bermuda het terras opliep, waar hij zich wellustig begon uit te rekken. Hij was in goede conditie voor een man van achtendertig, gebruind en gespierd, hoewel zich in zijn gezicht, zijn nek en rond zijn middenrif de eerste lagen vet hadden afgezet, en het elastiek van zijn broek zich in het vlees van zijn buik had ingegraven.
Hij liep naar de rand van het terras, vanwaar een trap van enkele treden naar een grote tuin voerde. Het kortgeknipte gazon vertoonde hier en daar gele plekken. Links en rechts lagen droge bloembedden met om de paar meter een verdorde hibiscus-struik. De dunne takken droegen gemummificeerde bloemen. Achter hun felle rood en geel rees de tuinmuur op.
Halverwege de tuin bevond zich een niervormig zwembad dat blauw schitterde in de zon. Op het terras eromheen stonden zes witte plastic ligstoelen, en voorbij het zwembad liep het terrein onmerkbaar glooiend af. De tuin eindigde bij een laag muurtje van losse, gestapelde stenen. Erachter lag een met onkruid begroeide richel van een meter breed, en van daaraf daalde de rots abrupt af in zee. Honderd meter verder lag een klein zandstrand als een gebleekt tapijt in de branding, slechts bereikbaar via een smalle en steile, in de rots uitgehakte trap.
De man in de oranje bermuda gooide zijn hoofd achterover en gaf een uitgelaten schreeuw. Hij sprong het terras af en zette een spurt in naar het zwembad. De jonge blonde vrouw die haar hoofd uit haar slaapkamer stak en rondkeek wie zo bruut de middagrust verstoorde, was te laat om te zien hoe hij met veel gespetter in het water landde, maar hoorde wel de Tarzankreet waarmee hij weer bovenkwam.
Ze stapte naar buiten. Ze droeg blauwe slippers met een geelwitte madelief tussen haar tenen, een lichtblauw bikinibroekje, en een doorzichtige zijden lap die ze om haar smalle heupen had geslagen. Haar laatste balletles was meer dan tien jaar geleden, maar nog zichtbaar in de manier waarop ze liep: niet hangend in haar heupen, maar met een elegante boog in haar rug, haar spitse kin vooruitgestoken. Haar borsten waren bloot, niet groot en al tamelijk bruin. Vanuit het zwembad klonk een nieuwe enthousiaste brul.
‘Eva, kom erin! ’t Is heerlijk!’ Maar de jonge vrouw schudde haar hoofd en liep naar de witte marmeren tafel midden op het terras. Dromerig greep ze naar een pakje sigaretten dat midden op tafel lag. Het had uren in de zon gelegen; op het cellofaan aan de binnenkant zaten condensdruppels. Ze liet zich neer in een van de stoelen, zette haar voetzolen tegen de tafel en stak haar sigaret aan.
‘Hee, goedemorgen… Goedemiddag bedoel ik. Jeetje mina.’
De luiken aan de andere kant van het huis zwaaiden open. Een man van middelbare leeftijd met kort grijs krulhaar en een donkerblauwe, tot aan zijn adamsappel dichtgeknoopt poloshirt betrad het terras. Hij knipperde naar het zwembad, waaruit een woest geborrel opklonk, en lachte naar Eva. Zijn blik deed een dappere poging haar gezicht te bereiken, maar landde machteloos op haar borsten.
‘Hai Robbert. Lekker geslapen?’
‘Als een blok. Als een roos. Als een… Eh…’ Hij huppelde het terras over op de onmiskenbare melodie van nieuwe slippers. ‘Maar wat is het hier geweldig zeg. Wat een luxe. En die rust!’ Hij danste met opgetrokken knieën naar de trap, waar hij stilstond en zijn hand boven zijn ogen zette.
‘Mág-ni-fiek uitzicht heben we ook.’
Hij bleef ongeveer een minuut zo staan. In het zwembad had Fulco zich op zijn rug gekeerd en dobberde, met armen en benen gespreid, als een tevreden reuzenzeester aan het wateroppervlak.
‘Het doet bijna píjn aan je ogen, die kleuren. Die zéé!’
Eva verwijderde een flinter tabak van haar tong, wierp een blik over haar linkerschouder, en knikte. Ze duwde met haar blote voeten tegen de rand van de tafel tot haar stoel op twee poten balanceerde. Ze legde haar hoofd op de leuning en sloot haar ogen. Achter haar rug was Robbert halverwege zijn jubelende aria, terwijl hij van links naar rechts over het terras draafde en steeds nieuwe vergezichten ontdekte – maar dit was het eerste tastbare uur van haar vakantie, en ze was niet van plan dat te laten bederven door ergernis van het goedkope soort. Hoewel ze pas negenentwintig was had ze genoeg gereisd om te weten dat geen enkele reisgenoot een onbeperkte houdbaarheid heeft. Ook onder de meest ideale, luxueuze omstandigheden was er altijd één iemand die op zeker moment op de zenuwen van de anderen ging werken. Robbert solliciteerde onmiskenbaar naar die positie. Maar het was de eerste dag van de vakantie, het was te warm om ergens anders aan te denken dan koel genot, en tegen de tijd dat ze daar genoeg van kreeg kon ze waarschijnlijk genieten van het schouwspel van Robbert die tot de ontdekking kwam dat ongebreideld enthousiasme de nodige gevaren met zich mee meebracht. Het was vreemd, peinsde ze, dat een man van over de vijftig niet op de hoogte was van zulke essentiële dingen.
Ze keek op haar horloge, kwam overeind in haar stoel en keek zoekend in het rond.
‘Zijn Martin en Karen nog niet aangekomen?’
Robbert sprong van de lage stenen balustrade rond het terras. Geamuseerd keek ze toe hoe hij over het terras naar haar toe sprong, als een schooljongen die uit de klas wordt gelaten. Toen hij naast haar stoel stond, zei hij: ‘Je moet Kerren zeggen.’
‘Waarom?’
Hij schoof een stoel achteruit, met het geluid van een harnas dat over de stenen wordt gesleept. Eva trok een pijnlijk gezicht. Robbert grijnsde verontschuldigend.
‘Zo heet ze. Ik kan het ook niet helpen.’
‘Kerren?’ vroeg Eva. Haar blauwe ogen kregen een spottende uitdrukking. ‘Sorry, zei je nou: Kerren?’
Robbert was misschien in een lichte roes, maar niet zo bevangen door de bedwelmende, van tijm en wier doordrenkte zeelucht dat hij niet begreep dat hem nu al gevraagd werd partij te kiezen. Hij staarde naar Eva’s tenen, die zich met hun donkergroene nagels aan de rand van de tafel vastklemden.
‘Voluit heet ze Karen Oud Valkeveen,’ legde hij uit. Hij sprak elke lettergreep met precisie uit. Het was niet duidelijk welke kant hij daarmee koos, maar Eva leek voor het moment tevreden.
‘Kerren Oud Valkeveen,’ zei ze aanstellerig. ‘’t Zal mij benieuwen.’
Robbert leunde achterover, maar voor hij kon ontspannen zei Eva abrupt: ‘Heb jij haar weleens ontmoet?’
Hij trommelde met zijn vingers op tafel. ‘Een paar keer,’ gaf hij toe. ‘We zijn weleens uit eten geweest. Met een heleboel mensen tegelijk,’ voegde hij er haastig aan toe. ‘Ik heb haar tot nu toe weinig gesproken. Jij?’
Eva nam de laatste trek van haar sigaret, keek in het rond en wierp de peuk bovenhands, met een sierlijke beweging, over de rand van het terras – het had alles van de manier waarop ballenjongens topspelers de bal toewerpen.
‘Toen Martin en ik iets kregen waren zij al bijna een jaar uit elkaar,’ zei ze. Ze probeerde luchtig te klinken. ‘Hij heeft me weinig over haar verteld. Niet dat ik ernaar vroeg. Ik ben niet nieuwsgierig naar zijn exen. Ik ben niet jaloers of zo.’ Ze keek hem hooghartig aan. ‘Zeker niet naar iemand die Kerren genoemd wil worden.’
Ze besloot niets te zeggen over haar opwinding toen Martin haar had voorgesteld samen op vakantie te gaan. Ook hoefde hij voorlopig niets te weten over de deceptie toen ze doorkreeg wat Martin bedoelde: op vakantie met zijn zessen, onder wie zijn ex.
‘Ik vind het sowieso fijn dat je mee bent gekomen,’ zei Robbert. ‘Al kennen we elkaar nog niet zo goed. Maar over drie weken kennen we elkaar door en door.’
Het was luchtig bedoeld, maar in dit eerste uur van zijn kennismaking met haar en de vreemde nieuwe omstandigheden leek zijn leeftijd extra zwaar op hem te drukken. Hij was in het stadium van zijn leven waarin men zich er niet meer dagelijks van bewust is dat het leven onberekenbaar en meestal niet eerlijk is, omdat men zich daar al jaren geleden bij neergelegd heeft – in ruil voor een fatsoenlijk aandeel in comfort en gemoedsrust. Wel had hij zichzelf beloofd zich tot het einde te blijven verzetten tegen makkelijk cynisme, en dat was tot nu toe redelijk gelukt, ondanks het mislukken van twee huwelijken en de makkelijke manier waarop hij geld verdiende aan kunst.
Vanuit het zwembad kwam Fulco’s stem. ‘Robbert! Word het niet eens tijd een fles open te trekken?’
Ze keken elkaar aan en grinnikten. Hij kneep zijn ogen dicht tegen het felle blauw van de hemel en het geel en groen van de tuin. Eva pakte haar zonnebril van tafel.
‘Wat is volgens jou een goed moment voor een relatietest, Robbert?’ vroeg ze.
‘Hoezo?’
‘Samenwonen is één ding,’zei Eva, ‘maar samen met vakantie gaan is een tweede. Zeker als er ook nog exen meegaan. Ik zou ook liever met Martin mee zijn gereden, maar hij had nog zoveel werk te doen, met zijn tentoonstelling in Berlijn in het vooruitzicht, en dan zou hij diréct de volgende ochtend duizenden kilometers hierheen moeten rijden. Dus ik zei: ga nou maar eerst een nachtje lekker uitslapen, dan weet ik tenminste zeker dat je heelhuids aankomt. Ik rij wel met mijn ouwe kroegmaatje Fulco mee. Wat heb ik eraan als Martin ergens een ongeluk krijgt? Dan heb ik liever dat hij ergens in een hotel gaat zitten met Kerren. Ik vertrouw hem toch? Anders moet je niet samen op vakantie gaan. En bovendien…’
Ze stopte midden in haar zin toen ze zich realiseerde dat ze klonk als een jaloerse vrouw die niet doorhad hoe jaloers ze was. Ze priemde haar kin in de lucht. ‘Ik heb niks tegen Kerren Valkendinges, behalve dat ze mijn Martin doodongelukkig heeft gemaakt. Hij was een zielig hoopje mens toen ik hem tegenkwam. Hij had al maanden geen schilderij gemaakt, wist je dat?’
Robbert knikte. ‘Maar nu is hij weer gelukkig,’ zei hij. ‘Door jou.’
‘Precies. En bovendien heeft Fulco natuurlijk wel de grootste auto.’ Ze grinnikte. ‘Ik geef eerlijk toe, ik was blij dat ik niet duizend kilometer in dat ouwe barrel van Martin hoefde te rijden. Dat ding heeft niet eens een airco.’
Robbert knikte afwezig. Hij dacht aan zijn eigen reis, aan de autotocht met Boukje samen vanuit Rotterdam. Ze hadden afgesproken om de beurt te rijden, maar ze waren Nederland nog niet uit of ze was in slaap gevallen. Hoewel hij wist dat het onverstandig was, was hij in één ruk doorgereden naar de Italiaanse grens, waar ze in de eerste file waren beland. Enkele kilometers verder werden ze door furieus gebarende motoragenten langs een vers ongeluk geleid. Stapvoets reden ze langs twee auto’s die waren vertrapt als insecten: de ene hulpeloos ondersteboven in zijn eigen olie, met een platgewalst dak en wielen die smekend in de hoogte staken, de andere verkreukeld tegen de vangrail, een afgerukt portier ernaast. De conditionering galmde door zijn hersens – kijk voor je, er is niets te zien, staren is onbeleefd – maar toch kon hij zijn ogen niet afhouden van het paar ziekenbroeders bij een brancard, op hun hurken, in de houding van mensen die besloten hebben dat er niets meer aan te doen is, en van het been dat krampachtig gestrekt naast hen op de grond lag: een been zonder eigenaar, losgerukt in dat ene gruwelijke moment niet lang geleden. Verwonderd over de onverschilligheid van de mannen reed hij erlangs, op nog geen twee meter, en zag dat het een opgerolde jas was. Bij het eerstvolgende pompstation stopte hij, liep naar de toiletten en hield zijn hoofd langdurig onder de kraan. Toen hij terug bij de auto kwam sliep Boukje nog.

Rond het zwembad was het stil geworden. Alleen het schrille gezwoeg van de cicades klonk uit de tuin. Buiten de muren mekkerde een geit. Robbert gaapte en rekte zich behaaglijk uit. Eva was verdiept in de staat van haar nagels. Hij bestudeerde haar gezicht, de hoge, naïeve ronding van haar voorhoofd die hem aan de foto’s van ouderwetse filmsterren deed denken. Een pluk blond haar viel voor haar gezicht. Ze streek hem achter haar oor met een gebaar dat duizendmaal was gerepeteerd.
Robbert wendde zijn ogen af. Het was de nieuwheid, hield hij zichzelf voor. Alles aan deze middag was nieuw. Het was begonnen, maar nog niets was echt begonnen. Morgen zouden ze zich storten op het zonnebaden en fanatiek ontspannen, maar op dit moment hing alles tussen twee realiteiten in: tussen het leven dat zij achter zich hadden gelaten op de autoweg hiernaartoe, dat abrupt was verstomd op het moment dat hun mobieltjes geen signaal meer gaven, en tussen het leven van de komende drie weken, waarin ze met zijn zessen een oneindigheid aan tijd zouden opmaken. Ze waren nog niet begonnen dagen af te tellen. Er waren nog geen afspraken over uitstapjes, schoonmaakbeurten, verantwoordelijkheden. Ze waren samen alleen in de tijd.
Hij stond op en liep naar de rand van het terras. Bij de trap naar de tuin bleef hij staan. Het weer was helder. Alleen aan de horizon hingen een paar gerafelde wolken. Verderop aan de kust, in de richting van Napels en de rest van Europa, zag hij het nijdige blauwe flikkeren van een lasvlam. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes toen de zon, die het afgelopen uur onbeweeglijk op dezelfde plaats had gehangen, met een schok naar de horizon daalde en daar bleef bengelen, schommelend en vonken schietend. De zee leek in brand te vliegen.
‘Misschien moeten we even gaan kijken of Fulco niet verdronken is,’ zei hij, min of meer in zichzelf. Uit het zwembad kwam, als op commando, een diep gorgelend geluid. Eva grinnikte. Hij zette een hand boven zijn ogen en tuurde de zee af. De gedachte kwam in hem op dat als hij maar lang genoeg zo bleef staan, hij vanzelf een schip zou zien opstomen naar de kust, met de twee ontbrekende gasten aan boord, wuivend en kushanden werpend aan de reling.
‘Ik vraag me af waar ze blijven,’ hoorde Eva hem mompelen. ‘Ze hadden er allang moeten zijn.’

Posted by jaeggi at 09:29 am

23 mei 2007

ik stop met bloggen. nee, toch maar niet. ja, toch wel, hoewel, bij nader inzien, toch maar niet, wel, niet...

Elke dag worden er 120.000 nieuwe weblogs aangemaakt (bron: NRC Next). Als ik dat lees word ik acuut misselijk, niet tot kotsens toe misschien, maar zoals het voelt als je zo'n grote puntzak drop van de Etos in 1 ruk hebt opgegeten.

Je hoort mensen weleens beweren dat het toch maar goed is dat er prostitutie is, omdat er anders veel meer aanrandingen zouden zijn. Voor weblogs geldt hetzelfde: wie een weblog heeft valt verder niemand lastig met zijn geschrijf. Zelfs als een weblog door geen mens wordt gelezen (wat bij 95 % van de persoonlijke weblogs het geval is) wordt de behoefte om gehoord te worden toch bevredigd - een ideale situatie, zou je denken. Het spaart waarschijnlijk miljoenen aan therapie uit.
Behalve dat de meeste bloggers eigenlijk niet opgewassen zijn tegen de grote boze wereld die internet heet.
De huiselijke blogster Hanneke Groenteman schrok zich enkele dagen geleden een hoedje van de golf aan furieuze reacties op een van haar laatste posts. Ze kondigde direct aan te stoppen met bloggen. Direct daarop kwam ze terug op die beslissing: ze stopt toch niet, vanwege de 'vele lieve hartverwarmende oppeppende' reacties die ze binnenkreeg.
'Nu móet ik wel doorgaan,' aldus Groenteman, want zoveel mensen hadden haar herinnerd aan de 'eeuwig mooie zin van Van Randwijck: "Een volk dat voor tirannen zwicht...."
Tirannen?
Doelt de weblogster op de über-melige ventjes achter Geenstijl? Op de heetgebakerde LPF-ers die elke dag in trainingspak achter de computer kruipen om een vracht zweterige haatmail de wereld in te sturen? Doelt ze misschien op de giechelende pubers die graag vieze woorden achterlaten in chatboxen en op sites van bekende Nederlanders?
Tirannen?

Alles op het internet lijkt groter dan het is: een roddel wordt een scoop, een scheldpartij wordt een haatcampagne, en een beetje webloghouder noemt zich al snel schrijver of journalist. Maar de meeste weblogs zijn niet meer dan openbare dagboekjes en poezie-albums, kleine kioskjes waarin je het voorlaatste nieuws in beduimelde vorm kunt opslaan, en uitgebreide verslaggeving van levens waarin niets, niets, niets gebeurt.


Posted by jaeggi at 10:15 am

22 mei 2007

vrijheid

Houdt u alvast deze avond vrij?

Vanaf morgen op dit weblog regelmatig info over gasten, thema's en programma van de Nacht van de Vrijheid.

Posted by jaeggi at 02:07 pm

sushi


ik zeg dit soort dingen om je op ideeën te brengen
ik vertel je dit om je niet als debiel te laten sterven

de ondergang heette die film maar hoe heette
die acteur nou? Zeg het maar niet ik weet dat je het weet
ik vraag het alleen maar om je je goed te doen voelen

ik vraag het maar anders kom ik het nooit te weten
als ik te brutaal ben moet je het zeggen nou zeg het dan
wat je nooit

wat hadden we nou afgesproken
het zou niet de hele avond alleen over jou gaan
he ik ben blij dat die spanning een beetje uit de lucht

de allerverste sushi wordt uit levende vissen gesneden
die ze daarna terugzetten dan zwemmen ze nog een tijdje

neem nog een hapje koffervis
nee japanse kelner geen toetje alleen de rekening

Posted by jaeggi at 12:25 am

21 mei 2007

leeftijd

En toch weet ik zeker dat er een tijd was dat ik geen lijstjes maakte met alle dingen die ik die dag absoluut moest doen.

Posted by jaeggi at 09:51 am

18 mei 2007

hete naalden

Een late voorjaarsschoonmaak bij uitgeverij PBO (Prometheus/Bert Bakker): tientallen schrijvers krijgen te horen (of hebben al gehoord) dat PBO hen niet langer zal uitgeven. Uitgever Mai Spijkers gaat verder met een afgeslankte club van schrijvers, die allleen gemeen hebben dat ze goed verkopen. Palmen, Brusselmans, Lanoye en Pleij hoeven niet te vrezen, maar hoe het zal uitpakken voor vele andere schrijvers is niet te zeggen. Waarschijnlijk wachten zij op dit moment nagelbijtend op een brief van hun uitgever.
Als oud PBO-auteur (ik verhuisde twee jaar geleden naar Nieuw Amsterdam) vraag ik me onwillekeurig af aan welke kant van de lijn ik terechtgekomen zou zijn, ware ik gebleven. Zouden ze mij nog willen uitgeven? Of had ik zo'n briefje gekregen waarin de uitgever beleefd maar kort meedeelt dat hij mij 'de vrijheid geeft een andere uitgever te zoeken'?
Weinig momenten in het leven van een schrijver zijn zo pijnlijk als het moment dat je uitgever aangeeft niet meer verder met je te willen; het combineert het geestelijke leed van een echtscheiding met de lichamelijke gewaarwording van een ingescheurde nagel.
Is er al ergens een telefoonnummer voor schrijvers-nazorg dat ex-PBOers kunnen bellen?

Posted by jaeggi at 11:45 am

17 mei 2007

hemelvaart

Als we wakker worden schijnt de zon, het belooft een prachtige dag te worden, ik zwaai mijn benen uit bed en roep: 'Zal ik croissantjes halen?'
Zij draait zich op haar buik en mompelt: 'Kannie crossantjes. Winkeldigt.'
Ik haal mijn schouders op en loop naar beneden om de krant te halen. Geen krant. Dan dringt het tot me door dat het hemelvaartsdag is. Natuurlijk. Geen krant. Alle winkels dicht. Niks kopen, lekker uitrusten.
Om een uur of elf krijg ik de eerste onthoudingsverschijnselen. We roosteren brood van gisteren en persen de laatste sinaasappelen uit. Koffie is er volop. Ik trommel met mijn vingers tot ze opkijkt.
Wat moeten we vanavond nou eten?' vraag ik. Ze verdiept zich weer in de krant van gisteren. 'We hebben spaghetti. En blikjes tomaten en olijven. Ik zal pasta puttanesca maken. Lekker makkelijk.'
'Moet daar geen tonijn in?'
'Nee.'
'Hebben we genoeg wijn?'
Ze zucht. 'Liefje, we hebben niks nodig. Met wat er in de ijskast staat kunnen we een beleg doorstaan. We zullen niet verhongeren.'
Ik voel een soort beklemming die ik niet kan verklaren, alsof ik een klein maar verbazend aanhankelijk aapje om mijn nek heb hangen.
Dapper zeg ik: 'Nou, heerlijk hoor, zo'n onverwachte vrije dag. Zal ik vandaag dan eindelijk de boekenplanken eens ophangen? Dan ga ik zo even naar de ijzerwinkel voor pluggen... O nee.' Het aapje klemt zich steviger vast.
Rond twee uur komen de muren op me af. Zij ligt op het balkon in een mager zonnetje.
'Zeg, ik ga even naar buiten.' Ze fladdert met haar hand.
Het is benauwd op straat. Drommen mensen lopen langs gesloten winkeldeuren en neergelaten rolluiken en toch kijken ze allemaal vrolijk. Niemand lijkt zich er zorgen over te maken dat ze niks kunnen kopen. Zijn dit dezelfde mensen die ik dagelijks hun winkelkarrren zie volladen in de supermarkt? Doe voordringen bij de groenteboer om een half pond peultjes een minuut eerder te hebben? Maar wat doen ze hier, als ze niks komen kopen? Ook al zijn de deuren gesloten, ze drommen evengoed samen bij etalages en wijzen elkaar op interessante artikelen.
Hijgend sta ik stil. Ik heb het ijskoud en tegelijkertijd plakt mijn haar van het zweet. Is er dan nergens een winkelier te vinden die een hemelvaartskortingsactie voert? Ik móet iets kopen.
'Gaat het een beetje, meneer?' Een jonge vrouw op skates, met een roze zonneklep en een panterlegging om haar volumineuze dijen kijkt me bezorgd aan.
'Ja, het gaat alweer. Dank u. Wat wilt u voor die zonneklep hebben?'
'Sorry?'
'Je zonneklep. Hoeveel? Ik geef je vijf euro.'
Ze richt zich op en schaatst snel door. Na tien meter voelt ze even aan haar zonneklep.
Ik spreek mezelf streng toe. Wanneer heb ik voor het laatst een dag niets aangeschaft? Vorige maand? Ik kan toch wel één dag doorkomen zonder iets in te slaan?
Goddank is er verderop een snackbar open. Ik koop een raket en een Cornetto en een doos bevroren frikandellen voor thuis.


(Een eerste versie van dit verhaal stond in dit boek.)

Posted by jaeggi at 12:32 pm

14 mei 2007

bed

Toen Odysseus na twintig jaar terugkeerde van zijn omzwervingen zei zijn vrouw: Ik heb het bed even in een andere kamer gezet. Odysseus riep verbijsterd: hoe kan dat? Ik heb dat bed eigenhandig uit de stronk van een levende olijfboom gehakt. Daarop viel zijn vrouw hem snikkend in de armen: nu wist ze zeker dat hij haar verloren gewaande echtgenoot was.
Helaas is niet iedereen in de gelegenheid zijn bed in een boom te bouwen. Er staan bouwvoorschriften in de weg, en praktische bezwaren – om niet te spreken van de huisvaders die nog geen krakkemikkige boomhut kunnen timmeren, laat staan een bed in de iep voor het huis waar je met een gerust hart in gaat liggen.
Toch is er iets te zeggen voor de huisvlijt van Odysseus. Een interieur waaraan de bewoners niets hebben bijgedragen is een doodse plek. Je komt weleens bij zulke mensen thuis. Hun keuken is vlekkeloos. Het ruikt er niet naar eten. In hun roestvrijstalen aanrechtblad kun je je wenkbrauwen epileren. Voortdurend ben je benauwd dat je glas náást het coastertje op hun smetteloze salontafel zal landen. Het gesprek gaat de hele avond over hun binnenhuisarchitect. Hij heet Edo en zit momenteel in Moskou, waar hij de inrichting van het mausoleum van Lenin gaat moderniseren.
Je hebt ook vrienden waar je bij binnenkomst steeds weer verrast opkijkt dat ze een nóg lelijker kleedje voor op hun oude sleetse slaapbank hebben weten te vinden. Overal waar je kijkt zijn schrootjes en zelfgetimmerde scheve fotolijstjes. De stoel waar je die avond doorheen zakt wordt door de heer des huizes met een paar forse stompen terug in model gemept. Na het eten neemt hij je mee naar het schuurtje. Glunderend knipt hij het licht aan. Daar staat een bed. In volle glorie. Ze slapen al vijf jaar op matrassen op de grond. Het werd tijd voor een echt bed. Hij heeft het zelf ontworpen, gezaagd, getimmerd. Je stelt je haar gezicht voor als ze het voor het eerst te zien krijgt, haar nieuwe, reusachtige echtelijke sponde. Je kijkt naar je vriend, die met diepe trots naar zijn zelfgemaakte bed kijkt. Natuurlijk vertel je hem niet dat zijn ontroerende zelfgemaakte bed met geen mogelijkheid door de schuurdeur past.

Posted by jaeggi at 12:46 am

12 mei 2007

citaat van de dag

Zeg tegen een vroom christen dat zijn vrouw hem bedriegt of dat je onzichtbaar wordt van yoghurtijs, en hij zal net als iedereen om bewijzen vragen en zich alleen laten overtuigen als die daadwerkelijk worden geboden. Vertel hem dat het boek op zijn nachtkastje is geschreven door een onzichtbare god die hem eeuwig in de hel laat branden als hij niet alle ongeloofwaardige uitspraken over hemel en aarde gelooft die erin staan, en hij maalt niet om een bewijs.

- Uit: Sam Harris, Van God los, de gevaren van religie en de toekomst van de rede (net verschenen bij De Arbeiderspers).

Posted by jaeggi at 12:17 am

08 mei 2007

bärbel

(deze recensie stond afgelopen week in het Parool)

Een van de redenen dat ik van poezie houd is dat je het nergens toe kunt dwingen. Als je dat probeert is het geen poezie meer. Zo is poezie de enige vorm van kunst die wel modieus is maar niet commercieel geexploiteerd wordt. Waar zie je dat nog? Iets dat wel aanslaat bij een commercieel interessante doelgroep – goed opgeleide jongeren – maar dat niet met dampende clips en een gelikte vormgeving aan de man (m/v) gebracht wordt. Niet dat het niet geprobeerd is: jaren geleden sponsorde het tabaksmerk Javaanse Jongens het Crossing Border Festival, en onderdeel van die sponsoring was een campagne waarin drie dichters, Chretien Breukers, Willem de Geus en nog een waarvan ik de naam kwijt ben, met gedichten naar buiten traden. Een mooie en sympathieke campagne, maar om nou te zeggen dat die drie daardoor in een klap beroemde dichters zijn geworden, nee. (Al zie ik nog steeds vol ongeduld uit naar de tweede bundel van De Geus.)
Toch zijn er dichters waarvan je direct kunt zien dat ze een groot publiek aan zich zouden kunnen binden, vanwege, ach, noem het de X-factor van hun gedichten. Een dichter als Bärbel Geijsen, bijvoorbeeld.

Het is al laat in hun begin
Als een van tweeën waagt
stof op te werpen. Hij struikelt
nog steeds over de woorden
waarmee zij in gedachten
zijn verkeerde schoenen
beschreef. Ze komen vast
niet ver. Komt het door
dat paard dat ze zagen –
jong nog, aan de pas gepote
omheining – hoe het soms
kan lopen?
(-)
alles moet anders vanaf nu
onbedekt desnoods ongebonden.

Zo’n gedicht dat lezers in een goed humeur brengt, omdat het slim is, maar toch begrijpelijk, en het de indruk wekt dat je het zelf ook wel zou kunnen, als je er even voor ging zitten. Geijsen’s gedichten hebben mede daardoor iets geruststellends, de aaibaarheid en herkenbaarheid van het gewone: ‘Hoera/ het is nog maar tien uur en nu al/ ben ik overal geweest en nergens/ toe gekomen.’ Ik zie u instemmend knikken: ja, zo is het, ik ken dat.
Het wordt wel eens onderschat, het zingend vastleggen van het alledaagse. Bärbel Geijsen heeft zich er in haar debuutbundel juist op toegelegd, en vaak met success: ‘Zet me anders/ hier maar neer als een rolstoelrijder/ op de rem of je eigen makelaar/ uit een oude NVM-reclame,/ flat character dat waar nodig/ weer tot leven komt.’
Wel ligt de voorspelbaarheid bij zulke gedichten op de loer, en daar ontkomt Geijsen ook niet aan: te vaak zie je dezelfde afbrekingen aan het einde van een regel: vlak voor of na het zelfstandig naamwoord: ‘een klein gebaar/ om panklare idealen voorgoed te smoren./ Misschien wat vaker oefenen in het shirt/van de tegenstander’), wat een probaat middel is tegen slapeloosheid. Ook staan er lelijke modieuze anglicismen (‘ze overhoorde een gesprek’) en uitglijers in de bundel (‘ze schudt/ vanouds het hene hoofd en weer’) – maar het merendeel van Geijsens zinnen is van deze kwaliteit: ‘Je ogen ronselen net zo lang/ tot iedereen jouw richting volgt.’ En het titelgedicht is precies raak

Ik heb al kramp van de kantlijn klamp
me vast aan de nautischre module zoute veren
niet gezocht om de vondst maar ambtelijk
serieus ontwikkeld. Letterproeven,
de tijd schuimt, lijkt meer.
Schoonheid ligt ook op zee
telkens aan de andere kant. Ik wring
mijn handen uit mijn mouwen
druipen. Ik kom ik kom al aan
geen angst om uit de vaart te gaan.

Kortom: een paar slechte gedichten, een paar half geslaagde en meer dan de helft met X-factor en doordrinkkwaliteit. Veel meer kun je van een debuut niet verlangen. Rest enkel de vraag waarom de Bezige Bij zo’n fijn debuut zo voddig heeft uitgegeven. Het eerste het beste gratis boekje vakantieverhalen dat bij de Linda zit ingeseald ziet er beter uit.

Posted by jaeggi at 07:40 pm

06 mei 2007

theo

Een maand of wat geleden trad de band Naar tevredenheid op in de Kleine Komedie. Een optreden met medewerking van o.a. Gerrit Komrij, Menno Wigman, Els Moors, Ilja Pfeijffer en EWrik Jan Harmens. Remco Campert kon alleen niet omdat hij die avond zijn haar zou wassen.
Gerrit Komrij was groots, en ook de blazers waren die avond niet slecht, al zeg ik het zelf (AJ trombone, Gerrit Jan Binkhorst sopraansax). Gerrit Komrij was
Maar absoluut hoogtepunt was Theo Nijland die Teder lied zong (Rilke, vertaling Menno Wigman). Luister maar.

Posted by jaeggi at 10:50 am

05 mei 2007

moederdag

Zoek niet verder: in de Volkskrant van vandaag staat het perfecte Moederdagkado (p. 24): de Siemens Gigaset E365. Nee, geen imponerende vibrator, zelfs niet een supersonische keukenmachine maar een telefoon. Niet zo'n moederonvriendelijk modern onding: deze telefoon combineert een 'groot verlicht display' met 'grote toetsen' (voor die beverige, breekbare moedervingers natuurlijk), is 'te gebruiken in combinatie met hoortoestellen' en heeft een 'extra hard volume van de speaker'.
Tot slot, wat op geen enkele moedertelefoon mag ontbreken: de 'ingebouwde SOS-toets', mocht het oude mens tijdens het telefoneren overvallen worden door hartaanval of inbreker.

Mocht uw moeder toevallig niet blind, hardhorend, paranoide of algeheel gebrekkig zijn, dan is er (zelfde pagina) dat andere perfecte moederdagkado: de luxe editie van Heleen van Royen's Stout!, voor de moeder die graag een setje van Marlies Dekkers mag aanschieten.
Je weet niet waar je het meest dankbaar voor moet zijn: het beeld van je moeder als dove, urine lekkende bejaarde of als bejaarde callgirl.

Wat is er toch gebeurd met de ouderwetse beleving van Moederdag? Waar is toch de tijd gebleven dat je fluisterend in de keuken sinaasappels stond uit te persen, boterhammen liet verbranden om dan het geheel met een trotse glimlach op een blaadje naar de slaapkamer te brengen, waar Moeder het met vochtige ogen in ontvangst nam, en je even dicht tegen haar aankroop voor een knuffel waar je je ook weer snel uit loswurmde omdat haar adem stonk als een drakenscheet?
Waar is die tijd gebleven, dat je Moeder daarna in haar dekbed wikkelde, in de kofferbak gooide en luid zingend ontvoerde naar een gezellig braakliggend paintball-terrein, waar zij eerst een driedubbele bessen-ijs moest wegkoppen, vervolgens een paashaas-kostuum moest aantrekken en we haar daarna onder grote hilariteit de hele hei overjoegen met snelvuur van onze onze paintball-pistolen?
Maar ach, voorbij, o en voorgoed voorbij. Moederdag is niet meer wat het geweest is.
Je zou bijna blij zijn dat je moeder al twintig jaar dood is.



Posted by jaeggi at 11:13 am

03 mei 2007

uit je hand

Je kunt soms verlangen naar een dier dat uit je hand eet. Een hert, het liefst. Een Bambi, met van die grote ogen en fluweelzachte lippen. Of anders een eekhoorn. Een konijn is ook goed. Een vos zou geweldig zijn.
Wat we precies verkeerd gedaan hebben, en wanneer, is niet meer na te gaan, maar de dieren willen niet meer uit onze hand eten. Sommige gelukkige meisjes hebben een paard dat suikerklontjes van hun handen knabbelt. Een hond doet het nog, na lang aandringen, maar de meeste poezen piekeren er niet over. In de stad kun je soms een duif zover krijgen wat kruimels brood uit je hand te pikken, maar duiven zijn domme en altijd hongerige dieren. Toch moet er een tijd geweest zijn dat de dieren naar ons toe kwamen en uit onze handen aten – anders zouden we er niet zo vreselijk naar terugverlangen.

Posted by jaeggi at 11:04 am

01 mei 2007

score

Een Puma-sporttas tas met tennisballen (altijd handig), een paraplubak vol hockeysticks en bamboe hengels (idem), een doos vol science-fictionboeken die we nog moeten uitzoeken, een halve taartdoos space-cake (die we niet durven opeten), een bronzen boeddha die bij thuiskomst van beschilderd gips bleek te zijn maar dat kun je natuurlijk verwachten, een paella-pan, een wandkleed, een waterpijp, een set wandborden met afbeeldingen van geiten, vijftien greencups (statiegeld 1 euro) die we in onze zakken hadden laten zitten en die krakend bezweken toen we ons op de bank lieten ploffen (ik denk dat we kunnen fluiten naar het statiegeld), een foto-album uit Indie, een plastic kasteel compleet met kanonnetjes en ridders dat we zelf vroeger zo graag hadden gehad (voor als een van de neefjes jarig is, in december), een zak vol pluchen tijgers (oranje), een doos ouderwetse zwartwit-lolies waar we ineens enorm veel zin in kregen na het bier, en ongeveer een halve kuub boeken die we op voorgaande vrijmarkten zelf verkocht hebben.
We zijn blij dat ze weer terug zijn.

Posted by jaeggi at 01:46 pm