« juli 2006 | Main | mei 2007 »

27 april 2007

in perzië

Ik was even in Perzië - dat wil zeggen, in boekhandel/poëzietheater Perdu, waar een bundel Perzische poëzie werd gepresenteerd. Het ging niet slecht, slecht ging het niet, om Menno Wigman te citeren, maar het Nederlands legde het wel af tegen het Perzisch. Wat een taal. Druipend van honing, zou ik bijna zeggen - maar dat kan ik rustig aan Perzische dichters overlaten.

Ik zal het maar eerlijk zeggen: naar mijn idee ging het in de Perzische poezie voornamelijk over rozenblaadjes.
Symbolische rozenblaadjes weliswaar, maar toch: rozenblaadjes.
Rozenblaadjes als symbool voor liefde, voor erotiek, voor het ontwaken van de lente, voor het naderende levenseinde, voor de aanzwellende voorjaarsstormen, voor een nieuw politiek bewind, enfin, vult u maar aan.
Ging het in de Perzische poezie een keer niet over rozenblaadjes, zo was mijn idee, dan ging het uiteindelijk altijd over alle manieren om onder de wurgende druk van geloof en familie uit te komen – liefst door middel van enige vorm van genot, en vaker nog zoveel mogelijk vormen van hetzelfde. En een van de meest legendarische gedichten uit de geschiedenis van de Perzische poezie geeft mij daarin geen ongelijk:

Rode wijn danste in de beker
In zijn blik schittterde de dsorst
Mijn lichaam trilde in verrukking
Op het zachte bed van zijn naakte borst

Ik heb gezondigd, een zonde vol genot
Naast een lichaam, bevend zonder woord
O God, ik weet niet wat ik deed
In dit donkere, afgelegen oord

(Forough Farrokhzad)

Het begrip ‘zonde’ bestaat in Nederland eigenlijk niet meer. Wie zich erop beroept is een kwezel, een achterlijke provinciaal, of een lid van het zittende kabinet.
Ik moet, wederom, bekennen dat ik tot op de zesde regel van dit gedicht voornamelijk ergernis voel, dezelfde ergernis als ik bij mensen thuiskom en ik zie lelijke, ouderwetse, plompe meubels staan.
Maar de laatste twee regels raken me als een mokerslag. U merkt wat er gebeurt: ik ga zelf ook enigzins afgezaagde metaforiek gebruiken. Maar misschien is die metaforiek wel niet zo afgezaagd als ik vaak denk; misschien bestaat er wel een verzameling fossiele metaforen en veelgebruikte symbolen die niet slijten en eeuwig bruikbaar blijven, als de beurs in het sprookje die nooit leeg raakte, of de stenen urn die altijd maar borstels of gouden munten opleverde als je eruit kon scheppen – tot iemand er zijn dode grootvader in liet vallen.

Als dichter in het Nederlands ben ik huiverig geworden voor beelden die iedereen zomaar herkent. Ik gebruik liever een dode grootvader dan een rozenblaadje. Maar misschien ben ik, of zijn wij, als Nederlandse dichters, daar soms ook wel iets te bang voor. Misschien zouden er meer mensen zijn die ons lazen als wij onze lezers af en toe het gevoel gaven dat ze niet bezig waren met het oplossen vann een bijzonder ingewikkeld cryptogram, maar ze meenamen naar een plek waar ze ook dingen kunnen herkennen. Dat we samen bij het raam zouden kunnen zitten en elkaar zouden kunnen wijzen op de schoonheid van de koeien, van de kleur van de wijn, van de sierlijke gang van de vrouw of man die daar voorbijloopt – of van de wonderlijke, onvoorspelbare gangen van de vallende rozenblaadjes.

En plots

Het is niet duidelijk
hoe ergens opeens de vissen
zich verzamelen
en plots een visser aankomt
en ze in zijn net vangt

en het net
geeft deze verzameling opnieuw een vorm
het is nog het begin van het vissen
ergens anders
komen weer andere vissen bij elkaar
een net in een net
en de vorm
de zee
de vis
het net
de vorm
en plots, midden in de verbijstering van de zee
krijgt een vis
vleugels
en knoopt
in een ogenblik
het water aan het hart van de hemel

Zia Mohaved

(Nafiss Nia en Ronald Bos (vertaling): Stegen van stilte, Honderd jaar moderne Perzische poëzie, 24.50)

Posted by jaeggi at 12:08 pm

26 april 2007

Eunice & George

Ik weet niet wie Sarah Smallwood is, maar ik weet wel dat ze heel goed kan schrijven. Op McSweeneys staat een ontroerend en grappig verhaal van haar: EUNICE COOPER 82, SAYS GEORGE CLOONEY CAN HAVE SEX WITH HER IF HE WANTS.
Jullie lezen toch Engels?

Posted by jaeggi at 11:46 am

blond

Dit wordt een verhaal met een omweg – ik waarschuw maar vast. Het begint in de Eerste Bergensche Boekhandel te Bergen, waar ik verbleef om een boek af te maken, of om precies te zijn een hoofdstuk dat niet wilde vlotten. Ik vond er een boek van Dick Hillenius en kocht het direct, vooral op de titel: Wat kunnen wij van rijke mensen leren? Met het boek onder mijn arm liep ik naar café d’Alderliefste, wat een leuk café is, veel leuker dan dat beroemde maar opgeprikte Huis met de Pilaren, waar de ruitjesbroeken en parelkettingen op het terras hun blinkend witte jackets in de bittergarnituur zetten, die daar overigens wordt opgediend met alle prikkertjes er alvast ingestoken. Dan hoef je dat zelf niet meer te doen. Café d’Alderliefste, ertegenover, is een echt café, waar je ongestoord aan je eigen alderliefste kunt denken. Daar sloeg ik mijn nieuwste aanwinst open en las over de engelse aristocraat en schrijver Charles Waterton (1782-1865). Waterton was een tijdgenoot van Darwin, die hem een paar keer noemt in zijn autobiografie. Darwin vertelt dat hij in zijn jeugd prepareerlessen nam van een neger in Edinburgh. Deze neger had met Waterton gereisd en van hem zijn opzetkunde geleerd. Waterton was een berucht opzetter van dieren: in zijn grote landhuis had hij een enorme verzameling opgezette dieren, voornamelijk kleurige vogels, maar ook een grote schildpad met mensenhoofd . Verder deed hij graag gevaarlijke dingen – of in elk geval dingen die ‘gewone’ mensen nogal waaghalzerig zouden vinden, zoals toen hij samen met een vriend de gevel van de St. Pieter in Rome beklom, en ze als bewijs op de top van de bliksemafleider hun handschoenen achterlieten. De paus vond dat die handschoenen weg moesten, maar niemand van zijn personeel durfde. Waterton heeft de beklimming toen nog maar eens gedaan. En zelfs goede vrienden liepen soms het gevaar bij een bezoek aan Watertons landhuis, Walton Hall, te worden aangevallen door een grommende hond, maar als ze dan angstig omlaag keken naar waar ze de scherpe tanden voelden, bleek het de landheer zelf te zijn, die een grapje maakte.
Waarom vertel ik dit allemaal en wat heeft het met blond te maken? Nog even geduld, alstublieft.
Ik zat grinnikend te lezen, ik had net een derde witbier besteld toen een blonde vrouw het café binnenkwam. Normaal gaan mensen niet naast de grinnikende gek in het café zitten, maar deze vrouw had nooit van die regel gehoord.
Ze was een jaar of twee ouder dan ik, schatte ik, maar op bepaalde momenten van de dag, had ze ook kunnen doorgaan voor haar dochter, even aannemende dat ze die had. Het meest opvallend was haar blonde haar: het soort haar waar ik al vanaf de brugklas weerloos tegen ben: van dat hele fijne steile blonde haar, liefst vrij kortgeknipt zodat bij een beetje wind (of een beetje vaart op de fiets) het rechtop gaat staan als de kuif van een heel eigenwijs vogeltje.
Dit vertelde ik niet toen wij aan de praat raakten. Wel was het direct een leuk gesprek. Ik had de excentrieke Charles Waterton achter de hand, en met zo’n inleiding kun je het daarna moeilijk meer verknallen. Even later, terwijl we zaten te eten in de plaatselijke sushi-schuur zei ze ineens: ‘Maar volgens mij ken ik jou al.’
Ik lachte bescheiden, noemde de Volkskrant, een tv-programma waarin ik had opgetreden, en het chique blad waarin ik weleens columns schreef, maar ze schudde gedecideerd haar hoofd.
‘Eerder,’ zei ze. ‘Veel eerder. Van school. Jij komt toch ook uit Breda? Van de Nassau?’
En ineens sloeg de bliksem in. Het had een beetje een vertraagde ontsteking want ik had ook al iets bekends in haar ontdekt, toen we naar het restaurant liepen: de manier waarop haar haar opwaaide in de zachte zeewind, als het eigenwijze kuifje van een… precies.
‘Niks zeggen,’ zei ik.
‘Brugklas,’ zei zij.
‘Scholentrip,’ zei ik.
‘Naar Engeland,’ zei zij.
‘Iedereen op de boot kotsmisselijk,’ zei ik.
‘Behalve jij,’ zei zij.
‘En jij,’ zei ik.
En ik keek in haar ogen en samen vielen we door twintig jaar herinnering heen. Het was een wonderlijk, uitzinnig moment.
‘Lonneke!’ riep ik.
‘Wolfert!’ riep zij.
Gelukkig was café D’Alderliefste nog open. Ik ben er tot sluitingstijd blijven zitten, maar de enige blondine die die avond nog binnenkwam werd door de stamgasten aangesproken als ‘tante Poes’. Gelukkig had ik mijn boek nog.

Posted by jaeggi at 09:28 am

24 april 2007

Wat Ik Nog Meer Tegenkwam Tijdens Mijn Lange Omzwervingen etc...

Onderstaand gedicht: waarschijnlijk een van de grappigste die er bestaan, vond ik op Formentera, in de bibliotheek van Ca'n Harmjan, het oude huis van Bezige Bij-uitgever Geert Lubberhuizen - tegenwoordig bestierd door zijn zoons.
De Bezige Bij heeft trouwens, trouw aan haar oprichter, net een mooie debuutbundel uitgegeven, waarover later meer, en de naam van C. Buddingh, een van Nederlands grootste humoristen, is afgelopen Boekenweek (humor!) niet een (1) keer gevallen - waarmee de Boekenweek achteraf alsnog als danig mislukt kan worden beschouwd, en trouwens...
Sorry.
Ik moet er nog een beetje inkomen.
Eerst maar eens dat gedicht.

De kachel is haast uitgebrand,
het walmt naar boerenkool
als onze Gerard thuiskomt
van die vervloekte school.

Zijn vader rochelt aan de trap,
zijn moeder laat een poep –
waar hij zich wendt, waar hij zich keert,
‘t is overal een troep.

Zijn broer pulkt stemmig in zijn neus
‘t valt bijna op het brood,
maar wie er pulkt en wat er valt,
nooit valt er iemand dood.

Zo gaat dat door, dag in, dag uit,
en de avonden zijn ’t rotst
wanneer, bij de ene schemerlamp
gezamenlijk wordt gekotst.


C. Buddingh’
(Uit: En in een mum is het avond)

Posted by jaeggi at 09:56 pm

20 april 2007

Het Is Goed Om Gemist Te Worden

Dit bericht kwam ik tegen tijdens mijn eindeloze omzwervingen op het internet:

Jongens en weblogs

Over webloggen gesproken: ik mis Adriaan Jaeggi zo.
De schrijver en dichter Adriaan Jaeggi ontdekte ik in Volkskrant Magazine. Zijn columns waren heel mooi. En toen gaf de Volkskrant hem de zak om, voor mij, volkomen onbegrijpelijke redenen. Enfin, in zijn laatste column maakte hij melding van zijn weblog. www.jaeggi.nl/weblog. Hij postte elke dag en ik las hem nog vaker.
Totdat hij op 22 juli 2006 zijn weblog stillegde. Voor een paar weken, zogezegd. Maar het is nog altijd windstil op zijn weblog. De link staat nog steeds in mijn favorieten. Er gaat geen dag (nou ja, misschien twee dagen) voorbij of ik klik de link aan. Om iedere keer weer teleurgesteld te worden.
Waar is Adriaan Jaeggi? Voor het laatst zag ik hem bij de Wereld Draait Door. Dat was toen hij zijn boek 'Tromboneliefde' uitbracht. Ik begrijp dat hij druk is met stadsdichter van Amsterdam zijn, maar wat moeten wij, lezers? Aanvankelijk werd ons nog een worst voorgehouden; Jaeggi's nieuwe roman 'Pluto' zou in het najaar van 2006 uitkomen. Nou, er is veel uitgekomen, maar Pluto niet.
Ik heb net lange tijd gevuld met het lezen van de archieven, alles wat me nog rest. Ik trof zijn allereerste post aan, het heet 'Dit is hoe het gaat':

Dit is het weblog van Adriaan Jaeggi.
Soms schrijf ik iets.
Soms schrijf ik niets.
Soms schrijf ik veel, per dag, en soms moeten de vuilniszakken een dag eerder naar buiten dan ik gewend ben, en vertellen ze me dat als het te laat is.
Soms ben ik discreet.
Soms klap ik uit de school.
Soms ben ik razend, maar daar zul je niets van merken.
Als ik iets niet weet weet mijn vader het wel.
Mijn vader en ik weten alles.
Welkom op mijn weblog.

Goed. Dan gaan we weer beginnen.
Met dank aan de zwarte zwanen.

Posted by jaeggi at 11:58 am