« Wat Ik Nog Meer Tegenkwam Tijdens Mijn Lange Omzwervingen etc... | Main | Eunice & George »

26 april 2007

blond

Dit wordt een verhaal met een omweg – ik waarschuw maar vast. Het begint in de Eerste Bergensche Boekhandel te Bergen, waar ik verbleef om een boek af te maken, of om precies te zijn een hoofdstuk dat niet wilde vlotten. Ik vond er een boek van Dick Hillenius en kocht het direct, vooral op de titel: Wat kunnen wij van rijke mensen leren? Met het boek onder mijn arm liep ik naar café d’Alderliefste, wat een leuk café is, veel leuker dan dat beroemde maar opgeprikte Huis met de Pilaren, waar de ruitjesbroeken en parelkettingen op het terras hun blinkend witte jackets in de bittergarnituur zetten, die daar overigens wordt opgediend met alle prikkertjes er alvast ingestoken. Dan hoef je dat zelf niet meer te doen. Café d’Alderliefste, ertegenover, is een echt café, waar je ongestoord aan je eigen alderliefste kunt denken. Daar sloeg ik mijn nieuwste aanwinst open en las over de engelse aristocraat en schrijver Charles Waterton (1782-1865). Waterton was een tijdgenoot van Darwin, die hem een paar keer noemt in zijn autobiografie. Darwin vertelt dat hij in zijn jeugd prepareerlessen nam van een neger in Edinburgh. Deze neger had met Waterton gereisd en van hem zijn opzetkunde geleerd. Waterton was een berucht opzetter van dieren: in zijn grote landhuis had hij een enorme verzameling opgezette dieren, voornamelijk kleurige vogels, maar ook een grote schildpad met mensenhoofd . Verder deed hij graag gevaarlijke dingen – of in elk geval dingen die ‘gewone’ mensen nogal waaghalzerig zouden vinden, zoals toen hij samen met een vriend de gevel van de St. Pieter in Rome beklom, en ze als bewijs op de top van de bliksemafleider hun handschoenen achterlieten. De paus vond dat die handschoenen weg moesten, maar niemand van zijn personeel durfde. Waterton heeft de beklimming toen nog maar eens gedaan. En zelfs goede vrienden liepen soms het gevaar bij een bezoek aan Watertons landhuis, Walton Hall, te worden aangevallen door een grommende hond, maar als ze dan angstig omlaag keken naar waar ze de scherpe tanden voelden, bleek het de landheer zelf te zijn, die een grapje maakte.
Waarom vertel ik dit allemaal en wat heeft het met blond te maken? Nog even geduld, alstublieft.
Ik zat grinnikend te lezen, ik had net een derde witbier besteld toen een blonde vrouw het café binnenkwam. Normaal gaan mensen niet naast de grinnikende gek in het café zitten, maar deze vrouw had nooit van die regel gehoord.
Ze was een jaar of twee ouder dan ik, schatte ik, maar op bepaalde momenten van de dag, had ze ook kunnen doorgaan voor haar dochter, even aannemende dat ze die had. Het meest opvallend was haar blonde haar: het soort haar waar ik al vanaf de brugklas weerloos tegen ben: van dat hele fijne steile blonde haar, liefst vrij kortgeknipt zodat bij een beetje wind (of een beetje vaart op de fiets) het rechtop gaat staan als de kuif van een heel eigenwijs vogeltje.
Dit vertelde ik niet toen wij aan de praat raakten. Wel was het direct een leuk gesprek. Ik had de excentrieke Charles Waterton achter de hand, en met zo’n inleiding kun je het daarna moeilijk meer verknallen. Even later, terwijl we zaten te eten in de plaatselijke sushi-schuur zei ze ineens: ‘Maar volgens mij ken ik jou al.’
Ik lachte bescheiden, noemde de Volkskrant, een tv-programma waarin ik had opgetreden, en het chique blad waarin ik weleens columns schreef, maar ze schudde gedecideerd haar hoofd.
‘Eerder,’ zei ze. ‘Veel eerder. Van school. Jij komt toch ook uit Breda? Van de Nassau?’
En ineens sloeg de bliksem in. Het had een beetje een vertraagde ontsteking want ik had ook al iets bekends in haar ontdekt, toen we naar het restaurant liepen: de manier waarop haar haar opwaaide in de zachte zeewind, als het eigenwijze kuifje van een… precies.
‘Niks zeggen,’ zei ik.
‘Brugklas,’ zei zij.
‘Scholentrip,’ zei ik.
‘Naar Engeland,’ zei zij.
‘Iedereen op de boot kotsmisselijk,’ zei ik.
‘Behalve jij,’ zei zij.
‘En jij,’ zei ik.
En ik keek in haar ogen en samen vielen we door twintig jaar herinnering heen. Het was een wonderlijk, uitzinnig moment.
‘Lonneke!’ riep ik.
‘Wolfert!’ riep zij.
Gelukkig was café D’Alderliefste nog open. Ik ben er tot sluitingstijd blijven zitten, maar de enige blondine die die avond nog binnenkwam werd door de stamgasten aangesproken als ‘tante Poes’. Gelukkig had ik mijn boek nog.

jaeggi om 26 april 2007 09:28