« theo | Main | citaat van de dag »
08 mei 2007
bärbel
(deze recensie stond afgelopen week in het Parool)
Een van de redenen dat ik van poezie houd is dat je het nergens toe kunt dwingen. Als je dat probeert is het geen poezie meer. Zo is poezie de enige vorm van kunst die wel modieus is maar niet commercieel geexploiteerd wordt. Waar zie je dat nog? Iets dat wel aanslaat bij een commercieel interessante doelgroep – goed opgeleide jongeren – maar dat niet met dampende clips en een gelikte vormgeving aan de man (m/v) gebracht wordt. Niet dat het niet geprobeerd is: jaren geleden sponsorde het tabaksmerk Javaanse Jongens het Crossing Border Festival, en onderdeel van die sponsoring was een campagne waarin drie dichters, Chretien Breukers, Willem de Geus en nog een waarvan ik de naam kwijt ben, met gedichten naar buiten traden. Een mooie en sympathieke campagne, maar om nou te zeggen dat die drie daardoor in een klap beroemde dichters zijn geworden, nee. (Al zie ik nog steeds vol ongeduld uit naar de tweede bundel van De Geus.)
Toch zijn er dichters waarvan je direct kunt zien dat ze een groot publiek aan zich zouden kunnen binden, vanwege, ach, noem het de X-factor van hun gedichten. Een dichter als Bärbel Geijsen, bijvoorbeeld.
Het is al laat in hun begin
Als een van tweeën waagt
stof op te werpen. Hij struikelt
nog steeds over de woorden
waarmee zij in gedachten
zijn verkeerde schoenen
beschreef. Ze komen vast
niet ver. Komt het door
dat paard dat ze zagen –
jong nog, aan de pas gepote
omheining – hoe het soms
kan lopen?
(-)
alles moet anders vanaf nu
onbedekt desnoods ongebonden.
Zo’n gedicht dat lezers in een goed humeur brengt, omdat het slim is, maar toch begrijpelijk, en het de indruk wekt dat je het zelf ook wel zou kunnen, als je er even voor ging zitten. Geijsen’s gedichten hebben mede daardoor iets geruststellends, de aaibaarheid en herkenbaarheid van het gewone: ‘Hoera/ het is nog maar tien uur en nu al/ ben ik overal geweest en nergens/ toe gekomen.’ Ik zie u instemmend knikken: ja, zo is het, ik ken dat.
Het wordt wel eens onderschat, het zingend vastleggen van het alledaagse. Bärbel Geijsen heeft zich er in haar debuutbundel juist op toegelegd, en vaak met success: ‘Zet me anders/ hier maar neer als een rolstoelrijder/ op de rem of je eigen makelaar/ uit een oude NVM-reclame,/ flat character dat waar nodig/ weer tot leven komt.’
Wel ligt de voorspelbaarheid bij zulke gedichten op de loer, en daar ontkomt Geijsen ook niet aan: te vaak zie je dezelfde afbrekingen aan het einde van een regel: vlak voor of na het zelfstandig naamwoord: ‘een klein gebaar/ om panklare idealen voorgoed te smoren./ Misschien wat vaker oefenen in het shirt/van de tegenstander’), wat een probaat middel is tegen slapeloosheid. Ook staan er lelijke modieuze anglicismen (‘ze overhoorde een gesprek’) en uitglijers in de bundel (‘ze schudt/ vanouds het hene hoofd en weer’) – maar het merendeel van Geijsens zinnen is van deze kwaliteit: ‘Je ogen ronselen net zo lang/ tot iedereen jouw richting volgt.’ En het titelgedicht is precies raak
Ik heb al kramp van de kantlijn klamp
me vast aan de nautischre module zoute veren
niet gezocht om de vondst maar ambtelijk
serieus ontwikkeld. Letterproeven,
de tijd schuimt, lijkt meer.
Schoonheid ligt ook op zee
telkens aan de andere kant. Ik wring
mijn handen uit mijn mouwen
druipen. Ik kom ik kom al aan
geen angst om uit de vaart te gaan.
Kortom: een paar slechte gedichten, een paar half geslaagde en meer dan de helft met X-factor en doordrinkkwaliteit. Veel meer kun je van een debuut niet verlangen. Rest enkel de vraag waarom de Bezige Bij zo’n fijn debuut zo voddig heeft uitgegeven. Het eerste het beste gratis boekje vakantieverhalen dat bij de Linda zit ingeseald ziet er beter uit.
jaeggi om 08 mei 2007 19:40
