« marieke | Main | bij de eerste hulp »

30 juni 2006

wat ik had moeten lezen

Nick Hornby schrijft al een aantal jaren een rubriek in het tijdschrift The Believer waarin hij verslag doet van zijn leesavonturen: boeken die hij gekocht heeft, en boeken die hij daadwerkelijk gelezen heeft. Een uitstekend idee, het pikken waard, zij het met een paar kleine variaties. Die merkt u vanzelf.
Ongeveer eens in de twee drie weken zal ik hier verslag doen van gelezen en niet-gelezen boeken. Als geheugensteun, gespreksvoer en, bovenal, opluchting.


Wat ik had moeten lezen
Saskia Noort, Nieuwe buren: thrillerboek, 18,95, nummer 1 in de bestseller top 60
Sonja Bakker, Bereik je ideale gewicht: afvalboek, 13,95, nummer 2 in de Bestseller Top 60
Kluun, Komt een vrouw bij de dokter: tranentrekboek over vrouw met kanker en man van vrouw met kanker, 12,50, nummer 3 in de Bestseller Top 60
Kluun, De Weduwnaar: tranentrekboek over man van aan kanker overleden vrouw, 16,00, nummer 4 in de Bestseller Top 60
Dan Brown, De Delta deceptie: thrillerboek over ontdekking op de Noordpool, 19, 95, Nummer 5 in de Bestseller Top 60

Wat ik gelezen heb
Harry G. Frankfurt, Bullshit (oorspr. titel: On Bullshit), vertaling van essay van Amerikaanse professor, ondertitel: Waarom er zoveel wordt geluld.
Toen ik het zag aangekondigd in de aanbieding van de uitgever, drie maanden geleden, verheugde ik me erop: een geleerde professor die zich over het lekkerste en meest gebruikte foei-woord buigt (ik mag het graag in twee explosieve partjes hakken: eerst op een lage, dreigende toon ‘Bull’, gevolgd door een half octaaf hoger, agressief uitgespogen ‘shít!’
Maar dit tot een boekje opgeklopte kleine essay staat vooral vol met het naar zichzelf verwijzend getheoretiseer uit werkcollege’s waar iedereen aan denkt bij professoren. Een mond vol stof en hoofdroos, terwijl ik had gehoopt op een scherp betoog. Probeer hier maar eens grip op te krijgen, het is net een hamburger met te veel verdiepingen: ‘Wat door gelul in wezen vertekend wordt, is niet de toestand waarnaar het verwijst. Noch wat de spreker ervan vindt. Die worden door de leugen vertekend, door onwaar te zijn. Aangezien gelul niet onwaar hoeft te zijn, verschilt het van de leugen in wát het wil vertekenen. Iemand die uit zijn nek lult, misleidt ons misschien niet, of heeft ook niet die bedoeling, hetzij met betrekking tot de feiten of met betrekking tot wat hij voor de feiten houdt.’ Kortweg: iemand die uit zijn nek lult weet vaak niet waar hij het over heeft.
Maar waarom zegt hij dat dan niet?
Soms een helder moment: ‘Gelul is onvermijdelijk wanneer de omstandigheden vereisen dat iemand praat zonder dat hij echt weet waarover. (-) Deze discrepantie is gebruikelijk in het openbare leven, waarmensen regelmatig gedwongen worden – op grond van hun eigen karakter of door wat anderen van hen verlangen – om uitvoerig te spreken over zaken waarover ze in zekere mate onwetend zijn.’
De spijker op de kop, als we even terugdenken aan alle cabaretiers en schrijvers die de afgelopen weken hun licht lieten schijnen over het Nederlands elftal. Zelden hoorde men zoveel bullshit uitgesproken door zo velen in zo korte tijd.
Maar wat opmerkelijke inzichten betreft houdt het daar wel mee op, wat dit boekje betreft. De professor heeft zich waarschijnlijk zitten verkneukelen toen hij zijn slimme cirkelredenerinkjes schreef, in zijn werkkamer met de klimop aan de muren, maar in feite verwijst dit boek in alle opzichten naar zichzelf: gelul over gelul.

Het is weer in de mode, pamfletten schrijven: Thomas Roosenboom (over klieren van kinderen), Piet Grijs (over vlees eten) en Désanne van Brederode (over de ondergang van onze cultuur o.i.d.) waagden zich er al aan, en nu is er Regels zijn regels, Paul Witteman in gesprek met Dorien Pessers over de daadkracht van Rita Verdonk. 3,50, Uitgeverij Balans in coproduktie met Buitenhof.
‘Regels zijn regels’ is de mantra, het eerste geloofsartikel, het dogma, het zijn en wezen van de gisteren gevallen Rita Verdonk (‘Ik gevallen? Hoe komt u erbij! Het kabinet is gevallen, dat had niets met mij te maken.’).
De vraag is: gaat deze regel in alle gevallen op en gaan we tegenwoordig anders om met regels dan vroeger? In het tv-programma Buitenhof sprak Paul Witteman hierover met hoogleraar rechtstheorie Dorien Pessers. In plaats van een droge verhandeling over rechtstheorie werd het een vurig pleidooi tegen het inhumane karakter van het huidige asielbeleid: ‘Dag in dag uit worden vluchtelingen in Nederland geconfronteerd met bestuurlijk wanbeleid en willekeur.’
‘Pessers liet de Nederlandse regering alle hoeken van de studio zien,’ schreef de Volkskrant de volgende dag, en zo is het. Ieder normaal mens zou na zo’n orenwassing nog een week lang suizebollen en daarna zijn leven beteren. Maar in deze regering zitten, pardon, zaten, nu eenmaal weinig normale mensen. ‘Net nu we zouden gaan oogsten,’ klaagde Maxime Verhagen vanochtend in de kranten, nadat zijn brekebeen-premier eigenhandig het kabinet had laten struikelen. Oogsten, meneer Verhagen? Wie zouden er precies gaan oogsten, volgens u? Toch niet de asielzoekers en uitkeringstrekkers van Nederland, dunkt mij. Politici, je vraagt je weleens af of het mensen zijn.

David Mitchell: Dertien (oorspr. titel: Black Swan Green) Coming of age-roman van de briljante jonge schrijver van o.a. Cloud Atlas en number9dream.
Dat ‘briljant’ praat ik na van andere recensenten, Dertien is het eerste wat ik van Mitchell heb gelezen. Het viel niet tegen, al is de vertaling vaak van een stuitende stompzinnigheid en staat het boek vol met anglicismen en vertaalblunders - te beginnen met de versimpeling van de titel: wat is er bijvoorbeeld mis met Zwarte Zwaan-buurt? - fouten die, zo duidelijk als vingerafdrukken, zijn veroorzaakt door de haast waarmee weer eens 360 pagina’s vertaald moesten worden (moet hij maar niet van die dikke boeken schrijven).
Zouden buitenlandse schrijvers wel eens de Nederlandse vertaling van huyn boeken onder ogen krijgen, vraag ik me af? En zouden ze dat weleens voorleggen aan een bevriende Nederlandse native speaker? David Mitchell in elk geval niet, anders had hij subiet gebroken met zijn Nederlandse uitgever Querido.
Ik begon dit boek te lezen vanwege Mitchell's reputatie. Als iemand zo unaniem geprezen wordt word ik onmiddellijk besprongen door het duiveltje van de argwaan - ik weet niet of dit natuurlijk is of dat het duidt op een infantiele, jaloerse persoonlijkheid, ik houd het vooralsnog op het eerste - en ik begon dus aan het boek met de gebruikelijke dosis scepsis voor alomgeprezen schrijvers. Bovendien wil ik ook wel eens een boek lezen dat iedereen leest.
Voor Dertien heb ik een nacht opgeofferd. Met plezier. Het is een zoveelste coming of age-roman, maar dat is nu eenmaal een onderwerp voor veel schrijvers, en Dertien is op zijn minst meeslepend.
De dertienjarige hoofdpersoon, Jason Tyler, stottert (en personificeert die stotter in een pestkop die in zijn hersens huist: Hangman). Zijn ouders stommelen onstuitbaar op een scheiding af. Allemaal niet echt nieuw, elke jonge man van Holden Caulfield tot Adrian Mole tot Fransje de Arm heeft het moeten doormaken, maar het gaat bij dit soort boeken minder om het gegeven dan om de memorabele scènes. Daarvan minstens drie in Dertien, waaronder de ontmoeting met een rijke oude zonderlinge dame die zijn mentor wordt: ‘’Mijn naam is Eva van Outryve de Crommelynck.’ Als een pauw een menselijke stem had, dan zou het die van haar zijn.’
Als je van dit soort vergelijkingen houdt, is dit een boek voor je. Al is Roddy Doyle’s Barrytown Trilogy schrijnender en hilarischer en zegt het meer over Engeland, volwassen worden en het verstikkende en heel soms romantische klimaat van een klein Angelsaksisch dorp.

J.M. Coetzee: On youth. Roman.
Taai boek, halverwege afgehaakt. Zie volgende boek.

J.M. Coetzee, Elizabeth Costello. Roman?
Coetzee is een groot schrijver, misschien wel één van de grootste, en hij is een zeurpiet. Niemand is bezorgder over het lot van de mensheid dan Coetzee, al vanaf zijn eerste meesterwerk Waiting for the barbarians maar wie zijn laatste twee boeken leest (dit en Youth) krijgt het gevoel dat hij onze rap naderende ondergang liever zou bespoedigen dan afremmen.
Dierenleed, kolonialisme, racisme, Auschwitz, aftakeling, ouderdom, verraad, bloedverwanten die uit elkaar groeien, of er dingen bestaan waar je niet over zou moeten schrijven: het wordt allemaal overdacht en besproken en weersproken en bepeinsd door Elizabeth Costello, een tobberige Australische schrijfster met een groot relativeringsprobleem. Ze komt er uiteindelijk niet uit, en dan verklap ik niks.
Dat Coetzee haar als alter ego heeft gekozen geeft al te denken. Costello is weliswaar zeer intelligent en gevoelig (bijna overgevoelig), maar weet niet van ophouden als het om de grote morele dilemma’s gaat. Interessant zijn vooral de verhalen(?) waarin zij tegengas krijgt: van de oudere dichter die weigert een lezing van haar bij te wonen omdat ze het lot van dieren uit de bio-industrie waagt te vergelijken met dat van slachtoffers in Auschwitz; en van haar zuster, een missionaris met een medische scholing die haar roeping gevolgd heeft naar Afrika. Costello discussieert met haar over God, en over een oude houtsnijder in dienst van het klooster, die zijn hele leven niets anders gedaan heeft dan lelijke Christusbeelden snijden. Ik geef toe: het is een moreel dilemma waar ik nog nooit een gedacht aan gewijd heb, en naar alle waarschijnlijkheid zal dat hierna ook niet meer gebeuren.
Het hele boek bestaat uit dit soort discussies en interior monologue over de grote problemen van deze tijd. Niet echt een aanrader voor de vakantie, tenzij je een huidziekte hebt en de hele vakantie binnen moet blijven.
Ik zie uit naar het volgende boek van Coetzee, dat hopelijk niet over zijn jeugd gaat, en hopelijk maar één groot moreel dilemma behandelt. In fictie-vorm, graag.

Bernard Wesseling, Focus. Debuut-dichtbundel, uitgeverij Nieuw Amsterdam. Een recensie hiervan a.s. donderdag in Het Parool. Representatief citaat: ‘Een comeback maken op je zesentwintigste, zo zou je deze dichtbundel kunnen omschrijven.’

.

jaeggi om 30 juni 2006 12:05