« mei 2006 | Main | juli 2006 »

30 juni 2006

wat ik had moeten lezen

Nick Hornby schrijft al een aantal jaren een rubriek in het tijdschrift The Believer waarin hij verslag doet van zijn leesavonturen: boeken die hij gekocht heeft, en boeken die hij daadwerkelijk gelezen heeft. Een uitstekend idee, het pikken waard, zij het met een paar kleine variaties. Die merkt u vanzelf.
Ongeveer eens in de twee drie weken zal ik hier verslag doen van gelezen en niet-gelezen boeken. Als geheugensteun, gespreksvoer en, bovenal, opluchting.


Wat ik had moeten lezen
Saskia Noort, Nieuwe buren: thrillerboek, 18,95, nummer 1 in de bestseller top 60
Sonja Bakker, Bereik je ideale gewicht: afvalboek, 13,95, nummer 2 in de Bestseller Top 60
Kluun, Komt een vrouw bij de dokter: tranentrekboek over vrouw met kanker en man van vrouw met kanker, 12,50, nummer 3 in de Bestseller Top 60
Kluun, De Weduwnaar: tranentrekboek over man van aan kanker overleden vrouw, 16,00, nummer 4 in de Bestseller Top 60
Dan Brown, De Delta deceptie: thrillerboek over ontdekking op de Noordpool, 19, 95, Nummer 5 in de Bestseller Top 60

Wat ik gelezen heb
Harry G. Frankfurt, Bullshit (oorspr. titel: On Bullshit), vertaling van essay van Amerikaanse professor, ondertitel: Waarom er zoveel wordt geluld.
Toen ik het zag aangekondigd in de aanbieding van de uitgever, drie maanden geleden, verheugde ik me erop: een geleerde professor die zich over het lekkerste en meest gebruikte foei-woord buigt (ik mag het graag in twee explosieve partjes hakken: eerst op een lage, dreigende toon ‘Bull’, gevolgd door een half octaaf hoger, agressief uitgespogen ‘shít!’
Maar dit tot een boekje opgeklopte kleine essay staat vooral vol met het naar zichzelf verwijzend getheoretiseer uit werkcollege’s waar iedereen aan denkt bij professoren. Een mond vol stof en hoofdroos, terwijl ik had gehoopt op een scherp betoog. Probeer hier maar eens grip op te krijgen, het is net een hamburger met te veel verdiepingen: ‘Wat door gelul in wezen vertekend wordt, is niet de toestand waarnaar het verwijst. Noch wat de spreker ervan vindt. Die worden door de leugen vertekend, door onwaar te zijn. Aangezien gelul niet onwaar hoeft te zijn, verschilt het van de leugen in wát het wil vertekenen. Iemand die uit zijn nek lult, misleidt ons misschien niet, of heeft ook niet die bedoeling, hetzij met betrekking tot de feiten of met betrekking tot wat hij voor de feiten houdt.’ Kortweg: iemand die uit zijn nek lult weet vaak niet waar hij het over heeft.
Maar waarom zegt hij dat dan niet?
Soms een helder moment: ‘Gelul is onvermijdelijk wanneer de omstandigheden vereisen dat iemand praat zonder dat hij echt weet waarover. (-) Deze discrepantie is gebruikelijk in het openbare leven, waarmensen regelmatig gedwongen worden – op grond van hun eigen karakter of door wat anderen van hen verlangen – om uitvoerig te spreken over zaken waarover ze in zekere mate onwetend zijn.’
De spijker op de kop, als we even terugdenken aan alle cabaretiers en schrijvers die de afgelopen weken hun licht lieten schijnen over het Nederlands elftal. Zelden hoorde men zoveel bullshit uitgesproken door zo velen in zo korte tijd.
Maar wat opmerkelijke inzichten betreft houdt het daar wel mee op, wat dit boekje betreft. De professor heeft zich waarschijnlijk zitten verkneukelen toen hij zijn slimme cirkelredenerinkjes schreef, in zijn werkkamer met de klimop aan de muren, maar in feite verwijst dit boek in alle opzichten naar zichzelf: gelul over gelul.

Het is weer in de mode, pamfletten schrijven: Thomas Roosenboom (over klieren van kinderen), Piet Grijs (over vlees eten) en Désanne van Brederode (over de ondergang van onze cultuur o.i.d.) waagden zich er al aan, en nu is er Regels zijn regels, Paul Witteman in gesprek met Dorien Pessers over de daadkracht van Rita Verdonk. 3,50, Uitgeverij Balans in coproduktie met Buitenhof.
‘Regels zijn regels’ is de mantra, het eerste geloofsartikel, het dogma, het zijn en wezen van de gisteren gevallen Rita Verdonk (‘Ik gevallen? Hoe komt u erbij! Het kabinet is gevallen, dat had niets met mij te maken.’).
De vraag is: gaat deze regel in alle gevallen op en gaan we tegenwoordig anders om met regels dan vroeger? In het tv-programma Buitenhof sprak Paul Witteman hierover met hoogleraar rechtstheorie Dorien Pessers. In plaats van een droge verhandeling over rechtstheorie werd het een vurig pleidooi tegen het inhumane karakter van het huidige asielbeleid: ‘Dag in dag uit worden vluchtelingen in Nederland geconfronteerd met bestuurlijk wanbeleid en willekeur.’
‘Pessers liet de Nederlandse regering alle hoeken van de studio zien,’ schreef de Volkskrant de volgende dag, en zo is het. Ieder normaal mens zou na zo’n orenwassing nog een week lang suizebollen en daarna zijn leven beteren. Maar in deze regering zitten, pardon, zaten, nu eenmaal weinig normale mensen. ‘Net nu we zouden gaan oogsten,’ klaagde Maxime Verhagen vanochtend in de kranten, nadat zijn brekebeen-premier eigenhandig het kabinet had laten struikelen. Oogsten, meneer Verhagen? Wie zouden er precies gaan oogsten, volgens u? Toch niet de asielzoekers en uitkeringstrekkers van Nederland, dunkt mij. Politici, je vraagt je weleens af of het mensen zijn.

David Mitchell: Dertien (oorspr. titel: Black Swan Green) Coming of age-roman van de briljante jonge schrijver van o.a. Cloud Atlas en number9dream.
Dat ‘briljant’ praat ik na van andere recensenten, Dertien is het eerste wat ik van Mitchell heb gelezen. Het viel niet tegen, al is de vertaling vaak van een stuitende stompzinnigheid en staat het boek vol met anglicismen en vertaalblunders - te beginnen met de versimpeling van de titel: wat is er bijvoorbeeld mis met Zwarte Zwaan-buurt? - fouten die, zo duidelijk als vingerafdrukken, zijn veroorzaakt door de haast waarmee weer eens 360 pagina’s vertaald moesten worden (moet hij maar niet van die dikke boeken schrijven).
Zouden buitenlandse schrijvers wel eens de Nederlandse vertaling van huyn boeken onder ogen krijgen, vraag ik me af? En zouden ze dat weleens voorleggen aan een bevriende Nederlandse native speaker? David Mitchell in elk geval niet, anders had hij subiet gebroken met zijn Nederlandse uitgever Querido.
Ik begon dit boek te lezen vanwege Mitchell's reputatie. Als iemand zo unaniem geprezen wordt word ik onmiddellijk besprongen door het duiveltje van de argwaan - ik weet niet of dit natuurlijk is of dat het duidt op een infantiele, jaloerse persoonlijkheid, ik houd het vooralsnog op het eerste - en ik begon dus aan het boek met de gebruikelijke dosis scepsis voor alomgeprezen schrijvers. Bovendien wil ik ook wel eens een boek lezen dat iedereen leest.
Voor Dertien heb ik een nacht opgeofferd. Met plezier. Het is een zoveelste coming of age-roman, maar dat is nu eenmaal een onderwerp voor veel schrijvers, en Dertien is op zijn minst meeslepend.
De dertienjarige hoofdpersoon, Jason Tyler, stottert (en personificeert die stotter in een pestkop die in zijn hersens huist: Hangman). Zijn ouders stommelen onstuitbaar op een scheiding af. Allemaal niet echt nieuw, elke jonge man van Holden Caulfield tot Adrian Mole tot Fransje de Arm heeft het moeten doormaken, maar het gaat bij dit soort boeken minder om het gegeven dan om de memorabele scènes. Daarvan minstens drie in Dertien, waaronder de ontmoeting met een rijke oude zonderlinge dame die zijn mentor wordt: ‘’Mijn naam is Eva van Outryve de Crommelynck.’ Als een pauw een menselijke stem had, dan zou het die van haar zijn.’
Als je van dit soort vergelijkingen houdt, is dit een boek voor je. Al is Roddy Doyle’s Barrytown Trilogy schrijnender en hilarischer en zegt het meer over Engeland, volwassen worden en het verstikkende en heel soms romantische klimaat van een klein Angelsaksisch dorp.

J.M. Coetzee: On youth. Roman.
Taai boek, halverwege afgehaakt. Zie volgende boek.

J.M. Coetzee, Elizabeth Costello. Roman?
Coetzee is een groot schrijver, misschien wel één van de grootste, en hij is een zeurpiet. Niemand is bezorgder over het lot van de mensheid dan Coetzee, al vanaf zijn eerste meesterwerk Waiting for the barbarians maar wie zijn laatste twee boeken leest (dit en Youth) krijgt het gevoel dat hij onze rap naderende ondergang liever zou bespoedigen dan afremmen.
Dierenleed, kolonialisme, racisme, Auschwitz, aftakeling, ouderdom, verraad, bloedverwanten die uit elkaar groeien, of er dingen bestaan waar je niet over zou moeten schrijven: het wordt allemaal overdacht en besproken en weersproken en bepeinsd door Elizabeth Costello, een tobberige Australische schrijfster met een groot relativeringsprobleem. Ze komt er uiteindelijk niet uit, en dan verklap ik niks.
Dat Coetzee haar als alter ego heeft gekozen geeft al te denken. Costello is weliswaar zeer intelligent en gevoelig (bijna overgevoelig), maar weet niet van ophouden als het om de grote morele dilemma’s gaat. Interessant zijn vooral de verhalen(?) waarin zij tegengas krijgt: van de oudere dichter die weigert een lezing van haar bij te wonen omdat ze het lot van dieren uit de bio-industrie waagt te vergelijken met dat van slachtoffers in Auschwitz; en van haar zuster, een missionaris met een medische scholing die haar roeping gevolgd heeft naar Afrika. Costello discussieert met haar over God, en over een oude houtsnijder in dienst van het klooster, die zijn hele leven niets anders gedaan heeft dan lelijke Christusbeelden snijden. Ik geef toe: het is een moreel dilemma waar ik nog nooit een gedacht aan gewijd heb, en naar alle waarschijnlijkheid zal dat hierna ook niet meer gebeuren.
Het hele boek bestaat uit dit soort discussies en interior monologue over de grote problemen van deze tijd. Niet echt een aanrader voor de vakantie, tenzij je een huidziekte hebt en de hele vakantie binnen moet blijven.
Ik zie uit naar het volgende boek van Coetzee, dat hopelijk niet over zijn jeugd gaat, en hopelijk maar één groot moreel dilemma behandelt. In fictie-vorm, graag.

Bernard Wesseling, Focus. Debuut-dichtbundel, uitgeverij Nieuw Amsterdam. Een recensie hiervan a.s. donderdag in Het Parool. Representatief citaat: ‘Een comeback maken op je zesentwintigste, zo zou je deze dichtbundel kunnen omschrijven.’

.

Posted by jaeggi at 12:05 pm

27 juni 2006

marieke

Het was aan het eind van de tweede klas dat Marieke begon na te denken over het eten van mensen, en hoe het zou smaken. Al wist ze - heus wel - dat ze niet doortastend genoeg was om ooit haar nieuwsgierigheid te bevredigen, het gaf haar toch een andere kijk op de mensen om haar heen. In haar klas zaten weinig kinderen waarvan ze zou willen eten, en de gedachte dat ze haar tanden in een stuk van juffrouw Lo Pinto, de bebrilde lerares kunstzinnige vorming, zou moeten zetten deed haar grinnikend kokhalzen. Wel voelde ze een hol gevoel in haar maag bij de gedachte aan - en als je dit ooit aan iemand vertelt steek ik een passer in je oog - de malse voetzolen van de leraar Engels die op sportdagen het lerarenvolleybalteam aanvoerde.
Maar waar ze vaak van droomde, als ze haar schooltas door de gangen achter zich aan sleepte, was dat ze Fulco zou tegenkomen. Dat ze de hoek bij de lerarenkamer zou omslaan en daar was hij ineens en hij zou zeggen hallo en zij zou achteloos, zonder blozen of stotteren, terugzeggen: ‘Hé, heb je zin om een keer te komen eten?’
Als hij langskwam zou ze een biefstuk voor hem bakken met frietjes uit de oven en daarna zouden ze naar boven gaan naar haar kamer en haar ouders zouden er niks van kunnen zeggen want wat heb je verder nog in te brengen als je in moten in de vrieskist ligt?


Posted by jaeggi at 10:16 am

wat je ook niet moet hebben

Dat het een avond lekker gaat, je hebt twee gedichten geschreven die bijna in één keer raak waren, het begin van het artikel voor de krant stond er ook in één keer op, en nu ben je bezig in hoofdstuk 14 dat tot vandaag niet goed wilde lukken maar vanavond als vanzelf onder je handen doorglijdt, tot je verdwaasd opkijkt van je werk en denkt: ‘God, ik ben wel lekker creatief bezig vanavond.’
Afgelopen.


Posted by jaeggi at 10:12 am

26 juni 2006

wende

Je komt in Lelystad aan om half twaalf ’s avonds. Het is zoals je verwacht: het decor van een naargeestige science fiction-film die speelt in een tijd waarin de robots het van ons hebben overgenomen. Geen mens op straat, behalve mensen waar je met een boogje omheen loopt. Daarbij struikel je in een openliggende bouwput. Het duurt een halfuur voor je de uitweg gevonden hebt.
Het hotel is als verwacht: confectiemeubilair, confectiepersoneel, een confectiekamer, alles correct en beleefd. Eigenlijk was je van plan een vurige, ruwe minnares uit te nodigen voor de nacht hier. Je hebt spijt dat je dat niet gedaan hebt. Je doet de tv aan en gaat alle kanalen langs. Er zijn er honderd. Je kleedt je uit. Je overweegt een bad te nemen, zoals altijd als je ergens komt waar een groot luxe bad staat. Je bekijkt jezelf in de wandvullende badkamerspiegel. Je spant je spieren. Je neemt een paar bodybuildershoudingen aan. Het kan ermee door, maar een bodybuilder ben je niet.
Je veegt de gratis shampootjes en zeepjes in je toilettas. Je poetst je tanden en daarna ga je met een handdoek om je middel op het confectiebed liggen. Je overweegt beide bedden, die naast elkaar staan met een nachttafeltje ertussen - kennelijk slaapt de Nederlandse hotelgast graag gescheiden - gezellig tegen elkaar aan te schuiven, maar de noodzaak ontbreekt. Er is toch geen vurige, ruwe minnares. Je kijkt nog eens naar de gedichten die je hebt uitgezocht om voor te lezen, morgenochtend. Ze komen je bleek en vreemd voor.
Om half 1 doe je resoluut de tv uit. Om 5 uur word je gewekt voor je optreden op het vroegste festival van het land. Je kunt maar beter verstandig zijn en nog wat uurtjes slaap pakken.
Drie kamers verderop bevindt zich Wende Snijders. Zij gaat de hele nacht door, samen met haar band. De minibar maakt helse uren door.

Om 5 uur gaat de telefoon. Een beleefde stem vertelt dat het 5 uur is. Over anderhalf uur moet je optreden. Waarom ook weer? Je valt weer in slaap. Vijftig minuten later schrik je in één keer klaarwakker. Douchen, aankleden, kleren aan in precies tweeëneenhalve minuut. Tas inpakken. Je overvolle toilettas valt om. De map met gedichten kantelt langzaam van het nachtkastje en de gedichten fladderen vrolijk door de kamer.
Om een minuut voor zes sta je hijgend in de lobby en krijgt te horen dat de taxi net vertrokken is. De volgende gaat pas om zeven uur. Ook het ontbijt is pas om zeven uur.
De portier gaat bellen. Er is een misverstand, de taxi moet nog komen. Je bedankt hem, hij ziet er geweldig fris uit op dit vroege tijdstip.
Buiten staat een jonge, donkerbruine man. Hij rilt. Hij stelt zich voor. Samba Schutte. Hij is stand-up comedian. Hij moet straks vóór jou optreden. Om negentien minuten over zeven in de ochtend moet hij een publiek aan het lachen maken. Hij is dus nog minder te benijden dan jij.
De taxibus rijdt voor. Jullie zijn de enige artiesten die instappen. Dat betekent dat de rest er al is, of dat ze allemaal hebben afgezegd. De taxichauffeur rijdt lekker door, maar Flevoland is dan ook helemaal leeg, op dit uur. Het is heel erg rustig.
Samba vraagt wat voor gedichten je schrijft. Je moet het antwoord schuldig blijven.

Aan de rechterkant van de weg doemt een kampeerterrein op, aan de rand van een keurig bosje. Er staat een grote gestreepte circustent, wat je altijd een feestelijk gevoel geeft, ook nu. Er lopen mensen in de dauw met walmende plastic bekertjes, en midden op het terrein staat een soort aarden ringwal. Kennelijk is het daar te doen, het publiek concentreert zich daar.
Als je uit de taxi stapt ruik je eieren met spek.
Het programma is een beetje uitgelopen, je kunt rustig wakker worden en een kopje koffie nemen, maar je wordt getrokken door de intrigerende geluiden die uit het ring-theater komen. Als je onder de lage aarden doorgang doorgaat kijk je verbaasd op. Het zonne-observatorium – want dat is het – zit bomvol met mensen. Op meegebrachte campingstoeltjes, op handdoeken, op plastic vuilniszakken, op harige zitzakken, sommigen onderuit, sommigen op het puntje van hun stoel, maar niemand slaapt, iedereen is erbij, bij de klanken die van het podium komen, waar Spinvis speelt. Als Spinvis klaar is ga je naar buiten en beklimt de aarden wal, om alles van boven te bekijken. Er zitten nog meer mensen dan je dacht.
Een dichter met glanzend wit haar loopt naar de katheder die voor het podium staat en begint zijn gedichten te lezen. Thom Ummels staat in het programma. Nooit van gehoord. Het publiek drinkt de woorden van zijn lippen.
Er zijn twee jonge dichteressen. Ze heten Kila en Biebs. Ze zijn goed, geestig. Het publiek klapt de handen stuk. Dan, een performance met een touw en twee kunstenaars die, geloof je, de strijd van de mens tegen de zee verbeelden. Je haat performances, met een bijna religieuze haat. Je kunt je ogen niet losrukken van dit trage, spannende bewegen. Als de twee elkaar aan het eind omhelzen applaudiseer je het hardst van allemaal.
De zon is al op maar gaat nog schuil achter dikke dampen. Je moet aan Marten Toonder denken, en aan Pee Pastinakel.
Je bent bijna aan de beurt, misschien moet je maar wat gaan eten. Op een lege maag kun je niet optreden.
Als je terugloopt naar het observatorium, je buik vol ei en spek, staat Samba klaar voor zijn optreden. Hij rekt zijn spieren als een jogger voor het joggen. Je schudt zijn hand en wenst hem succes.
Hij loopt het platgetrapte gras op, naar de microfoon. Zijn eerste grap. Je grijnst. Het publiek brult. Tien minuten later willen ze hem allemaal mee naar huis nemen en op de schoorsteenmantel zetten.

Jouw beurt. Je leest Anders’ grote ontdekking. Een lang gedicht, verhalend weliswaar, maar je hebt getwijfeld. Tijdens het lezen voel je de gniffels, meer dan je ze hoort, en de peilloze stiltes daartussen. Als het gedicht uit is blijft het stil. Je hoort vogels.
‘Tweede gedicht,’ zeg je. Dan gebeurt het. Ze schateren. Ze knikken. Ze roepen.
Fritz, lees je, en Fritz 2. Hele andere gedichten. Je kent het meeste uit je hoofd, je kijkt goed rond tijdens het lezen, om te onthouden, mee naar huis te nemen.
Je eindigt met Wolfgang. Dat hebben ze verdiend, en jij ook.

De zon is opgegaan. Het wordt warm. Je zou nu wel gelukkig sterven, maar je blijft nog even leven, want straks komt Wende. Het is de dag van de zonnewende. Wende Snijders treedt op. Waarschijnlijk is er een connectie tussen die twee.
Je stelt je op bij het podium, zodat je haar van dichtbij kunt zien, straks. Je hebt al heel veel over Wende Snijders gehoord en het was allemaal zo juichend dat je er automatisch sceptisch van wordt. Wende Snijders, je moet het nog zien
Haar muzikanten lopen langs en beginnen uit te pakken. Viool, altviool, cello. Een man met een gouden brilletje en brosse haren pakt een accordeon uit, een trompet, een bügel. Een heel arsenaal aan klop- en tik-instrumenten.
Ze wordt aangekondigd. Een korte pauze, waarin je denkt, samen met de rest van het publiek: zie je wel, ze is er niet, dat kan ook niet, zo’n beroemde artiest, die komt niet hier om acht uur ’s ochtends naar de Flevopolder om…
Wende Snijders loopt voor me langs. Streng gezicht. Lichtzinnige rode jurk. Blote rug. Twee moedervlekjes bij haar schouderblad. Het podium op. Ze stampt met haar voet. Je suis comme je suis. Als het nummer uit is lacht ze voor het eerst. Valse a mille temps. Yeah! roept een man. Non! dondert Wende.
De betovering duurt een half uur. Je stelt je weer op naast het podium. Je weet je wat je te doen staat. Na de toegift zul je op haar toelopen en zeggen dat je bereid bent je leven te vergooien voor haar. Als ze niet meteen met je meegaat zul je op je knieën zinken.

Je wordt afgezet bij het hotel, samen met Willem van Ekeren, de Bach-Bukowski-pianist. Hij mankt, heeft een operatie gehad aan zijn been. Geeft dat geen problemen met spelen? vraag je. Met het pedaal? Bij Bach gebruik je geen pedaal, zegt hij. Je was al gelukkig, maar die kennis maakt je nog gelukkiger.
Je loopt over de markt in Lelystad. Een grote markt, drukke mensen. Je overweegt een mud kersen te kopen voor thuis, maar het hoeft eigenlijk niet, je loopt hier al in de zon op weg naar huis en de poëzie en Wende zingen in je hoofd.


Het Sunsation Festival is begonnen als een poëtische viering van de zomerzonnewende dat jaarlijks terug zou keren. Sunsation is uitgegroeid tot een multidisciplinair festival. Naast poëzie is er muziek, theater en beeldende kunst te bewonderen. Het festival vindt plaats op of omstreeks de 21e juni bij het ochtendgloren. Dit is de dag met de kortste nacht en de meeste uren daglicht. Het festival vindt plaats in het Observatorium Robert Morris te Lelystad, een beroemd landschapskunstwerk. In de loop der jaren is Sunsation uitgegroeid tot het grootste buitenpodium voor poëzie. Ondanks de grote groei van de laatsten jaren is het festival nog gratis toegankelijk.

Posted by jaeggi at 10:08 am

23 juni 2006

zonsopgang

Eens in de zoveel tijd (minstens eens per jaar)moet je erbij zijn als de zon opgaat.
Ik ben morgenochtend dus hier.


Posted by jaeggi at 09:49 pm

22 juni 2006

edele dieren


Hoe de dingen kunnen lopen.
Als u van hier naar mijn website surft, vindt u daar de aankondiging van mijn nieuwe boek: Pluto, dat zou verschijnen in augustus van dit jaar.
Mocht u die datum al hebben aangestreept in uw agenda: streep hem maar weer door, want het werk aan Pluto is voorlopig op de sudderpit gezet. Ik werk sinds twee maanden aan een andere roman, simpelweg omdat die eerst af moet.
Het nieuwe boek (dat voor mij minder nieuw is dan voor u, want ik loop er al bijna tien jaar mee in mijn hoofd) heet Edele dieren en zal in februari 2007 verschijnen. Hieronder kunt u, nog voor de boekhandels en de pers, de flaptekst lezen.
Ik houd u op de hoogte van de vorderingen.


Edele dieren

'De roman die F. Scott Fitzgerald geschreven zou hebben
als hij I know what you did last summer had gezien'

Zes vrienden huren een magnifieke villa in het zuiden van Europa, voor de vakantie van hun leven. Op de drukke autoweg laten zij, tussen miljoenen andere toeristen, hun dagelijkse beslommeringen achter zich. Bij aankomst lijkt het of zij het huis van ieders dromen hebben gevonden - maar dan blijkt dat niet iedereen veilig is gearriveerd.
In het hete, stoffige werelddeel waar zij zich bevinden, waar mobiele telefoons geen bereik hebben en de zon aan de verkeerde kant lijkt onder te gaan, blijken de huisgenoten ineens op elkaar aangewezen op een manier die zij nooit hadden kunnen voorzien. Eigen regels en zekerheden gelden niet meer in een wereld waar geiten als edele dieren worden beschouwd. Hoe wanhopig zij ook proberen de buitenwereld op een afstand te houden, een aantal onvoorziene gebeurtenissen confronteert hen genadeloos met hun vooroordelen, egoïsme en verloren idealen. Machteloos moeten zij toezien hoe de muren rond het paradijs steeds verder afbrokkelen. Langzaam begint het tot de bewoners door te dringen dat dit een vakantie is waarvan misschien niet iedereen zal terugkeren

Edele dieren is een roman over het verloren paradijs, ramptoerisme en de smalle grens die ons scheidt van chaos en verlies.


Posted by jaeggi at 09:31 am

19 juni 2006

opties

Er zijn twee opties.
Of je krijgt een telefoniste aan de lijn, of je komt in een keuzemenu. Als je een telefoniste krijgt zijn er drie opties: óf ze vraagt ‘hebt u een momentje?’ en nog voor je antwoord hebt kunnen geven zit je in een virtuele wachtkamer zonder ramen waar hetzelfde kalmerende muziekje klinkt als in vliegtuigen vlak voor het neerstorten; óf ze vertelt je dat degene die je wilt spreken ‘even niet op zijn plaats is’; óf degene die je wilt spreken ‘komt net binnen, ik zal u even doorverbinden,’ waarna de verbinding verbroken wordt. Als je opnieuw belt krijg je een ander iemand aan de lijn.
Als je in een keuzemenu terechtkomt zijn er twee opties: ‘Als u al klant van ons bent, toets dan een 1. Als u klant wilt worden, toets dan een 2.’ Als je geen klant bent en dat ook niet wilt worden zijn verdere opties afgesneden. Als je wel klant bent zijn er veel opties. Voor vragen over de factuur of de rekening, toets een 1. Voor het doorgeven van een verhuizing: toets een 2. Hebt u een betalingsachterstand, een deurwaarder aan de deur of is uw huisraad op straat gezet: toets een 3. Wilt u een folder of cd-rom over de aanschaf, verzorging of inruil van weekdieren: toets een 4. Zoekt u een jazzorkest voor bedrijfsfeest, trouwpartij of jubileum: toets een 5. Voor overige vragen: blijft u aan de lijn.
Als je aan de lijn blijft is er één mogelijkheid: je komt weer terecht in de virtuele wachtkamer met ‘Raindrops keep falling on your head’ over de intercom, elke halve minuut onderbroken door de mededeling dat alle medewerkers in gesprek zijn en dat de gemiddelde wachttijd (korte spannende pauze) drie minuten bedraagt. Na vijftien minuten virtueel ijsberen in de wachtkamer krijg je een telefoniste aan de lijn die halverwege je uitleg zegt: ‘Momentjeikverbinduevendoor.’ Na enig gestommel en een flard ‘raindrops’ valt met een klik de deur achter je in het slot en bevind je je weer aan het begin van het menu.
Als je koppig terugbelt zijn er twee opties: óf je doorloopt het menu weer tot aan het eind, krijgt een andere telefoniste aan de lijn die zegt momentjeikverbinduevendoor en je weer naar buiten dirigeert, óf je kiest een van de andere opties. Als je een van de andere opties kiest zijn er twee opties: óf je bent weer veroordeeld tot de virtuele wachtkamer en de chinese watermarteling van druppels die op je hoofd vallen, óf je komt in het volgende menu. Rookt u meer dan een pakje per dag: kies een 1. Drinkt u meer dan drie glazen alcohol per dag: kies een 2. Gebruikt u softdrugs: kies een drie. Wilt u met iemand van onze klantenservice spreken: blijft u aan de lijn.
Het is dan zaak om door te zetten. De meeste bedrijven nemen hun service zeer serieus op. In de virtuele wachtkamer hebben ze speciaal voor u een nieuw plaatje opgezet (‘Her name was Lola, she was a showgirl’) en er zijn verhalen bekend van mensen die na drie dagen volhouden een medewerker aan de lijn kregen die alles van weekdieren wist.

Posted by jaeggi at 10:34 pm

18 juni 2006

sam

Er zijn maar weinig mensen uit mijn boeken, verhalen of columns waar ik nog wel eens aan denk, maar aan Sam Fittipaldi (uit Held van beroep) denk ik zo'n beetje elke week. Regelmatig schrijf ik dingen op die hij zegt of doet, of gesprekken die hij met zijn (steeds kwaadaardiger) zus Teddy heeft, en die gaan in de map voor het tweede boek over Sam, waar ik ooit aan zal beginnen.
Intussen denken ook andere mensen nog wel eens aan Sam.

‘Want weet je Sam, je hebt goede mannen en slechte mannen, maar ze zijn als druppels water in de zee, er zijn zo veel zoute dat je de zoete niet meer proeft.’ Het is een van de vele prachtige zinnen uit Held van Beroep. Deze uitspraak is van Carla, een oudere vrouw die Sam op een waddeneiland ontmoet (ik ben vergeten welke). Naast het refrein was ook de tekst van het outro zo geschreven:

don’t try to talk me out of this
not while I’m here in Carla’s seat
the sea has many drops of water
but the salt won’t let you taste the sweet

Ik kreeg afgelopen week een mailtje van een moeder die haar zoontje van 5 jaar aan een hersentumor heeft verloren. Zijn naam is Sam. Zijn oma heet Carla.

- Uit een interview met Marinus de Goederen van A Balladeer, over hun debuut-cd Panama.

Posted by jaeggi at 11:55 pm

16 juni 2006

blazen

Dorothy Parker schreef: Men seldom make passes / at girls who wear glasses.
Na mijn jazz-schnabbel van afgelopen weekend (trefwoorden: rosé, spaghettibandjes en méér opgetrokken neuzen en opgeblazen lippen dan in de gemiddelde skybox) kan ik hieraan toevoegen: Maar weinig meisjes azen/ op mannen die blazen.


Posted by jaeggi at 01:42 pm

ver van hier


Ver van hier, mijn liefste
in mijn huisje bij de zee
voor heel de wereld verborgen
daar leven wij zonder zorgen
en we maken nooit ruzie, wij twee.

Misschien komt er wel een baby,
een fonteintje met champagne
en in ons tuintje zetten
we de perken vol sigaretten
want ik hou zo enorm veel van je.

(vrij naar Cole Porter)

Posted by jaeggi at 01:32 pm

15 juni 2006

our house


als het regent klemt het huis

nee mompelt de goot

wij staan ervoor en wrijven onze ogen droog


Posted by jaeggi at 10:15 am

14 juni 2006

hittegolf

'Nee meneer, er is geen sprake van een hittegolf.'
'Hoe bedoelt u, geen hittegolf?! De hele buurt loopt hier in een oranje string of bermuda, Heineken heeft geen bierkratten meer en gistermiddag lagen de hamsters van de kinderen dood in hun kooi! Dat is allemaal geen ramp, maar dan wil ik wel erkenning dat er een hittegolf was.'
'Meneer, de wet is heel duidelijk en zelfs ondubbelzinnig op dit punt: van een hittegolf is sprake als er in een aaneengesloten periode van vijf dagen een temperatuur wordt gemeten van boven de vijfentwintig graden, waarvan drie dagen met gemiddeld dertig graden. Dán, en eerder niet, spreken wij van een hittegolf.
'Maar dat hebben we toch makkelijk gehaald, afgelopen dagen? Volgens mij is het al een week minstens vijfentwintig graden...'
'Ja, aan die voorwaarde is voldaan, maar aan de tweede niet. Gisteren was het in De Bilt slechts 29,8 graden.'
'Maar eergisteren was het toch veel warmer dan 30 graden?'
'31,2 graden, om precies te zijn. Ik zie waar u naartoe wilt, maar zo werken die dingen niet.'
'29,8 graden plus 31,2 graden, dat is gemiddeld...'
'Zoals ik al zei: zo werken die dingen niet.'
'Dat is dertig en een halve graad! per dag! Meer dan genoeg! We hadden een hittegolf!'
'Helaas.'
'Ach toe nou. Kom op. Die twee hondersten van een graad. Wie merkt dat nou.'
'Officieel is er géén sprake van een hittegolf.'
'Welles! Welles! Welles!'
'Meneer, ik moet u verzoeken...'
'Welles! Er was een hittegolf! Ik ben toch niet gek? Jullie willen gewoon niet toegeven! Hittegolf? He get nee, doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Als je je kop boven het maaiveld uitsteekt in dit land...'
'Er schijnt wel een nieuw hogedrukgebied aan te komen.'
'Wat zegt u?'
'Er komt weer nieuw warm weer.'
'Zal ik dan tegen die tijd maar terugbellen?'
'Doet u dat vooral.'
'Goedemiddag.'

Posted by jaeggi at 09:52 am

12 juni 2006

agnes

Mijn eerste serieuze pogingen tot schrijven werden gepubliceerd in het tijdschrift Propria Cures, en mijn eerste niet-serieuze pogingen eveneens. Ik ben ooit bijna verdronken in bad toen ik een verhaal in PC las en van het lachen niet meer overeind kon komen, en ik heb mijn eerste benauwde ervaringen met de nederlandse rechtsgang opgedaan in de redactieruimte op de Wibautstraat.
Kortom: ik heb veel aan dat blad te danken - en velen met mij.
Een aantal van die velen was afgelopen dinsdag in het Betty Asfalt Complex, om afscheid te nemen van redactiesecretaresse Agnes Hoogstraten, die meer dan dertig jaar voor het blad werkte.
Daarna werd het nog heel laat in De Doffer, en ben ik er zonder afscheid te nemen stiekem vandoor gegaan nadat ik mijn bloeddoorlopen blik in de wc-spiegel had gezien.
Het was allemaal net als vroeger.
Hieronder het stukje dat ik schreef bij het afscheid. Agnes, het ga je goed.

Nachtelijke Gangen

De eerste kennismaking met Propria Cures was voor het merendeel van de redacteuren Agnes, door de telefoon, op de redactie, of bij haar thuis. Vaak was zij ook de laatste van wie men afscheid nam, als men de sleutel van het redactiehok kwam inleveren.
Om de invloed van Agnes op het ego en de carrière van ontelbare generaties PC-ers in kaart te brengen heeft het Comité van Afscheid mij de eervolle maar ook gevoelige taak toebedeeld om de nachtelijke gangen van Agnes in al die jaren cijfermatig in kaart te brengen. De invloed van PC op de Nederlandse maatschappij in de afgelopen decennia is namelijk niet gering geweest, zo redeneerde het Comité, en de invloed van Agnes op PC valt al helemaal niet te onderschatten, dus het zou best wel eens kunnen dat Agnes het brein, of wie weet het lichaam is geweest achter de val van het kabinet Den Uyl, de opkomst van Frits Bolkestein en de hele carriére van Beau van Erven Dorens. Bovendien wilde het Comité eindelijk weleens weten, na drie decennia doofpotterij en doen of onze neus bloedt, met welke redacteuren, oud-redacteuren en gastredacteuren Agnes nog meer het bed gedeeld heeft.
Over dat laatste kunnen wij kort zijn: daar zijn harde gegevens van. De voorlopige resultaten van het Onderzoeksrapport Nachtelijke Gangen wijzen erop dat Agnes in de jaren dat zij PC’s redactiesecretaresse was, 57 % van het redactie-bestand heeft ‘welkom geheten’. Het begrip ‘welkom heten’ kunt u op veel manieren opvatten: sommige oud-redacteuren spraken van ‘inwijden’, anderen noemden het ‘ontgroenen’, één redacteur had het over ‘knevelen’ en een ander gebruikte het begrip ‘joekelen’. Hierbij is overigens geen gebruik gemaakt van de informatie van redacteuren die vermoeden dat zij door Agnes ingewijd zijn, maar er niets van gemerkt hebben.
Dat brengt ons op een volgend onderzoekspunt: voorzover de commissie heeft kunnen natrekken, heeft slechts in 9 % van de gevallen daadwerkelijk penetratie plaatsgevonden. Het uitblijven hiervan was in alle gevallen volledig te wijten aan de kennelijke staat van de redacteur. Agnes kan hierin niets verweten worden: zij heeft haar uiterste best gedaan.
Over het doorzakgehalte van Agnes kan de commissie kort zijn: dit is onberispelijk. Hoewel zij in haar latere jaren weleens voortijdig afscheid nam omdat ze ‘het wel gezien had’, heeft zij nimmer haar plichten verzaakt voor wat betrof het bezoeken van boekpresentaties, vernissages en afscheidsborrels. De commissie meent te kunnen stellen dat Agnes meer literaire debutanten welkom heet geheten dan Geert Lubberhuizen, Mai Spijkers en Robbert Ammerlaan bij elkaar. Op de vraag of zij de gesigneerde boeken van de debutanten na gedane zaken ook daadwerkelijk heeft gelezen moet de commissie het antwoord schuldig blijven.
Wat kunnen wij hieruit concluderen over de invloed van Agnes op de Nederlandse samenleving?
Wij hoeven slechts enkele voorbeelden te noemen. Het was Agnes die redacteuren als Erik van Muiswinkel, Marcel Verreck, Peter Hoomans en Beau van Erven Dorens erop wees dat er veel meer roem, geld en aanzien te behalen was in de cabaret- en tv-wereld. Door haar toedoen verlieten mensen als Erik Noomen en Marc Burema het literaire theater, om zich in de wereld van de mannenbladen en de sponsored magazines te storten. En haar grootste triomf is ongetwijfeld oud-redacteur Jan Zandbergen, die ooit een glanzende literaire toekomst werd voorspeld, maar die door Agnes de smaak van het brakke grachtengordelwater zó te pakken kreeg dat hij de rest van zijn leven heeft gewijd aan het vullen van de roddelrubrieken alhier.
Dat is misschien wel Agnes’ grootste verdienste: door haar actief ontmoedigingsbeleid en rigoureuze doorzakpolitiek heeft zij de wereld behoed voor veel literaire romans, gedichten en verhalen, die anders wel het licht hadden gezien. Daar kunnen wij haar niet genoeg voor danken.
Namens de Commissie voor het rapport Nachtelijke Gangen,

Adriaan Jaeggi(voorz.)


Posted by jaeggi at 09:08 pm

07 juni 2006

koude slakken

Ik probeer altijd mijn eten te bestellen vóórdat zij het doet. Het is niet volgens de regels der etiquette, maar zo eet ik tenminste wat ik wil. Als ik háár eerst laat bestellen eet ik wat zij wil dat ik eet. Vrouwen kunnen aan tafel nu eenmaal een onweerstaanbare psychologische druk uitoefenen (ze kunnen het ook in pashokjes en op meubelboulevards), waar ze zelfs de meest geharde carnivoren mee op de knieën krijgen.
Het begint al bij de menukaart, die ze een paar seconden bestuderen, om hem dan weer neer te leggen. ‘Wat een leuke tent is dit. Jij kiest altijd zulke typische plekjes. Ik zou hier zelf nóóit komen.’
Is dit positief bedoeld of niet? Je besluit het zekere voor het onzekere te nemen.
‘Johannes van Dam gaf dit restaurant een negen plus. En in de Lekker stond het in de Top 10.’
‘Hè, dat vind ik nou weer zó typisch van een man! Alsof die rapportcijfers iets zeggen! Het gaat er toch om of het gezellig is of niet?’
‘Eh… Ja. Weet je al wat je wilt eten?’
Ze kijkt in de menukaart en fronst. ‘Het is ook zovéél.’
‘Ja, dat heb je weleens in restaurants, dat ze meer dan één maaltijd op het menu hebben. Dat schijnen gasten op prijs te stellen.’
Ze hoort je sarcastische toon niet. Ze leest het menu alsof het een belastingaanslag is.
'Weet jij het eigenlijk al?’
‘Ja, eerst de carpaccio, daarna de entrecote.’ Je zegt het barser dan nodig, maar het is belangrijk om haar te laten merken dat je keuze vaststaat, onwrikbaar, wat zij er verder ook van moge denken.
‘Carpaccio… Waar staat die?’
‘Bij de voorgerechten.’
‘Dat is toch met vlees? Ik dacht dat carpaccio met tonijn was.’
‘Nee, een klassieke carpaccio is altijd met rundvl… Ossehaas.’
‘Dus jij neemt twee keer vlees.’
‘Eh… Is dat zo? Ja, nou je het zegt. Ja, heb ik zin in.’
Haar wenkbrauwen maken een bijna onmerkbaar sprongetje. Ergens in je binnenste, tussen je dikke darm en je hart, voel je iets verschuiven. Is het wel zo’n goed idee om zoveel vlees te eten? Rood vlees blijft heel lang in je darmen hangen, heb je weleens gelezen. Ach, onzin, een man mag toch zelf weten wat hij eet?
‘Heeft u al een beslissing kunnen nemen?’
De ober. Nu sterk zijn.
‘Ja, ik wil graag de car…’ Zij steekt haar hand uit naar haar wijnglas. Je aarzelt, al begrijp je zelf niet waarom. ‘Mevrouw wilde graag eerst bestellen.’
Je krijgt een korte glimlach als beloning. Daarna gaat zij een kwartier met de ober in conclaaf over de manier waarop zij haar rettichsalade met wasabi-mayonaise geserveerd wil. Als hoofdgerecht neemt ze de scholfiletjes, maar graag gepocheerd, niet gebakken. En zónder bearnaise.
‘En voor meneer?’
Zég het! Zég het dan! Carpaccio!
‘Voor mij hetzelfde graag.’
Weer de slag verloren. De eettafel is het eeuwige slagveld waarop de felste veldslagen in de oorlog tussen mannen en vrouwen worden uitgevochten. Mannen zijn al eeuwen aan de verliezende hand, om de simpele reden dat eten voor mannen een beloning is, en voor de meeste vrouwen een straf. Zelfs als het ons lukt precies te bestellen wat we willen eten worden we daarom alsnog afgestraft. Denk maar aan de mooie scène uit J.D. Salinger’s Franny en Zoey, waarin Franny met haar minnaar Lane uit eten gaat. Ze moedigt hem aan: ‘Bestel wat je wilt. Ik bedoel, neem rustig slakken en octopussen en zo. Octopi. Ik heb niet zo’n honger.’ En als Lane inderdaad slakken bestelt vraagt zij achteloos om een broodje kip. En een glas melk. Als hij moedeloos zijn bestek neerlegt zegt ze: ‘Eet. Eet die slakken. Ze zijn vreselijk als ze koud worden.’
Dus de eerstvolgende keer dat een vrouw tegen u zegt: ‘Zou je dat nou wel doen, lieverd, met jouw cholesterol?’, ga dan niet de macho uithangen. Ze zijn in staat je een bord koude slakken te voeren. Prik vrolijk in uw venkel-radijs-slaatje en drink uw bronwater met een lach. De Febo is geduldig, en tot heel laat open.

Posted by jaeggi at 12:47 am

04 juni 2006

kwaal

- ... dus toen haar klachten maar niet ophielden dachten we aanvankelijk eerst aan ME.
- Logisch.
- Ja. Ik bedoel... Alle symptomen wezen erop. Zaten we 's avonds thuis, na het eten, wijntje erbij, zij legt haar voeten op mijn schoot en ik vraag, en wat heb jij vandaag gedaan, zegt ze: niks natuurlijk.
- Zou heel goed ME kunnen zijn.
- Toch? Maar dat was het niet.
- Niet?
- Volgens de huisarts. Dus toen begonnen we te denken aan een burn-out...
- Maar ze werkt helemaal niet. Ze heeft al tien jaar geen slag uitgevoerd.
- Dat zei ik dus ook. Maar dat blijkt niet te hoeven voor een burn-out, dat je een baan hebt. Maar de specialist waar we heengegaan waren was daar heel duidelijk in: van de hele dag in je bed liggen krijg je geen burn-out.
- Dus toen?
- Toen ben ik met haar naar de kliniek gegaan. Helemaal van top tot teen alles laten doorlichten. Bloedonderzoek, scans, de hele santenkraam. Ze zei op een gegeven moment, toen we op de uitslagen zaten te wachten: wat als het nou een leverkwaal is? Net als mijn moeder? En toen ging ik me natuurlijk ook allemaal dingen in mijn hoofd halen.
- Logisch.
- Wat als het nou een tumor is? Ik bedoel: iemand die zestien uur per dag slaapt, dat is niet goed. Toch?
- En toen? Wat zeiden de doktoren?
- Geen ME. Geen tumor. Geen leverkwaal. Blijkt dat ze gewoon lui is.


Posted by jaeggi at 12:24 am

02 juni 2006

al mijn opgedronken lenzen

Elke ochtend als ik mijn ogen open is het alsof ik ’s nachts in een aquarium gevallen ben. De kamerjassen aan de deur zijn bossen wuivende kelp. De bank waarop onze kleren in slordige bergen liggen is een koraalrif. Pas als ik op de tast mijn bril gevonden heb – net een glimmend kreeftje – wordt het aquarium weer een kamer.
Ik heb links –10 en rechts –9. Dat was tenminste de stand bij de laatste meting door de opticien, maar ik vermoed dat ze sindsdien weer slechter zijn geworden, want ik kan uithangborden op honderd meter niet goed meer lezen, en dat kon ik twee jaar geleden nog wel. Ik weet dus al twee jaar dat mijn ogen slechter worden, maar ik kom er niet toe een nieuwe test te doen. Sterker nog: ik heb al drie keer een afspraak gemaakt bij de opticien, en drie keer ben ik niet komen opdagen.
Ik heb al slechte ogen vanaf de lagere school. Klassiek geval: mijn prestaties gingen ineens hard achteruit, en aangezien ik al een tijd niet op mijn hoofd gevallen was waren er twee mogelijkheden (ADHD, dyslexie en NLD waren nog niet uitgevonden): óf ik was te stom, óf ik zag niet goed. Ik werd een paar banken naar voren geschoven en verdomd, ineens haalde ik weer zessen in plaats van vijven. Dit herhaalde zich een paar keer, tot ik helemaal vooraan in een bankje met mijn neus tegen het bord gedrukt zat.
Ik heb gekrijst en geschreeuwd toen ik die eerste bril kreeg. Zelfs als ik hem wegmoffelde op schoolavonden bleef je herkenbaar als brildrager door je uilenblik en de dieprode moeten bij je neus. Vierdeklassers herkenden een brildrager op vijftig meter afstand. Ze kwamen voor je staan en lieten je je bril opzetten, waarna zij hem in je gezicht ramden.
Contactlenzen waren een hele opluchting. Kapotte glazen had je niet meer, dus hoefde je ook niet meer weken door een barst naar de wereld te kijken, totdat je ouders vonden dat je genoeg gestraft was voor het breken van weer een glas. In plaats van al die gebroken glazen kreeg je oogbollen die voortdurend traanden en aanvoelden alsof iemand er met een schuurpapiertje overheen was gegaan. Tot een gisse opticien voorstelde om het eens met zachte lenzen te proberen.
Paradisum! Eindelijk was je net als iedereen! Ook je liefdesleven knapte er enorm van op: al na een week mocht je blijven slapen bij een meisje dat je daarvoor geen blik waardig had gekeurd. Je had weliswaar je lenzendoosje niet bij je, maar een glas water werkte ook. Je zette het glas naast je hoofdkussen, waar je het terugvond toen je ontwaakte na een hete, zweterige nacht, met dorst als een kameel.
Ach, al mijn opgedronken lenzen. Je zou er een satelietschotel voor het ontvangen van Al Jazeera van kunnen bouwen. Bovendien ging zo het grootste plezier van zo’n ochtend verloren: te zien hoe zij het bed verliet. Sanne Wallis de Vries heeft ooit in een interview gezegd dat ze liever niet ‘s ochtends bloot haar bed uitkwam, tot ze zich realiseerde dat het niks uitmaakte, omdat haar vriend – die kennelijk even slechte ogen heeft als ik – toch niks van haar zag, behalve een vleeskleurige schim die richting wc bewoog. Dat beeld herken ik wel.
Nu ligt al al een paar jaar mijn genezing vlak om de hoek. Voor vijfduizend euro heb je 98 % kans op perfecte ogen. Dertig jaar geleden zou ik het meteen gedaan hebben. Stél dat ik het geld bij elkaar krijg, stél dat ik de operatie doe, en stél dat die lukt: dan word ik op een ochtend niet wakker in een aquarium, maar in de echte, heldere wereld. Maar het idee dat ik al die tijd heb rondgelopen in een schemerige onderwaterwereld, terwijl ik nu slechts één klein sneetje verwijderd ben van goede ogen - nee, zo makkelijk horen de dingen niet te gaan.


Posted by jaeggi at 11:44 pm