« ik stop met bloggen. nee, toch maar niet. ja, toch wel, hoewel, bij nader inzien, toch maar niet, wel, niet... | Main | ik ben niet zo gaaf »
25 mei 2007
ik ben gaaf
Eén functie van het weblog was ik nog vergeten, in mijn vorige stukje: een weblog is ook een uithangbord voor jezelf; een podium voor schaamteloze zelffelicitatie, een hele grote vlag met je naam erop en honderd keer de regel IK BEN GAAF.
Als respectabel schrijver kan ik natuurlijk niet achterblijven, vandaar het volgende: Edele dieren wordt herdrukt.
Een tweede druk binnen een maand (en de eerste druk was een grote), dat kan maar één ding betekenen: ik ben gaaf.
Om dit te vieren: hierbij een heel hoofdstuk uit Edele dieren, gratis en voor niks, om te lezen, of uit te printen (omslag van het boek staat op de website) in elkaar te plakken, stuk te lezen en al uw vrienden te vertellen: dit boek moét je lezen op vakantie, je zult nooit meer dezelfde zijn - en we dus snel aan een volgende druk toe zijn.
Veel leesplezier.
EDELE DIEREN
hoofdstuk 1
Aan de ruige kust van de Tyrheense Zee, halverwege tussen Napels en het vulkaaneiland Stromboli, staat een groot, ouderwets huis met de kleur van verschoten rozen. Hoge, gereserveerde palmen wuiven de blozende gevel koelte toe, en weren nieuwsgierige blikken van de vreemdeling die vanuit het twaalf kilometer verderop gelegen stadje Santo S* hier passeert en zich afvraagt wat zich achter de hoge muur en de strenge ijzeren hekken afspeelt.
Op de oprijlaan sliepen twee bestofte, uitgeputte auto’s. In de keuken van de villa zaten de vliegen verdoofd het eind van de middaghitte af te wachten. Pas rond een uur of vijf ontstond beweging rond het huis, toen de houten lattendeuren aan de achterkant openzwaaiden en een man in oranje bermuda het terras opliep, waar hij zich wellustig begon uit te rekken. Hij was in goede conditie voor een man van achtendertig, gebruind en gespierd, hoewel zich in zijn gezicht, zijn nek en rond zijn middenrif de eerste lagen vet hadden afgezet, en het elastiek van zijn broek zich in het vlees van zijn buik had ingegraven.
Hij liep naar de rand van het terras, vanwaar een trap van enkele treden naar een grote tuin voerde. Het kortgeknipte gazon vertoonde hier en daar gele plekken. Links en rechts lagen droge bloembedden met om de paar meter een verdorde hibiscus-struik. De dunne takken droegen gemummificeerde bloemen. Achter hun felle rood en geel rees de tuinmuur op.
Halverwege de tuin bevond zich een niervormig zwembad dat blauw schitterde in de zon. Op het terras eromheen stonden zes witte plastic ligstoelen, en voorbij het zwembad liep het terrein onmerkbaar glooiend af. De tuin eindigde bij een laag muurtje van losse, gestapelde stenen. Erachter lag een met onkruid begroeide richel van een meter breed, en van daaraf daalde de rots abrupt af in zee. Honderd meter verder lag een klein zandstrand als een gebleekt tapijt in de branding, slechts bereikbaar via een smalle en steile, in de rots uitgehakte trap.
De man in de oranje bermuda gooide zijn hoofd achterover en gaf een uitgelaten schreeuw. Hij sprong het terras af en zette een spurt in naar het zwembad. De jonge blonde vrouw die haar hoofd uit haar slaapkamer stak en rondkeek wie zo bruut de middagrust verstoorde, was te laat om te zien hoe hij met veel gespetter in het water landde, maar hoorde wel de Tarzankreet waarmee hij weer bovenkwam.
Ze stapte naar buiten. Ze droeg blauwe slippers met een geelwitte madelief tussen haar tenen, een lichtblauw bikinibroekje, en een doorzichtige zijden lap die ze om haar smalle heupen had geslagen. Haar laatste balletles was meer dan tien jaar geleden, maar nog zichtbaar in de manier waarop ze liep: niet hangend in haar heupen, maar met een elegante boog in haar rug, haar spitse kin vooruitgestoken. Haar borsten waren bloot, niet groot en al tamelijk bruin. Vanuit het zwembad klonk een nieuwe enthousiaste brul.
‘Eva, kom erin! ’t Is heerlijk!’ Maar de jonge vrouw schudde haar hoofd en liep naar de witte marmeren tafel midden op het terras. Dromerig greep ze naar een pakje sigaretten dat midden op tafel lag. Het had uren in de zon gelegen; op het cellofaan aan de binnenkant zaten condensdruppels. Ze liet zich neer in een van de stoelen, zette haar voetzolen tegen de tafel en stak haar sigaret aan.
‘Hee, goedemorgen… Goedemiddag bedoel ik. Jeetje mina.’
De luiken aan de andere kant van het huis zwaaiden open. Een man van middelbare leeftijd met kort grijs krulhaar en een donkerblauwe, tot aan zijn adamsappel dichtgeknoopt poloshirt betrad het terras. Hij knipperde naar het zwembad, waaruit een woest geborrel opklonk, en lachte naar Eva. Zijn blik deed een dappere poging haar gezicht te bereiken, maar landde machteloos op haar borsten.
‘Hai Robbert. Lekker geslapen?’
‘Als een blok. Als een roos. Als een… Eh…’ Hij huppelde het terras over op de onmiskenbare melodie van nieuwe slippers. ‘Maar wat is het hier geweldig zeg. Wat een luxe. En die rust!’ Hij danste met opgetrokken knieën naar de trap, waar hij stilstond en zijn hand boven zijn ogen zette.
‘Mág-ni-fiek uitzicht heben we ook.’
Hij bleef ongeveer een minuut zo staan. In het zwembad had Fulco zich op zijn rug gekeerd en dobberde, met armen en benen gespreid, als een tevreden reuzenzeester aan het wateroppervlak.
‘Het doet bijna píjn aan je ogen, die kleuren. Die zéé!’
Eva verwijderde een flinter tabak van haar tong, wierp een blik over haar linkerschouder, en knikte. Ze duwde met haar blote voeten tegen de rand van de tafel tot haar stoel op twee poten balanceerde. Ze legde haar hoofd op de leuning en sloot haar ogen. Achter haar rug was Robbert halverwege zijn jubelende aria, terwijl hij van links naar rechts over het terras draafde en steeds nieuwe vergezichten ontdekte – maar dit was het eerste tastbare uur van haar vakantie, en ze was niet van plan dat te laten bederven door ergernis van het goedkope soort. Hoewel ze pas negenentwintig was had ze genoeg gereisd om te weten dat geen enkele reisgenoot een onbeperkte houdbaarheid heeft. Ook onder de meest ideale, luxueuze omstandigheden was er altijd één iemand die op zeker moment op de zenuwen van de anderen ging werken. Robbert solliciteerde onmiskenbaar naar die positie. Maar het was de eerste dag van de vakantie, het was te warm om ergens anders aan te denken dan koel genot, en tegen de tijd dat ze daar genoeg van kreeg kon ze waarschijnlijk genieten van het schouwspel van Robbert die tot de ontdekking kwam dat ongebreideld enthousiasme de nodige gevaren met zich mee meebracht. Het was vreemd, peinsde ze, dat een man van over de vijftig niet op de hoogte was van zulke essentiële dingen.
Ze keek op haar horloge, kwam overeind in haar stoel en keek zoekend in het rond.
‘Zijn Martin en Karen nog niet aangekomen?’
Robbert sprong van de lage stenen balustrade rond het terras. Geamuseerd keek ze toe hoe hij over het terras naar haar toe sprong, als een schooljongen die uit de klas wordt gelaten. Toen hij naast haar stoel stond, zei hij: ‘Je moet Kerren zeggen.’
‘Waarom?’
Hij schoof een stoel achteruit, met het geluid van een harnas dat over de stenen wordt gesleept. Eva trok een pijnlijk gezicht. Robbert grijnsde verontschuldigend.
‘Zo heet ze. Ik kan het ook niet helpen.’
‘Kerren?’ vroeg Eva. Haar blauwe ogen kregen een spottende uitdrukking. ‘Sorry, zei je nou: Kerren?’
Robbert was misschien in een lichte roes, maar niet zo bevangen door de bedwelmende, van tijm en wier doordrenkte zeelucht dat hij niet begreep dat hem nu al gevraagd werd partij te kiezen. Hij staarde naar Eva’s tenen, die zich met hun donkergroene nagels aan de rand van de tafel vastklemden.
‘Voluit heet ze Karen Oud Valkeveen,’ legde hij uit. Hij sprak elke lettergreep met precisie uit. Het was niet duidelijk welke kant hij daarmee koos, maar Eva leek voor het moment tevreden.
‘Kerren Oud Valkeveen,’ zei ze aanstellerig. ‘’t Zal mij benieuwen.’
Robbert leunde achterover, maar voor hij kon ontspannen zei Eva abrupt: ‘Heb jij haar weleens ontmoet?’
Hij trommelde met zijn vingers op tafel. ‘Een paar keer,’ gaf hij toe. ‘We zijn weleens uit eten geweest. Met een heleboel mensen tegelijk,’ voegde hij er haastig aan toe. ‘Ik heb haar tot nu toe weinig gesproken. Jij?’
Eva nam de laatste trek van haar sigaret, keek in het rond en wierp de peuk bovenhands, met een sierlijke beweging, over de rand van het terras – het had alles van de manier waarop ballenjongens topspelers de bal toewerpen.
‘Toen Martin en ik iets kregen waren zij al bijna een jaar uit elkaar,’ zei ze. Ze probeerde luchtig te klinken. ‘Hij heeft me weinig over haar verteld. Niet dat ik ernaar vroeg. Ik ben niet nieuwsgierig naar zijn exen. Ik ben niet jaloers of zo.’ Ze keek hem hooghartig aan. ‘Zeker niet naar iemand die Kerren genoemd wil worden.’
Ze besloot niets te zeggen over haar opwinding toen Martin haar had voorgesteld samen op vakantie te gaan. Ook hoefde hij voorlopig niets te weten over de deceptie toen ze doorkreeg wat Martin bedoelde: op vakantie met zijn zessen, onder wie zijn ex.
‘Ik vind het sowieso fijn dat je mee bent gekomen,’ zei Robbert. ‘Al kennen we elkaar nog niet zo goed. Maar over drie weken kennen we elkaar door en door.’
Het was luchtig bedoeld, maar in dit eerste uur van zijn kennismaking met haar en de vreemde nieuwe omstandigheden leek zijn leeftijd extra zwaar op hem te drukken. Hij was in het stadium van zijn leven waarin men zich er niet meer dagelijks van bewust is dat het leven onberekenbaar en meestal niet eerlijk is, omdat men zich daar al jaren geleden bij neergelegd heeft – in ruil voor een fatsoenlijk aandeel in comfort en gemoedsrust. Wel had hij zichzelf beloofd zich tot het einde te blijven verzetten tegen makkelijk cynisme, en dat was tot nu toe redelijk gelukt, ondanks het mislukken van twee huwelijken en de makkelijke manier waarop hij geld verdiende aan kunst.
Vanuit het zwembad kwam Fulco’s stem. ‘Robbert! Word het niet eens tijd een fles open te trekken?’
Ze keken elkaar aan en grinnikten. Hij kneep zijn ogen dicht tegen het felle blauw van de hemel en het geel en groen van de tuin. Eva pakte haar zonnebril van tafel.
‘Wat is volgens jou een goed moment voor een relatietest, Robbert?’ vroeg ze.
‘Hoezo?’
‘Samenwonen is één ding,’zei Eva, ‘maar samen met vakantie gaan is een tweede. Zeker als er ook nog exen meegaan. Ik zou ook liever met Martin mee zijn gereden, maar hij had nog zoveel werk te doen, met zijn tentoonstelling in Berlijn in het vooruitzicht, en dan zou hij diréct de volgende ochtend duizenden kilometers hierheen moeten rijden. Dus ik zei: ga nou maar eerst een nachtje lekker uitslapen, dan weet ik tenminste zeker dat je heelhuids aankomt. Ik rij wel met mijn ouwe kroegmaatje Fulco mee. Wat heb ik eraan als Martin ergens een ongeluk krijgt? Dan heb ik liever dat hij ergens in een hotel gaat zitten met Kerren. Ik vertrouw hem toch? Anders moet je niet samen op vakantie gaan. En bovendien…’
Ze stopte midden in haar zin toen ze zich realiseerde dat ze klonk als een jaloerse vrouw die niet doorhad hoe jaloers ze was. Ze priemde haar kin in de lucht. ‘Ik heb niks tegen Kerren Valkendinges, behalve dat ze mijn Martin doodongelukkig heeft gemaakt. Hij was een zielig hoopje mens toen ik hem tegenkwam. Hij had al maanden geen schilderij gemaakt, wist je dat?’
Robbert knikte. ‘Maar nu is hij weer gelukkig,’ zei hij. ‘Door jou.’
‘Precies. En bovendien heeft Fulco natuurlijk wel de grootste auto.’ Ze grinnikte. ‘Ik geef eerlijk toe, ik was blij dat ik niet duizend kilometer in dat ouwe barrel van Martin hoefde te rijden. Dat ding heeft niet eens een airco.’
Robbert knikte afwezig. Hij dacht aan zijn eigen reis, aan de autotocht met Boukje samen vanuit Rotterdam. Ze hadden afgesproken om de beurt te rijden, maar ze waren Nederland nog niet uit of ze was in slaap gevallen. Hoewel hij wist dat het onverstandig was, was hij in één ruk doorgereden naar de Italiaanse grens, waar ze in de eerste file waren beland. Enkele kilometers verder werden ze door furieus gebarende motoragenten langs een vers ongeluk geleid. Stapvoets reden ze langs twee auto’s die waren vertrapt als insecten: de ene hulpeloos ondersteboven in zijn eigen olie, met een platgewalst dak en wielen die smekend in de hoogte staken, de andere verkreukeld tegen de vangrail, een afgerukt portier ernaast. De conditionering galmde door zijn hersens – kijk voor je, er is niets te zien, staren is onbeleefd – maar toch kon hij zijn ogen niet afhouden van het paar ziekenbroeders bij een brancard, op hun hurken, in de houding van mensen die besloten hebben dat er niets meer aan te doen is, en van het been dat krampachtig gestrekt naast hen op de grond lag: een been zonder eigenaar, losgerukt in dat ene gruwelijke moment niet lang geleden. Verwonderd over de onverschilligheid van de mannen reed hij erlangs, op nog geen twee meter, en zag dat het een opgerolde jas was. Bij het eerstvolgende pompstation stopte hij, liep naar de toiletten en hield zijn hoofd langdurig onder de kraan. Toen hij terug bij de auto kwam sliep Boukje nog.
Rond het zwembad was het stil geworden. Alleen het schrille gezwoeg van de cicades klonk uit de tuin. Buiten de muren mekkerde een geit. Robbert gaapte en rekte zich behaaglijk uit. Eva was verdiept in de staat van haar nagels. Hij bestudeerde haar gezicht, de hoge, naïeve ronding van haar voorhoofd die hem aan de foto’s van ouderwetse filmsterren deed denken. Een pluk blond haar viel voor haar gezicht. Ze streek hem achter haar oor met een gebaar dat duizendmaal was gerepeteerd.
Robbert wendde zijn ogen af. Het was de nieuwheid, hield hij zichzelf voor. Alles aan deze middag was nieuw. Het was begonnen, maar nog niets was echt begonnen. Morgen zouden ze zich storten op het zonnebaden en fanatiek ontspannen, maar op dit moment hing alles tussen twee realiteiten in: tussen het leven dat zij achter zich hadden gelaten op de autoweg hiernaartoe, dat abrupt was verstomd op het moment dat hun mobieltjes geen signaal meer gaven, en tussen het leven van de komende drie weken, waarin ze met zijn zessen een oneindigheid aan tijd zouden opmaken. Ze waren nog niet begonnen dagen af te tellen. Er waren nog geen afspraken over uitstapjes, schoonmaakbeurten, verantwoordelijkheden. Ze waren samen alleen in de tijd.
Hij stond op en liep naar de rand van het terras. Bij de trap naar de tuin bleef hij staan. Het weer was helder. Alleen aan de horizon hingen een paar gerafelde wolken. Verderop aan de kust, in de richting van Napels en de rest van Europa, zag hij het nijdige blauwe flikkeren van een lasvlam. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes toen de zon, die het afgelopen uur onbeweeglijk op dezelfde plaats had gehangen, met een schok naar de horizon daalde en daar bleef bengelen, schommelend en vonken schietend. De zee leek in brand te vliegen.
‘Misschien moeten we even gaan kijken of Fulco niet verdronken is,’ zei hij, min of meer in zichzelf. Uit het zwembad kwam, als op commando, een diep gorgelend geluid. Eva grinnikte. Hij zette een hand boven zijn ogen en tuurde de zee af. De gedachte kwam in hem op dat als hij maar lang genoeg zo bleef staan, hij vanzelf een schip zou zien opstomen naar de kust, met de twee ontbrekende gasten aan boord, wuivend en kushanden werpend aan de reling.
‘Ik vraag me af waar ze blijven,’ hoorde Eva hem mompelen. ‘Ze hadden er allang moeten zijn.’
jaeggi om 25 mei 2007 09:29
