« Eunice & George | Main | score »

27 april 2007

in perziŽ

Ik was even in PerziŽ - dat wil zeggen, in boekhandel/poŽzietheater Perdu, waar een bundel Perzische poŽzie werd gepresenteerd. Het ging niet slecht, slecht ging het niet, om Menno Wigman te citeren, maar het Nederlands legde het wel af tegen het Perzisch. Wat een taal. Druipend van honing, zou ik bijna zeggen - maar dat kan ik rustig aan Perzische dichters overlaten.

Ik zal het maar eerlijk zeggen: naar mijn idee ging het in de Perzische poezie voornamelijk over rozenblaadjes.
Symbolische rozenblaadjes weliswaar, maar toch: rozenblaadjes.
Rozenblaadjes als symbool voor liefde, voor erotiek, voor het ontwaken van de lente, voor het naderende levenseinde, voor de aanzwellende voorjaarsstormen, voor een nieuw politiek bewind, enfin, vult u maar aan.
Ging het in de Perzische poezie een keer niet over rozenblaadjes, zo was mijn idee, dan ging het uiteindelijk altijd over alle manieren om onder de wurgende druk van geloof en familie uit te komen Ė liefst door middel van enige vorm van genot, en vaker nog zoveel mogelijk vormen van hetzelfde. En een van de meest legendarische gedichten uit de geschiedenis van de Perzische poezie geeft mij daarin geen ongelijk:

Rode wijn danste in de beker
In zijn blik schittterde de dsorst
Mijn lichaam trilde in verrukking
Op het zachte bed van zijn naakte borst

Ik heb gezondigd, een zonde vol genot
Naast een lichaam, bevend zonder woord
O God, ik weet niet wat ik deed
In dit donkere, afgelegen oord

(Forough Farrokhzad)

Het begrip Ďzondeí bestaat in Nederland eigenlijk niet meer. Wie zich erop beroept is een kwezel, een achterlijke provinciaal, of een lid van het zittende kabinet.
Ik moet, wederom, bekennen dat ik tot op de zesde regel van dit gedicht voornamelijk ergernis voel, dezelfde ergernis als ik bij mensen thuiskom en ik zie lelijke, ouderwetse, plompe meubels staan.
Maar de laatste twee regels raken me als een mokerslag. U merkt wat er gebeurt: ik ga zelf ook enigzins afgezaagde metaforiek gebruiken. Maar misschien is die metaforiek wel niet zo afgezaagd als ik vaak denk; misschien bestaat er wel een verzameling fossiele metaforen en veelgebruikte symbolen die niet slijten en eeuwig bruikbaar blijven, als de beurs in het sprookje die nooit leeg raakte, of de stenen urn die altijd maar borstels of gouden munten opleverde als je eruit kon scheppen Ė tot iemand er zijn dode grootvader in liet vallen.

Als dichter in het Nederlands ben ik huiverig geworden voor beelden die iedereen zomaar herkent. Ik gebruik liever een dode grootvader dan een rozenblaadje. Maar misschien ben ik, of zijn wij, als Nederlandse dichters, daar soms ook wel iets te bang voor. Misschien zouden er meer mensen zijn die ons lazen als wij onze lezers af en toe het gevoel gaven dat ze niet bezig waren met het oplossen vann een bijzonder ingewikkeld cryptogram, maar ze meenamen naar een plek waar ze ook dingen kunnen herkennen. Dat we samen bij het raam zouden kunnen zitten en elkaar zouden kunnen wijzen op de schoonheid van de koeien, van de kleur van de wijn, van de sierlijke gang van de vrouw of man die daar voorbijloopt Ė of van de wonderlijke, onvoorspelbare gangen van de vallende rozenblaadjes.

En plots

Het is niet duidelijk
hoe ergens opeens de vissen
zich verzamelen
en plots een visser aankomt
en ze in zijn net vangt

en het net
geeft deze verzameling opnieuw een vorm
het is nog het begin van het vissen
ergens anders
komen weer andere vissen bij elkaar
een net in een net
en de vorm
de zee
de vis
het net
de vorm
en plots, midden in de verbijstering van de zee
krijgt een vis
vleugels
en knoopt
in een ogenblik
het water aan het hart van de hemel

Zia Mohaved

(Nafiss Nia en Ronald Bos (vertaling): Stegen van stilte, Honderd jaar moderne Perzische poŽzie, 24.50)

jaeggi om 27 april 2007 12:08