« de krant van gisteren | Main | hoerenzoon? »

10 juli 2006

vakantieparadijs

Ik lig aan de rand van het zwembad en kijk naar de hemel. De hele dag is die zinderend blauw geweest, nu is hij van vlekkeloos donker fluweel, versierd met ontelbare sterren. Het is twee uur na het avondeten. Ik heb nogal een vol gevoel. Voor die negenhonderdtien gulden per week kun je je hier drie keer per dag - als je wilt zes keer - helemaal ongans eten, en de verleiding om dat te doen is groot. Er is hier verder niets te doen, behalve alle sporten van de wereld.
Ik neem aan dat het paradijs er ongeveer zo uitziet.

Elke ochtend sta ik zo laat op als ik wil, loop naar het strand en neem een duik in de zee. De rest van de dag breng ik door op ligstoelen. Het wordt steeds moeilijker om een samenhangende gedachte te hebben, anders dan: 'Zal ik nog wat gaan eten of zal ik eerst nog even zwemmen?' Dat is lastig, want het lukt me maar niet om te bedenken wat er ontbreekt aan dit paradijs. Alles is er. Er zijn zelfs engelen, weliswaar zonder vleugels maar met stralend witte pakken, die voortdurend glimlachen, en donkere besnorde engelen die niet zoveel glimlachen maar wel elke dag de bedden opmaken met knisperende lakens.
De eetzaal begint leeg te stromen, men maakt zich op voor de dagelijkse disco. De muziek, die de hele dag uit strategisch in het park opgestelde boxen kabbelt, gaat enkele tientallen decibellen hoger. Veertigers met kinderen stromen de dansvloer op, de kinderen hysterisch van de suiker. Ik druk me kreunend omhoog uit mijn ligstoel en grabbel in mijn bermuda naar de sleutels van onze bungalow. Dan herken ik de muziek.
Paradise by the Dashboardlight.
Een reuzenhand grijpt me in mijn nek en smijt me neer op de dansvloer van discotheek Het Vossenhol, eind jaren zeventig. Er wordt gewoonlijk gedanst in twee rijen, jongens en meisjes tegenover elkaar. Soms springt er een jongen uit de eigen rij naar die van de meisjes, maar die wordt onder luid gejoel weer teruggeduwd en even later Het Vossenhol uitgezet door de barman.
Boven mijn hoofd hangt een gigantisch videoscherm van bijna een halve meter in het vierkant. Een wanstaltig dikke man met kletsnat-te, sliertige haren en ogen als vurige kolen staart me aan. Ik sta midden op de dansvloer, mensen botsen tegen me aan, ze willen sprin-gen en dansen op de tophit van Meat Loaf, maar ik ga niet opzij. Gitaren ronken.

I remember every little thing
As if it happened only yesterday

Ik weet het dan nog niet, maar mijn jeugd blijkt later uit twee helften te hebben bestaan: vóór Meat Loaf en ná Meat Loaf. De tijd vóór Meat Loaf is ook in de annalen te vinden als het Tijdperk van de Zoutjes.
Mijn ouders zijn van de zoutjes. Ik heb mijn vader wel eens twee zakken chips achter elkaar zien opeten en daarna ongeveer tweehonderd blokjes kaas. Als hij de kaasplank terugbrengt naar de keuken schraapt hij met het kaasbijltje de mosterd van de plank en likt het af.
Wij mogen onze messen niet aflikken.
Wij mogen ook niet meer dan één zak zoutjes. Elke vrijdagmiddag ga ik naar de bakker om zoutjes voor de vrijdagavond te halen. Voor mijn jongste zusje een pak kaasdomino's, die ze opeet door minutieus elk wafeltje van zijn kaaslaagje te scheiden en daarna tegen haar verhemelte te laten smelten. Daarna schraapt ze met haar tanden het kaaslaagje af tot het volgende wafeltje.
Voor mijn middelste zusje een zak cornuco's, die ze ook zo langzaam mogelijk, één voor één, tegen haar verhemelte laat smelten.
Voor mezelf haal ik een zak japanse zoutjes, bruine glanzende rechthoekjes, die ik binnen vijf minuten naar binnen schrok. Nog vóór het acht uur Journaal ben ik door mijn zoutjes heen. Als ik vraag of ik een kaasdomino mag kijkt mijn jongste zusje naar me of ik een vies insect ben.
Daarom ben ik wel genoodzaakt om meer zoutjes te jatten bij de bakker.

Ik heb een blauw jack met een scheur erin, waardoor je je hand in de voering kan steken. Ik heb het gat wat groter gemaakt, zodat er makkelijk een paar pakken kaasdomino's en zakken borrelnootjes in passen, al zijn die laatste moeilijk, want ze ritselen eigenlijk teveel. Ik jat alleen borrelnoten als de winkel vol genoeg is. Als er maar een paar mensen zijn steek ik hoogstens wat pakjes kauwgom en Bounty's in de scheur. Steeds als ik iets jat heb ik een licht gevoel in mijn hoofd, alsof ik mezelf niet ben maar de bestuurder van een robot die op mij lijkt.
Ik jat zoveel dat ik het niet meer opkrijg. Ik verstop zakken noten, japanse zoutjes, pakken pizzarondjes, mergpijpen, studentenhaver, bierworstjes, Marsen, Bounty's en Mentos achter de boeken in mijn boekenkast.
Op een middag kom ik op mijn kamer en zie mijn vader aan mijn bureau zitten. Voor zich op de grond heeft hij mijn hele geheime voorraad uitgestald. Het is meer dan ik dacht.
Ik moet het allemaal in een doos doen en terugbrengen naar de bakker. Mijn ouders zijn vrienden van de bakker en zijn vrouw. In de zomer varen ze mee op de grote zeilboot van de bakker.
Mijn vader kijkt me aan en wijst op de stapels eten bij zijn voeten.
Ik buig mijn hoofd, maar ik doe niks.
Mijn vader trekt wit weg. Hij zet heel kalm de doos voor me neer.
Ik begin de zakken met zoutjes en snoep in de doos te leggen. Samen lopen we naar beneden. Hij loopt achter mij aan. Ik draag de doos. Mijn zusjes, die in een hoek van de kamer een spel spelen dat ik niet begrijp, kijken verbaasd op als we langslopen.
De bakkerswinkel staat vol met mensen. Als wij binnenkomen en de winkelbel klingelt kijkt iedereen om.

Nadat ik voor het oog van de voltallige bevolking van X de schappen van de bakker weer heb gevuld volgt een moeilijk jaar. Als er dat jaar een circus beschikbaar was geweest was ik daar waarschijnlijk achteraan getrokken, maar het enige circus dat dat jaar X aandoet bestaat uit zulke droevige figuren, mensen zowel als dieren, dat ik halverwege de voorstelling naar buiten sluip en de schaarsgeklede trapezewerksters niet eens afwacht.
Elke zaterdagavond ga ik om tien uur 's avonds naar het Vossenhol en schaar me in een rij jongens die tegenover een rij meisjes danst.
Verder is het wachten op Meat Loaf.

Ik staar naar het videoscherm en kijk gebiologeerd naar Meat Loaf die steeds dichter naar Carla de Vito toe schuifelt. Ze doet net alsof ze hem niet ziet komen.
De rij jongens is de rij meisjes steeds dichter genaderd, zie ik tot mijn stomme verbazing. Mijn gezicht bevind zich op nog geen meter afstand van het glimmende voorhoofd van een meisje dat ik tot nu toe alleen ken van bij de bakker. Daar staat ze achter de snijmachine. Ze kijkt naar me op en glimlacht. Ik richt mijn ogen weer op het videoscherm.

You gotta do what you can
And let Mother Nature do the rest
Ain't no doubt about it
We were doubly blessed

Het zwetende monster Meat Loaf steekt zijn tong in de mond van Carla de Vito. In Het Vossenhol klinkt een hels gegil en de twee rijen versmelten met elkaar. Het meisje met het glimmende voorhoofd trekt me naar zich toe, ze smaakt zout, morgen ga ik naar die winkel toe en jat godverdomme de hele zaak leeg onder haar ogen. Omdat Meat en Carla op het scherm aan het droogneuken zijn mogen wij dat ook, terwijl op de achtergrond het verslag van een honkbalwedstrijd klinkt, wat vind ik dat geniaal, ik weet precies wat ze met second base en third base bedoelen, mij hoeven ze niks te vertellen.
Ineens krijg ik een harde duw tegen mijn borst. Carla staat tegen-over me en krijst in mijn gezicht.

Will you love me forever?
Do you need me?
Will you never leave me?
Will you make me so happy for the rest of my life?

Haar gelukkig maken? Weet ze dan niet dat ik niet eens een idee heb hoe ik mezelf gelukkig moet maken? En wat bedoelt ze met 'de rest van mijn leven'? Moet ik dat nu meteen beslissen?

Dezelfde reuzenhand slingert me terug naar het heden, ik bevind me terug in het paradijs, aan de rand van de dansvloer. De veertigers spelen luchtgitaar en hun vrouwen playbacken Carla de Vito. Ze gillen: 'Will you love me forever?!' Wat ooit de handleiding voor mijn leven leek te zijn is nu de geheide kraker op feestjes. Eindelijk, twintig jaar later begrijp ik wat Meat Loaf bedoelde toen hij zong: 'Cause if I gotta spend another minute with you, I don't think I can really survive'. Ik dacht altijd dat dat over het huwelijk ging, en dat je je daar ver van moest houden – een voor de hand liggende gedachte als je zeventien bent. Maar het gaat er niet om of je met een ander kunt leven – het gaat erom of je nog één minuut je eigen gezelschap kunt verdragen.
Het liedje is bijna voorbij, de dansvloer raakt leeg.

It was long ago and it was far away,
and it was so much better than it is today.

Ik sta aan de rand van de dansvloer, de sterren kijken de andere kant op en ik zou wilen dat ik wist of ik werkelijk de enige ben die dit denkt: iemand, wie dan ook, verlos me uit het paradijs.

jaeggi om 10 juli 2006 09:43