« april 2006 | Main | juni 2006 »

31 mei 2006

minnaar

De voornaamste eigenschap van een goede minnaar is dat hij zich nooit afvraagt of hij een goede minnaar is. Het probleem is dat hij dit gemeen heeft met slechte minnaars.
Mannen vragen zich liever niet af of ze iets wel goed doen. Al vallen de brokken pleister uit het plafond, ze gaan rustig door met hameren en schroeven. Liever rijden ze bij nacht en ontij eindeloze rondjes over achterafweggetjes dan dat ze aan een voorbijganger de weg te vragen. En ze laten nog liever seks geheel achterwege dan te vragen of ze het ‘goed doen’.
Er bestaan natuurlijk wel mannen die, terwijl ze met één hand naar hun sigaretten tasten en met de andere afwezig het plakkerige lichaam naast zich strelen, het kunnen opbrengen om te vragen: ‘Was het voor jou ook lekker?’ Maar dat zijn uitzonderingen.
Net als een auto zich niet voortdurend afvraagt of hij wel een goed voertuig is, zo gaat een man ervan uit dat het wel goed zit. Hij is immers een man. Dat moet genoeg zijn.
Nu weten we natuurlijk al sinds de introductie van de eerste Lieve Mona-rubriek dat dit een misverstand is, maar er is wel een goede reden voor: een minnaar die het moet vragen is geen goede minnaar. Als hij ook maar de minste onzekerheid toont is hij het al niet meer. Vrouwen laten daar geen enkel misverstand over bestaan: het meest opwindend aan een man is de grootte van zijn… zelfvertrouwen, precies.
Ik heb een vriend, hij heet Hugo, die hier een geweldig succesvol seksleven op gebaseerd heeft. Uit de verhalen van zijn ex-vriendinnen maak ik op dat hij een geweldige minnaar is. Natuurlijk maakt me dat nieuwsgierig, maar als ik verder vraag krijg ik steevast een klaagzang te horen over alle manieren waarop Hugo ze belazerd heeft. Niets over bedprestaties, cadeautjes, attenties of onverwachte vakantiereisjes: Hugo’s aantrekkingskracht bestaat er vooral uit dat het hem geen ene moer kan schelen wie er in zijn bed ligt, als ze de volgende ochtend maar op tijd, dat wil zeggen vóór hij wakker is, de deur uit zijn.
Ik weet heel zeker dat Hugo nooit iemand gevraagd heeft of ze ook was klaargekomen. Het idee alleen al is absurd: alsof Leonardo da Vinci aan Mona zou vragen: ben je een beetje tevreden zo of moet de glimlach nog wat breder?
Toch is Hugo’s manier niet de enige. Die andere grote minnaar, Giacomo Casanova, deed precies het tegenovergestelde. Elke nieuwe vrouw wist hij al bij de eerste kennismaking ervan te overtuigen dat zij de liefde van zijn leven was. Eeuwige trouw beloven wekt bij vrouwen een of ander hormoon op waardoor ze als was in je handen worden, en, zeker niet onbelangrijk: het maakt niets uit of je je belofte nakomt. Casanova was altijd met een week of twee weer verdwenen. Mijn vriend Hugo heeft, afgezien van zijn huwelijk, nooit een relatie gehad die langer duurde dan de looptijd van het gemiddelde Talpa-programma, maar elke vrouw die hij ooit heeft gehad krijgt nog steeds een dromerige blik in haar ogen als ze het over hem heeft.
Ik moet toegeven dat het me weleens zwaar valt, vooral omdat zo’n ex, als Hugo even naar de wc is, steevast een arm om me heen slaat, me een kus op mijn neus geeft en zegt: ‘Hè, jij bent eigenlijk veel leuker dan die klootzak. Waarom kan ik nou niet op jóu verliefd worden?’
Omdat ik geen grote minnaar ben, denk ik. Het lukt mij gewoon niet om iemand de volgende ochtend meteen het bed uit te trappen. Ik maak af en toe zelfs de basisfout om een ontbijtje te serveren – al heeft Hugo me streng verboden om daarbij een roos in een vaasje naast de versgeperste jus te zetten. Ook bel ik altijd netjes twee dagen later op om te vragen hoe het gaat, of ze goed is klaargekomen, en of ze zin heeft binnenkort een nieuwe afspraak te maken. Over het algemeen valt dan een korte, pijnlijke stilte, waarin op de achtergrond duidelijk de ringtone van Hugo’s mobieltje te horen is.

Posted by jaeggi at 12:36 am

29 mei 2006

de multiblurb

Een van de moeilijkste taken voor een schrijver (of redacteur) is het opstellen van de zgn. 'aanbiedings- en achterplattekst', ook wel blurb geheten.
Hoe vat je het werk van een schrijver in een paar regels samen? Hoe geef je thema, plot, literaire ambitie én verkoopargumenten in een tekst van maximaal 200 woorden? Schrijvers van vuistdikke romans staan machteloos als het om het samenvatten van hun eigen werk gaat.
En dan hebben we het nog niet eens over dichters. Hoe vat je kort en toch alomvattend een dichtbundel samen?
Dat eeuwenoude uitgeversprobleem is nu opgelost door uitgeverij Passage uit de literaire wereldstad Groningen. Zij schreven, gratis en voor niets, de multifunctionele blurb - vooral te gebruiken voor achter op dichtbundels, al kan dit verkoopproza ook heel goed dienen voor een experimentele roman of punknovelle. De volgorde van de zinnen doet er niet toe, u kunt in onderstaande tekst naar hartelust knippen, plakken en scheuren.
Vul daarna naam van de betreffende dichter/schrijver en de titel van de bundel in, en klaar is uw flaptekst.
Uitgeverij Passage, namens alle collega's: bedankt!

Multiblurb:
'De schrijver noemde graffiti de ultieme liefdesverklaring en kleurrijke neonreclame de onontkoombare poëzie voor de nachtelijke dwaler. In **titel** gebruikt **schrijver** een donker, op de Middeleeuwen geïnspireerd palet. Hij schildert met verschillende tinten omber die laag over laag worden aangebracht de ongrijpbare liefde, die opbloeit waar het slagveld begint. De witte vlag wordt er niet gehesen, niemand wordt gespaard. De dichter ‘verheft stem’. Woord wordt wapengekletter.
Ontsnapping uit de stad is een vlucht met een boot over gedempte kanalen. Sleurend met de lorrie over rails naar onbekende stations in de verte. In vogelvlucht over hoge torens. Dan loskomen voor een
nieuwe benadering. In de aarzelende schemering blijkt de polariteit
tussen licht en duisternis opgeheven. De wereld is een film-noir, de maan een toverlantaarn en op de muren dansen de schaduwen hun schimmenspel. De dichter speelt alle rollen. De idee is poëzie.
Eindelijk is de steeg de grot geworden. Het is tijd om weer te lopen, de nacht in, de ochtend tegemoet.
**titel** is een galaxy aan gevoelens. De dichter beukt ermee tegen ingeslapen emoties. Doet de palissaden rondom de geest wankelen. Houdt zich echter op tijd in, want ook hij wil zich blijven koesteren aan het warmte uitstralende middelpunt; Het Leven.'


(vul in:
- aantal pagina's
- verkoopprijs
- verschijningsdatum
- lokatie presentatie
- aantal consumptiebonnen p.p.)

Posted by jaeggi at 10:17 am

28 mei 2006

laatste dagboek

Enige tijd geleden schreef ik hier over de Engelse schrijver en bioloog W.N.P. Barbellion en zijn meesterlijke Dagboek van een teleurgesteld man. (Meer biografische info over Barbellion hier)

Van zijn Dagboek was ik danig ondersteboven. Wie kan zich dan mijn overstelpende vreugde voorstellen toen ik langs boekhandel Athenaeum op het Spui reed en daar het dierbare gezicht van de schrijver in de etalage zag liggen? Op het omslag van een nieuw boek! Eerst dacht ik dat het een heruitgave van het oude Dagboek, maar het blijkt een geheel nieuwe uitgave: Laatste dagboek, net als het eerdere Dagboek vertaald en van noten voorzien door de onmisbare Harry Oltheten, een bij het grote publiek onbekende maar zeer produktieve en goede schrijver, niet van romans - daar zijn er meer dan genoeg van - maar van razend interessante boeken over onder meer cricket en Go Ahead Eagles. En hij is de ontdekker van Barbellion voor Nederland.
Het Laatste dagboek is zo mogelijk nog schrijnender dan Dagboek van een teleurgesteld man. Barbellion zit hierin letterlijk op zijn dood te wachten (hij leed aan multiple sclerose en werd niet ouder dan 30). Zijn grootste angst was dat hij zou sterven voordat zijn Dagboek van een teleurgesteld man van de drukker zou komen. Het wachten op een nieuw boek kan tergend zijn, maar dit moet wel de ultieme beproeving zijn geweest. Uit Harry Oltheten's voorwoord: 'De verlossing kwam op 27 maart 1919. 'Ik heb gewonnen, het boek arriveerde vanmorgen om negen uur.'
The journal of a disappointed man bevatte na de laatste aantekening de redactionele noot dat Barbellion stierf op 31 december 1917. Dat was dus niet waar. Hij zou nog bijna twee jaar leven. Gevraagd naar het waarom van zijn premature doodsaankondiging zei hij sardonisch lachend: 'Niemand mag in leven blijven na het schrijven van zo'n boek.'


Posted by jaeggi at 02:46 pm

24 mei 2006

Anders' Grote Ontdekking

Ik zou graag degene bedanken die op het
idee kwam om dekbedhoezen aan de
bovenkant te voorzien van ongeveer
tien centimeter lange spleten
waar je hand door kan. Zodat je
nooit meer blind hoeft te worstelen
op zoek naar de losse wapperende
hoespunt voor je dekbedhoek.

Waarschijnlijk komt hij uit Zweden.
Waarschijnlijk is hij getrouwd
en heet hij Anders. Zijn vrouw is blond
en slank. Ze hebben een dochtertje, Annika.
Graag hadden ze nog een kindje gehad,
maar het lot heeft anders beslist.

Anders werkt al jaren als produktie-
medewerker op een fabriek van beddegoed
en boxsprings? Ik tast hier in het duister,
ik heb werkelijk geen idee of beddegoed
en boxsprings uit dezelfde fabriek komen.
Waarschijnlijk niet. In ieder geval, op een dag
merkt Anders, die tijdens de lunchpauze

graag doorwerkt, niet om zijn
collega's voor schut te zetten
maar omdat hij van werken houdt -
zulke mensen bestaan -, dat er iets
niet goed is met de dekbedhoezenmachine.
Een losgeschoten veer, een verbogen
radiaalnift, de precieze oorzaak
is vooralsnog onduidelijk maar wat
vaststaat is dat sommige dekbedhoezen
waarschijnlijk onherstelbare schade
hebben opgelopen.

U voelt het misschien al aankomen.
Anders gaat naar het magazijn en
controleert alle dekbedhoezen,
de hele produktie van die ochtend
op fouten. Zo is Anders. Een stuk of
twintig hoezen zijn geheel verwoest.
Overal scheuren. Die gooit Anders
weg. De overige produktie, rond de
tweehonderd hoezen (dit is misschien
het moment om te verklappen dat het
maar een kleine fabriek is,
zelfs voor Zweden) lijkt,
goddank, op het eerste gezicht
ongeschonden. Als Anders echter
beter kijkt ziet hij dat twee van de
dekbedhoezen met walvisprint een
scheurtje hebben opgelopen, om precies te zijn:
op de naad, aan de bovenkant
ter linker- en rechterzijde.

Hij staat op het punt deze hoezen
weg te gooien, hij loopt
zelfs al naar de grote, blauwe
container voor rest- en recycleproducten
als, misschien voor het eerst in
zijn leven, zijn geest zo helder wordt
als een pasgewassen auto. Hij staat stil.
Hij schudt ongelovig zijn hoofd. Dan
rolt hij slordig de hoezen op en
loopt naar zijn ploegchef, waar
hij twee minuten vraagt en krijgt,
om naar de wc te gaan.

Naar de wc gaan doet hij niet.
Hij bestijgt de trappen naar de tweede
en tevens bovenste verdieping, waar de
directie, groot twee leden, van de kleine
Zweedse dekbedhoezen- en boxspring-fabriek
zetelde. De twee oudere heren, die bij
Anders' binnenkomst over de jaarcijfers
gebogen zitten, die dit jaar wederom niet
florissant zijn, klaren onwille-
keurig op bij het zien van Anders'
vrolijke gezicht.

Zij mogen hem graag. Anders is een
van hun trouwste werknemers, reeds
dertien jaar bij het bedrijf, zijn
vrouw staat bekend om haar zonnige
karakter en haar medewerking aan
de jaarlijkse dorpsfesten, in het bijzonder
de kinderbraderie. Hun kleine Annika is
stil maar doet het goed op school. Toch
is het ongebruikelijk dat een werknemer

als Anders de directiekamer betreed. Zij
zijn dan ook ten prooi aan gemengde
gevoelens als zij hem zijn allereerste
stappen op het, overigens danig versleten,
directietapijt zien doen. Verbazing
vermengd met lichte verontwaardiging
is hun voornaamste emotie, maar tevens
een lichte spanning, veroorzaakt door
Anders' dromerige glimlach. Het lijkt
warempel wel of hij onder hypnose verkeert!

Als
Anders de 'beschadigde' dekbedhoezen
ontrolt en zijn idee begint uit
te leggen begrijpen zij er aanvankelijk
helemaal niets van.


Posted by jaeggi at 11:36 pm

23 mei 2006

nergens is een veilig plekje (II)

Niets wordt ons bespaard.
Alles wordt ons afgenomen.
Nergens is een veilig plekje.
Iedereen is gek.

Op dinsdag 30 MEI a.s. vindt de laatste uitzending plaats van Music Hall, VPRO's literair radio variété magazine (onderdeel van De Avonden) op Radio 747. Het wordt een 2 uur lange extra feestelijke uitzending LIVE, vanuit Studio Desmet, Amsterdam, 21.00 tot 23.00 uur.

MET
De Laatste Dinsdag van Thomas Verbogt - spraak en zang van Wim de Bie - gedichten van Frank Koenegracht - In Memoriam Buck Owens van Esther Gerritsen - Dans Dialoog van Han Buhrs & Marije Nie - Meesterlijke Miniatuur van A.L. Snijders.
En....Wim Noordhoek! Met het roemruchte 'Reserve-verhaal'
Het MUSIC HALL ORKEST O.L.V. GERT JAN BLOM speelt 10 GEKKE LIEDJES
met gastzangers Jonathan Brown, Bart De Ruiter, Marjolein van der Klauw, Jac Bico. Presentatie is in de even tedere als mannelijke handen van Jaap Boots.
Toegang gratis/ Inkom vrij.

Dit is de laatste keer dat u het programma kunt bijwonen.
De allerlaatste keer. (Zie blog hieronder)

Alles wordt ons afgenomen.


Posted by jaeggi at 01:17 pm

nergens is een veilig plekje

Niets wordt ons bespaard.
Alles wordt ons afgenomen.
Nergens is een veilig plekje.
Iedereen is gek.

Zoals we allemaal wel beseften nog voor we eraan begonnen: het wijd verbreide en luide protest van schrijvers, dichters, muzikanten en andere belangrijke mensen tegen het verdwijnen van het briljante en legendarische radio-programma De Avonden heeft niets uitgehaald.
Hoe onvoorstelbaar krankjorum dat is - en hoe stijfkoppig de verantwoordelijke autoriteiten zijn - moge het onderstaande uitwijzen.
Allereerst volgt hier het juryrapport van de vakjury die het programma afgelopen maand de Zilveren Reissmicrofoon toekende. Met zo’n rapport - dat je ook kunt zien als het zoveelste protest tegen het verdwijnen van De Avonden - zou je vroeger cum laude afgestudeerd zijn. Toch moet De Avonden verdwijnen van de beleidsmakers van de publieke omroep.
Alles wordt ons afgenomen.

Juryrapport
'Sinds januari 1995 maakt de VPRO een cultureel-informatief radioprogramma dat tot nu toe alle Hilversumse vernieuwings- en veranderingsdrang heeft overleefd. Vijf avonden per week brengt De Avonden een culturele mix op 747, waarin een breed palet aan literatuur, poëzie, beeldende kunst, non-fictie, documentaire, hoorspel, film, architectuur en theater de revue passeert. Een uitzending die bij uitstek de opdracht van de publieke omroep waarmaakt. Waar elders vindt men een programma dat drie uur achter elkaar kunstuitingen uit binnen- en buitenland over het voetlicht brengt?
Bij de start, tien jaar geleden, nam De Avonden een groot risico. Kunst en cultuur is slechts aan een kleine schare besteed, zeker als je het uitzendt op de radio. Immers, hoe proef je een schilderij wat je niet ziet, hoe bekijk je een film zonder beeld? De Avonden prikkelt de verbeelding in het kwadraat: kunst ontspruit aan de verbeelding en de luisteraar mag zijn eigen verbeelding in gang zetten om zich de uitzending eigen te maken. `Film voor je oren’ noemen de programmamakers dat.
De Avonden mag rekenen op een kleine maar niettemin trouwe groep luisteraars, die intensief bij het programma wordt betrokken. In een vaste rubriek wordt post van de luisteraar beantwoord en in `Schone zaken’ mag hij vertellen over het boek of het schilderij dat hem in het hart heeft geraakt. De Avonden is publieksvriendelijk zonder concessies te doen aan de kwaliteit of te verzanden in oppervlakkig geneuzel. De moderne tijdgeest waarin alles leuk en luchtig moet zijn en die een virulente allergie kent voor alles wat naar hoge cultuur riekt is aan dit programma voorbijgegaan.
De Avonden is inventief en vernieuwend. In `Het gesproken uitzicht’ vertelt een gast over wat hij ziet als hij uit zijn raam blikt, onbekende dichters krijgen in `De levende dichters almanak’ een kans hun poëzie te vertolken en in interviews met kunstenaars schromen de programmamakers niet om ontregelende vragen te stellen (Schilder: ‘Dit vlak overviel mij.’
Interviewer: ‘Hoezo? Je was er toch zelf bij?’)
De Avonden is een oase van rust in een omgeving van kwetterende en schetterende radiostations. In `De droomhandel’ neemt een wisselend panel van kunstcritici uitgebreid de tijd om nieuwe boeken, films, tentoonstellingen en cd’s diepgaand te bespreken. Interviews met kunstenaars mogen gerust een half uur of langer duren.
De Avonden wil actueel zijn, maar loopt niet hijgend achter de waan van de dag aan, getuige de rubriek `De aard van Nederland’, waarin de historie van het Nederlandse landschap wordt belicht.
De Avonden biedt schoonheid en troost in de uren van schemering. Een verheffend programma dat er op uitnemende wijze in slaagt een onzichtbare cultuurschat slechts met het instrument van de stem zichtbaar te maken. En daarom maar moet verdwijnen, vinden de Hilversumse beleidsmakers. Om plaats maken voor lichte muziek. Alsof de publieke omroep dáár nog een taak te vervullen heeft.

En voor wie nog wat verbazing en woede over heeft: hierna de toespraak die Wim Brands, eindredacteur van De Avonden, uitsprak bij de uitreiking van de Zilveren Reissmicrofoon op 18 mei 2006.

Dames en heren,

Ik ben een gebraden haan.
Ik leg dat even uit.
In dezelfde week dat de Avonden een prijs krijgt werd duidelijk hoeveel geld de Publieke Omroep ons heeft toebedeeld om vanaf september uitzendingen te maken op een nieuw
Hilversums kabelkanaal. Van de oude zender zijn we dit jaar ondanks goede beluistering al wegbezuinigd.
Wat zal ik zeggen?
Ik voel me de ridder uit Monty Python die als armen en benen vakkundig van de romp zijn gescheiden nog steeds roept: Fight like a man.
Ik klaag niet, ik wil alleen wel kwijt dat hier feitelijk wordt afgerekend met een mentaliteit. Want dat is De Avonden tot nu toe - een geschiedenis van een mentaliteit.
Voor ons kon elke bezoeker Jezus Christus zijn, om met de Benedictijner monniken te spreken, vanaf het moment dat we in '95 begonnen zijn we een springplank geweest voor wie zich maar aandiende met interessante radiovoorstellen.
Dus hebben we naast onze reguliere cultuurverslaggeving ooit een paar schrijvers in de Euromast opgesloten, alleen met internet, om te onderzoeken hoe je dan de werkelijkheid waarneemt, in een tijd dat de meeste huishoudens nog geen computer hadden, theatervoorstellingen uitgezonden, documentaires, dagelijks brachten we Hans Teeuwen, Pieter Bouwman en later Theo Maassen als de mannen van de radio, werkten samen met kranten, en in ons literaire programma-onderdeel Music Hall schreef een piepjonge Arnon Grunberg aan een boek dat later Blauwe Maandagen ging heten.
We maakten opnamen met Gerard Reve en Hermans.
Kan iemand mij uitleggen wat hier mis mee is?
En in deze geest willen wij eigenlijk gewoon doorgaan, de plannen liggen klaar.
We hebben altijd efficiënt gewerkt en ons gedragen naar het gegeven dat radio een snel medium is - en eenvoudig.
Maar niet eenvoudiger dan dat.
Waarom moet De Avonden in een uithoek?
Dat ik tot nu toe geen afzonderlijke medewerkers heb bedankt heeft te maken met wat ik hiervoor schetste: we waren en zijn een springplank - de lijst zou een toespraak lang worden. Twee mensen wil ik wel apart noemen omdat ze van meet af aan bij het programma waren betrokken en op geheel eigen wijze onverstoorbaar doorgingen: producer Wil Hassink, en Wim Noordhoek, die me diep in '94 belde om - zoals gebruikelijk - een lang verhaal over niets in het bijzonder te vertellen, waarna de aap pas aan het einde uit de mouw kwam: O ja, ze hebben gevraagd of we - en dat is dan over een week of vijf - tien uur willen maken. Doen, zei Wim toen direct, leer dat van mij: je moet altijd ja zeggen. En dat doen we zeker tegen deze Zilveren Reissmicrofoon.

Posted by jaeggi at 01:02 pm

22 mei 2006

luxeproblemen

Voor onze derde housewarming kregen we een espressosetje: een soort Italiaans designachtig rekje waarin zes espressokopjes (pastel-paars, pastel-oranje, pastel-groen, pastel-geel, pastel-rood, pastel-mauve) en de zes bijbehorende schoteltjes op een gewiekste manier zijn opgehangen. Twee weken lang naar volle tevredenheid gebruikt: je tilt het bovenste kopje eruit en pakt daaronder het bijbehorende schoteltje. Kindje in de kolenbak.
Eergisteren ging het mis. Mijn vriend H. dacht even te moeten helpen bij de borrel. Kan ik iets doen? vroeg hij, en ik zei: ja, doe even de kaas en de mosterd op een schoteltje.
Maar niet die! riep ik, maar het was al te laat. Hij had een grote veeg mosterd op het pastel-mauve bordje gesmeerd. Dat moest dus in de vaatwasser, na afloop. Het probleem was nu dat het pastel-mauve kopje zich op dat moment bovenaan in de Italiaanse design-sleuf bevond. De eerstvolgende keer dat wij koffie dronken moest ik er dus een niet bijpassend schoteltje onder passen, of halsbrekende toeren verrichten om het verlangde kopje onder de andere vandaan te wurmen. Niet een ontspannen espressomoment zoals je je dat voorstelt.
Het werd dus het rode schoteltje. U voelt hem al aankomen: de eerstvolgende keer dat wij koffie zetten stonden het pastel-paarse en het pastel-gele schoteltje tegenover elkaar.
Omdat wij niet tegen vloekende pastelkleuren kunnen, hebben we kordaat het hele pastel-servies in de vaatwasser geplaatst en daarna, schoon, weer in het designrekje teruggezet.
Maar de orde is weg.
Zolang we er enkel espresso uit dronken ging het best, maar de ban is nu gebroken: op de een of andere manier is altijd het schoteltje dat je nodig hebt zoek, en pas na lang en verbeten speuren vind je het terug onder de pot van de clematis, krioelend van de pissebedden. Ook geen espressomoment.
Ik drink mijn koffie nu weer uit een mok met het opschrift: ‘Verliefde mensen leven langer.’


NB Liefhebbers van dit blogje lazen ook dit.


Posted by jaeggi at 12:04 am

18 mei 2006

een korte samenvatting van de oneindigheid

Ik put veel troost uit deze woorden (langzaam lezen):

'Not only here, but elsewhere, this conception of infinity, often disguised in related notions, emerges as an absolute metaphysical evil that operates in the cosmos as a seed of disorder an absurdity. There is nothing more dangerous than the loss of limits and measure. This is the error caused bij the infinite: we lose sight of the meaning implicit in the relative perfection of what is concretely determined and formally complete, and so are led astray into the void or into a labyrinth with no exit.'

Dit is een citaat uit Paolo Zellini's A brief history of infinity, een boek dat ik inmiddels ongeveer twee maanden in mijn bezit heb (het is nog te koop bij de ramsj-afdeling van Scheltema, 7,50 voor de Oneindigheid, geen geld), en veel verder dan deze derde alinea ben ik intussen niet gekomen, maar dat geeft niet: het beeld van de zwarte put onder ons en de wemelende oneindigheid boven onze hoofden, en wij daar tussenin, bezig met koffie zetten en weblogs bijhouden en SMS-sen en het WK komt eraan en Dennis bedankt, het is van een enorme, nooit eindigende, gitzwarte, absurde troost.


Posted by jaeggi at 10:02 am

beau

Even voor de goede orde: ik interview niet.
Het zijn mooie tijden voor de liefhebbers van interviews want elke krant, elk AD-magazine, VK-magazine, NRC-Next en Parool-PS staat er vol mee, pagina's lang, en dan hebben we het nog niet over de glossy's en de vrouwenbladen en al helemaal niet over al die kleine interview-rubriekjes ('Een minuutje bellen met...') die als brain-candy over de pagina's van Metro en Spits gestrooid zijn, voor de arme lezer die het harde nieuws niet meer aankan en zijn uitgeputte brein even te rusten wil leggen op wat nietszeggende kreten van d'een of andere windsurfer of prijswinnende banketbakker die zijn vijftien minuten van roem beleeft.
Maar ik hou niet zo van interviews. Zelf geinterviewd worden is al geen pretje (ik besteed uren aan het herschrijven ervan), maar zelf interviewen is nog erger. Er zijn maar weinig mensen bij wie ik niet het gevoel hebt dat ik beter buiten zou kunnen lopen en tegen een bal schoppen op een kaalgetrapt veldje, of dat ik me op een of andere leeghoofdige borrel volstrekt belachelijk zou moeten lopen maken bij een veel te hoog gegrepen versierpoging, alles beter dan deze man of vrouw interviewen.
Bovendien kan ik helemaal niet interviewen.
Dat is een vak.
Dat gezegd zijnde: hieronder het interview dat ik hield met Beau van Erven Dorens voor het blad Elle. Het ligt nu in de winkels, met foto's erbij (voor als u zou willen weten hoe Beau er ook alweer uitziet).

NB Het enige andere interview dat ik ooit afnam staat hier


Vraag nooit aan een man wat hij ‘een leuke man’ vindt. De kans is groot dat hij geen enkele andere leuke man kan noemen. ‘Een interessante man dan?’ oppert de redactie van Elle. ‘Wat is nou een interessante man die jij zou willen interviewen?’
‘Eh… Paul Witteman?’
‘Néééé!’ klinkt het aan de andere kant.
‘Had ik trouwens al gezegd dat ik niet kan interviewen?’ vraag ik.
‘Maar het hoeft niet een echt interview te zijn. Gewoon een gesprek tussen twee mannen over van alles, wat mannen bezighoudt, hun passies, hun…’
‘Beau,’ zeg ik. ‘Beau van Erven Dorens. Maar wacht even, die is al hónderd keer gedaan. Hanneke, Tatum, Annemarie Oster. Nee, toch maar niet.’
‘Beau,’ zegt Elle. ‘Helemaal goed.’
‘Zeker weten?’
‘Absoluut,’ zegt Elle. ‘Beau is geweldig.’
‘De redactie van Elle vindt je geweldig,’ is mijn openingszin, maar helaas blijft hij ongebruikt, want ik ben een half uur te laat in het restaurant. Beau zit er al. Ik maak uitgebreid mijn excuses, maar Beau is het kennelijk gewend, mensen die te laat komen, of het kan hem niks schelen, of misschien is hij gewoon te moe. Zijn ogen zitten half dicht. ‘Ik heb net mijn zoons naar bed gebracht.’
Mijn oog valt op het pakje sigaretten op tafel.
‘Zijn die van jou?’
‘Nee, van mij,’ zegt een vrouw aan de tafel naast ons. ‘Maar je mag er wel een.’
‘Dan wil ik er ook graag één,’ zegt Beau.
‘Rook jij veel?’ vraag ik.
‘Ik ben al een jaar gestopt.’
‘Toevallig,’ zeg ik. ‘Ik ook.’
We zitten goed in restaurant Lof, in de knusse opkamer met uitzicht op de keuken. Op de houten tafel staat een zoutpot uit de Franse supermarkt, theedoeken dienen als servetten, de muren zijn van ruwe baksteen. De obers hebben er een vriendelijke grote bek. Op de een of andere manier leek dit me de juiste tent om met Beau te gaan eten.
Ik neem hem eens goed op: hij draagt een bruin fluwelen colbert met bloemapplicaties van Hans Ubbink, daaronder een shirt met wilde print. Hij wijst op zijn nieuwe leren enkellaarsjes van Paul Smith. Maar dit wist ik van tevoren: naast Beau voelt elke man zich underdressed. Ik heb me expres niet geschoren.
Beau blaast een rookpluim uit.
‘Nee, de tijd van het pakjes wegblaffen is echt voorbij. Gauloises zonder filter, shaggies van krantenpapier in arme tijden: het móét voorbij zijn. Daarom geloof ik ook dat dat zo is. Ik bedoel, hoe oud zijn we nou?’
‘Tweeënveertig,’ zeg ik.
‘Ik ben vijfendertig. Maar ik zie eruit als zestig. Ik ben zó moe. En jij bent vader van hoeveel?’
‘Twee dochters. Drie en zes.’
‘Vier heb ik er. Vier zonen. Een tweeling van vier, een van twee en een van vijf maanden. Het is echt het mooiste dat er bestaat. Maar je mag er nooit over schrijven. Heb jij dat wel eens gedaan?’
‘Ja. Bij Volkskrant Magazine heb ik een keer een column ingeleverd over mijn oudste dochter, toen die voor het eerst naar school ging. Fijne sentimentele column over gemaakt. Kreeg ik een mailtje van de hoofdredactrice: Adriaan, wat maak je me nóu?’
‘Geweigerd?’
‘En terecht. Als je een bepaalde rol speelt als columnist, in mijn geval de macho van het magazine, dan kun je niet ineens de sentimentele dweil gaan uithangen.’
Beau schudt beslist zijn hoofd.
‘O, ik vind dat niet erg, ik ga er dwars doorheen, al dat grote sentiment. Ik laat het vrijelijk bezit van me nemen. Ik vroeg laatst mijn zoon Tijn of hij wist wat dood was. “Ja,” zei Tijn, “dat je er dan niet meer bent en dat iemand je dan oppakt.” Jezus, als ik nu goed mijn best doe kan ik meteen weer in tranen uitbarsten.’
We wisselen een halfuur lang anekdotes over de kinderen uit. Pas als de serveerster aan onze tafel hurkt om het menu op te sommen en we een keuze hebben gemaakt (oesters en champagne, gevolgd door risotto voor Beau en zeebaars voor mij) realiseer ik me dat we makkelijk een hele avond zo door zouden kunnen gaan, maar dat er ook nog mensen zijn die dit moeten lezen. Snel breng ik het gesprek op de literatuur.
Beau: ‘Ik zou graag een boekje uitbrengen met als titel: Daphne Deckers, move over. Het echte verhaal. Ik heb bijvoorbeeld wel eens serieus gedacht: als ik mijn kind nu uit het raam gooi, helpt dat dan?’
Ik knik.
‘Weet je nog hoe er een paar jaar geleden ineens allemaal van die lepe boekjes van jonge vaders waren? Over hoe dat was, een kind krijgen. En dan gingen ze halfnaakt op de foto met hun baby, op het omslag.’
We rillen eendrachtig bij de herinnering.
We zijn halverwege de champagne als de voorgerechten worden gebracht. Een forse rivierkreeft ligt wijdbeens bovenop het mijne.
Beau zegt: ‘Zo’n schrijverscarrière, is dat niet de dubbeltjes bij elkaar sprokkelen om te kunnen leven? Als je Reve leest, wat voor zware tijden die allemaal heeft doorgemaakt, en toen had hij De avonden allang geschreven. Die hele periode in de jaren zestig was één groot dráma, ellende, alcoholisme, zelfmoordneigingen, ármoe.’
Ik wil tegenwerpen dat het ook zijn leuke kanten heeft, zoals elk jaar dat verrukkelijke Boekenbal, maar de serveerster staat alweer bij onze tafel en vraagt of we nog meer champagne willen. Beau krijgt een denkrimpel in zijn voorhoofd, dat overigens zeldzaam rimpelloos is voor een man met zoveel aan zijn hoofd.
‘Zullen we maar aan de wijn gaan? Anders worden we heel dronken. Ik ga trouwens debuteren binnenkort. Met een boek.’
‘Je hebt toch al twee boeken geschreven?’
Hij fronst. ‘Dat waren boekies. Het Studentenhandboek, een bundel columns. Ik ben nu met een echte novelle bezig. De eerste zin is: Er is altijd hoop, dat is de ellende. Ik heb nog een maand om het af te maken.
‘Maar met jouw leven, Talpa, columns, vier zoons, wanneer schrijf je dan in godsnaam?’
Beau spreidt zijn armen: ‘Altijd! Ik zeul zúlke pakken papier mee. Het mooiste is om half zes ’s morgens opstaan, koffie zetten, tot zeven uur schrijven, met de kinderen samen ontbijten en de dag te beginnen. Ik slaap heel weinig. Ik ben dag en nacht heen en weer aan het rennen. Mijn vrouw ook. Zij zorgt voor de kinderen; ik ben er ’s morgens vroeg bij en om tien uur kun je me afschrijven. Al ben ik wel wat selectiever geworden: ik heb net een halfjaar achter de rug van alleen maar tv. Teveel. Net als Linda (de Mol, AJ), die heeft zich ook over de kop gewerkt. Bij Boulevard was het een soort krantenwijk: ik deed mijn ding en ik was weg. Nu, in dit avontuur met Talpa, was het werken-werken-werken. En het is géén succes. Stel je voor, je hebt vijf jaar aan een boek gewerkt en het komt niet aan...’
Ik kijk naar zijn bord, dat zo schoon is alsof hij het afgelikt heeft. Ik kijk naar de tweede fles wijn, die ook alweer half leeg is. Het ideale moment voor een kritische vraag, zoveel weet ik wel van interviewen. Ik schuif het pakje sigaretten naar hem toe en informeer, met een onschuldig gezicht: ‘Had je de plannen van Talpa trouwens gezien van tevoren?’
Beau schudt het hoofd. ‘Nee, alleen maar de grootsheid ervan. Maar John heeft het allemaal voorspeld. Die zei: dit wordt een gevecht. En ik vecht mee. Ik heb dat gezin, en daar wordt je heel basaal van: vechten. Maar stiekem, dat boek... Daar zit mijn hart.’
‘Wat is de titel?’
Beau kijkt nu heel ernstig. ‘Pijn. Ik vind het niet zo’n goeie titel, jij?’
Zonder na te denken zeg ik: ‘Nee.’
Beau knikt. ‘Ik ben gaan schrijven en toen stond ineens die titel in de folder van de uitgever. Ik hoor trouwens dat Reve tegenwoordig zijn eigen poep eet, de arme man...’
Ik veer op. ‘Dat is wèl een mooie titel: Ik hoor dat Reve zijn eigen poep eet.’
Beau knikt, een beetje triest. ‘Ik hou van die man.’ Dan mompelt hij: ‘Ik heb nog een andere titel voor mijn boek. Maar die blijft geheim.’ Hij buigt zich over tafel en fluistert de titel in mijn oor. Ik knik. ‘Véél beter.’
Na dit intieme moment weten Beau en ik even niet waar we moeten kijken. Onze blikken glijden naar de keuken, waar op dat moment mijn zeebaars van zijn vel wordt ontdaan. Ademloos kijken we naar het sublieme fileerwerk van de kok.
‘Ik ben dol op koken,’ zegt Beau. Ik kijk hem streng aan, waarschijnlijk maakt hij een grap. ‘Als je nou ook nog zegt dat je drie keer per week kookt dan geloof ik je niet meer.’
‘Nee, ik kook altijd op zaterdag en zondag. Ik heb bijvoorbeeld een heerlijke zeetong klaargemaakt.’ Als hij mijn bedenkelijke blik ziet buigt hij geschrokken over tafel.
‘Mag je ook al geen zeetong meer eten?’
Ik schud mijn hoofd.
‘Maar kreeft is wel oké, toch? Er zijn meer kreeften dan ooit. Oesters ook, die worden allemaal gekloond.’
Ik moet hem teleurstellen.
‘Het is nog erger dan je denkt. Vanochtend las ik dat makreel ook al niet meer mag. Vanwege de bijvangst. Alle kleine Nemo’s en alle lieve vriendjes van Nemo. Van die visjes die je niet kunt verhandelen, maar die wel in die sleepnetten terechtkomen. Dat wordt allemaal opgevist en weer teruggepleurd in zee. Laat je kinderen het maar niet horen.’
Beau grijpt naar zijn hoofd. ‘Maar als je vlees niet kunt eten en je kan ook vis niet meer eten, wat ga je dan in godsnaam doen?’
‘Tofu,’ zeg ik.
‘Over my dead body! Ik heb er helemaal geen zin in om dat de hele dag te eten.’
Als de borden op tafel komen wisselen we een snelle blik. Dan vallen we aan. Na vijf happen legt Beau zijn bestek neer. ‘Toch vind ik het stuitend. Een van de voornaamste taken van de media en van schrijvers moet toch zijn om mensen bewust te maken van dit soort dingen. Ik zit zelf bij een nieuwsprogramma. Wij zijn ook overal achteraan aan het hollen om te zorgen dat je iets nieuws hebt in de hype. Daar word je behoorlijk cynisch van. Eigenlijk zou je alleen maar bezig moeten zijn met het ontmaskeren van dit soort dingen.’
Nadenkend drinken we de rest van de fles leeg en bestellen een nieuwe. Pinot gris betekent spraakwater in het Frans, besluiten we.
‘Denk jij dat dit nog wel een beetje interesant is voor de lezeressen van Elle?’ vraagt Beau bezorgd.
Ik haal mijn schouders op.
‘Jij bent interessant, ik ben interessant, dit restaurant is interessant: ik zou me geen zorgen maken.’
Beau knikt. ‘Ik ben gewoon de hele dag aan het rennen. Vroeger zat ik in een achtbaan, nu zit ik in een hele kermis tegelijk. Ik loop van hot naar her, ik struikel van de ene persoon naar de andere. Zondag waren de uitreikingen van de 3fm Awards, of was dat de zondag daarvoor? Ja, want afgelopen zaterdag zat ik op de huishoudbeurs. Over achtbanen gesproken. Maar goed, ik zat die avond bij Anouk op haar kleedkamer een wodkaatje te drinken en een sigaretje te roken nadat zij de 3fm Award had gekregen. En dat leek me nou zo fantastisch. Een popzanger te zijn. Alles eromheen kan gewoon wegvallen. Zo’n spannende wereld, die popwereld. Ik denk dat de profvoetballerrij ook zo iets is. Je wordt niet overal even vrolijk van, maar ik vind het wel van een heel hoog niveau…’
‘Denk dan even aan de roze overhemden die de Ajax-selectie twee jaar geleden aan moest trekken,’ werp ik tegen.
‘Hallo, met van die hele dikke dassen!’ Beau trekt een gezicht alsof hij de schoenen van Winston Bogarde ruikt, na een zware wedstrijd. Ik besluit dat Beau een veel te romantische kijk op de wereld heeft. Om hem te helpen vertel ik een paar van mijn meest troosteloze muzikanten-avonturen. Het busje dat je naar je optreden rijdt, de kleedkamers vol graffiti, de eeuwige afhaalpizza vóór het optreden, de halflege zalen, de piep in je oor en de uitputting als je om half vier ’s nachts op de Wibautstraat word afgezet. Maar Beau vindt het allemaal prachtig. Hij is niet van het idee af te brengen dat het leven on the road iets geweldigs is, wat ik ook zeg.
‘Een van de leukste dingen die ik dit jaar heb gedaan was een theaterprogramma samen met Liesbeth List. Ik las voor uit haar boek en we zongen duetten en ik zong zelf ook en speelde gitaar. Ik ben een enorme List-fan, dus dat was voor mij een droom die uitkwam, maar wat ik zo romantisch vond is dat je elke dag weer alles moest overwinnen. Je moet die hele zaal veroveren. Dat gevoel dat heb ik op televisie helemaal niet.’
‘Dat komt omdat je een natuurtalent bent,’ zeg ik. Het is niet bedoeld als compliment, en gelukkig vat Beau het niet zo op. Wel schenkt hij mijn glas nog eens bij en offreert me een sigaret uit het pakje van de mevrouw naast ons. Maar ik meen het, Beau op tv, dat voelt volkomen natuurlijk. Je voelt je nooit ongemakkelijk als kijker. Bij Barend & Van Dorp kan ik nauwelijks op mijn stoel blijven zitten. Ik móet zappen. Ze zijn al meer dan honderd jaar op tv en nog steeds struikelen ze al in de eerste drie zinnen over hun woorden. Komt wéér die slechte grap over mijn goede vriend Frits, voor de zóveelste keer wordt de naam van de band verkeerd uitgesproken. Dat is niet leuk, niet ludiek, dat is gewoon lullig. Je komt daar gratis spelen en dan spreekt zo’n lul van een Frits Barend je naam tot twee keer toe verkeerd uit.
‘Dat zal jou niet overkomen,’ zeg ik tegen Beau.
Hij haalt zijn schouders op.
‘Ik kan ontzettend veel fout doen op televisie. Ik ben een kakker, ik heb praatjes. Soms voel je dat het goed gaat, het contact met de camera, een glorieus moment, maar soms is het er niet, dan stotter ik...’
‘Stotteren is niet erg,’ werp ik tegen. ‘Jij bent jezelf op tv, of je acteert het goed. Je bent op je gemak. Het is net als met schrijven en muziek maken, op een gegeven moment ben je niet meer bewust van de toestand om je heen. Je bent gewoon je ding aan het doen en eh… je bent weg.’
Alsof het zo afgesproken is komt op dat moment het toetje op tafel, een romige hangop. Bij de eerste hap draaien onze ogen weg. Even zijn we ergens anders. Daarna wil het gesprek niet meer netjes de gebaande paden volgen. We zwalken van het ene onderwerp naar het andere, maar de rode draad blijkt, bij het uittikken van mijn aantekeningen, de verhouding tussen mannen en vrouwen, of om precies te zijn: columnisten en hun groupies.
Beau: ‘En hoe pakte dat toen uit? Ibis hotel?’
Ik schud mijn hoofd. ‘Nee, ze ging naar de wc en kwam niet meer terug.’
Beau knikt. ‘Ik ken haar wel. Niet dat ik haar ontmoet heb, maar ik weet wel wat voor type het is. Ik denk dat ze dat wel een kick vond had om te zeggen tegen jou. A la Rebecca Loos, zeg maar.’ Ik leef op.
‘Rebecca Loos gaat in Temptation Island spelen!’
Beau, verbaasd: ‘Dat je dat wéét.’
‘Ik lees wel eens wat. Heb jij eigenlijk veel groupies, Beau? Of is dat minder geworden sinds je in die naaktreclame zat?’
‘Ik heb net weer een nieuwe opgenomen. Met een klem op m’n neus in een zwembad liggen, vier nachten lang. Sindsdien heb ik een neusontsteking. Vreselijk, ik heb een maand lang getraind. Heel erg leuk. Dat schrijf ik dan ook meteen allemaal op, al die fantastische…’
En terwijl Beau doorstoomt van de reclame naar zijn laatste column en de schrijvers Charles Bukowski en John Fante en wat zijn zoontje Bobby laatst zei begin ik te begrijpen dat er een man tegenover me zit op wie het leven geen vat heeft. Hij is niet onkwetsbaar, maar zijn enthousiasme is een pantser tegen bijna alles. Zag hij er aan het begin van de avond nog uit als een mummie, nu is hij weer jong en het eten is geweldig en we hebben nog zoveel om over te praten en we hebben nog de hele nacht en alles moet eigenlijk nog beginnen, ons hele leven.



Posted by jaeggi at 09:39 am

16 mei 2006

sterren stralen overal

Gisteren werd ik uit mijn werkkamer gejaagd door een hels lawaai op de gracht. Ik stormde, daarbij danig mijn kop stotend, mijn souterrain uit, stak wankelend de straat over en werd onder de voet gelopen door een horde gillende meisjes, die met hun mobieltjes alles fotografeerden wat in de buurt kwam, elkaar, voortrazende motoragenten, verbijsterde Japanse toeristen en vooral de boot die over de gracht opstoomde, een platbodem waarop een rockband snoeihard stond te spelen. Het galmde lekker, de echo stuiterde als een rubberen bal tussen de grachtenpanden heen en weer.
Lekker hoor, zo met je bandje door de grachten varen, dacht ik. Lekkere band ook, trouwens.
Diezelfde avond zag ik de bassist van de band, Spike, voor de camera een parkeerbon opeten. De band, waarin ik natuurlijk meteen de Haagse band Di-rect had moeten herkennen, had de auto's voor hun optreden op de boot verkeerd geparkeerd - en dan is de plaatselijke politie onverbiddellijk.
De reactie van Spike was volkomen op zijn plaats (dat is wat popmuzikanten doen: hotelkamers verbouwen en parkeerbonnen opvreten).

En vanavond kan ik alweer veelbelovende jonge Nederlandse popsterren beluisteren, en u ook trouwens, want dan treedt in De Avonden A Balladeer op - ik heb er al vaker over verteld op dit weblog.
Hun eerste cd, Panama, is net uit. Het eerste nummer dat A Balladeer vanavond speelt is 'mijn' nummer, Swim with Sam, gebaseerd op Held van Beroep. Panama kwam deze week op 30 binnen in de Album Top 100.
Ik heb er natuurlijk helemaal niets mee van doen gehad (al zijn er wel plannen om samen iets te gaan spelen) maar komende week zeg ik ijskoud tegen iedereen die ik tegenkom: ik heb een nummer in de Album Top 100.

Behalve de muziek van A Balladeer is er nog meer moois te horen in de uitzending van Music Hall vanavond: een verhaal van Thomas Verbogt, Vrouwkje Tuinman brengt nieuwe gedichten, ik zal zelf ook een verhaal voorlezen (de Auditie uit Tromboneliefde) en misschien, hopelijk, zal ik het titelnummer Panama spelen samen met Marinus de Goederen, de zanger van A Balladeer.
Aan het eind van het programma speelt de band, volgens de playlist, hun nummer They Shut Down Marks & Spencer, wat mij betreft de popsong van het jaar.
U hebt inmiddels begrepen dat u vanavond maar beter kunt luisteren?

De Avonden/Music Hall, elke dinsdagavond tussen 21.00-22.00 uur, LIVE vanuit Studio Desmet Amsterdam, en op Radio 747.

Posted by jaeggi at 10:05 am

de avonturen van zaagje

Het mooiste literaire tijdschrift van Nederland heeft haar mooiste aflevering tot nu toe gemaakt. Hier vind je een kleurrijke selectie uit het laatste nummer van de Zingende Zaag: 'Verknipt en verstript.'


Posted by jaeggi at 10:02 am

15 mei 2006

waar is mijn vaas?

Er zijn van die opkikkers die je best kunt gebruiken op de maandagochtend. Eigenlijk zou iedereen in zijn arbeidscontract (onder 'secundaire arbeidsvoorwaarden') een verplichte maandagochtend-opkikker (MO-tje) moeten laten opnemen ('Heb jij je MO-tje al gehad vanochtend?' 'Nee, ik hoop dat het een goeie is, ik zit nog steenkapot van de derde helft gisteren.')
Mijn MO'tje van deze maandag was dit bericht: 'De vaas welke uw gedicht droeg heeft voor de lieve somma van 550,- Club 11
verlaten, waarmee uw vaas de vaas geworden is die het meeste heeft opgebracht!'
Dat zat zo: enkele maanden geleden schreef ik een stadsgedicht voor de Vazenveiling van de Amsterdamse Stadsspelen *). Dat gedicht is door een kunstenares op de vaas gepenseeld en nu dus verkocht voor het goede doel.
Prachtig allemaal, maar nu word ik geplaagd door de vraag: Wie heeft mijn vaas? Ik zou graag de schoorsteenmantel zien waar hij op staat.
Als u inlichtingen hebt over deze vaas, neemt u dan contact op met stadsdichter@jaeggi.nl. Voor de eerlijke vinder is er een vermelding in de Verzamelde stadsgedichten die volgend jaar worden uitgegeven.
Het gaat om het volgende gedicht:

Gekken en dwazen

Gekken en dwazen
schrijven hun namen
op deuren en vazen
Ook ik
kan de verleiding niet weerstaan
en teken hier - uit naam
van sponsoring en betrokkenheid -
blozend van genot
mijn goedkope naam.

*)De StadsSpelen is een iniatief met als achterliggende gedachte: 'Te gemakkelijk leven Amsterdammers langs elkaar heen. Veel mensen kennen hun buren niet of nauwelijks, mensen voelen zich onveilig en de vele culturen die Amsterdam rijk is, komen te weinig met elkaar in aanraking. Dat kan anders.'


Posted by jaeggi at 10:07 am

14 mei 2006

jazz

Vanavond,zondagnacht van 24:00-01:00, Radio 4, ben ik panellid in het programma Jazzkotabel, samen met een oude bekende uit mijn eerste jazz-dagen: bassist, presentator en North Sea Jazz-icoon Hans Mantel.
Ik zeg er maar meteen bij: Sonny Rollins haalde ik er niet uit. Schandalig natuurlijk, maar daar staat tegenover dat ik Dicky Wells meteen herkende. Het is alleen mijn aangeboren bescheidenheid die me ervan weerhield dat breed uit te meten in de uitzending.
De opname was een fijne sessie: hele lekkere muziek, presentator Bert Vuijsje die zich zat te verkneukelen als we er weer eens volledig naast zaten en natuurlijk de muzikantenmoppen van Hans ('Weet je hoe ze van die solisten noemen die alleen maar op die Mol10-akkoorden kunnen freaken? Toni Moltini's!'
Het was net als vroeger.


Posted by jaeggi at 02:14 pm

12 mei 2006

zippo

Na een feestje waar ik alleen naar toegegaan en alleen weggegaan was, vond ik een aansteker in mijn zak. Dat gebeurt wel vaker. Als mensen een sigaret willen roken komen ze altijd aan mij vragen of ik hem wil aansteken. Ik rook niet meer, maar als je een hele avond om vuur gevraagd wordt is het erg vermoeiend om steeds uit te moeten leggen dat je ze niet kunt helpen, dus meestal neem ik een eigen aansteker mee. Die raak ik gedurende de avond kwijt, maar er komt steeds weer een nieuwe voor in de plaats. Soms meerdere.
Gewoonlijk leg ik de aanstekers die ik de volgende ochtend in mijn zak vindt op de hoek van het aanrecht en gebruik ze om het gas mee aan te steken, maar dit was niet een van die goedkope plastic dingen met twee compartimenten waarin je de benzine kunt zien zitten (met altijd iets meer vloeistof aan de ene kant dan aan de andere, en je krijgt de twee niveau's nooit precies op gelijke hoogte).
Dit was een Zippo, het slanke model, goudkleurig, levenslange garantie, iets stinkend naar benzine en met een inscriptie: 'Voor Jessica. Voor nu en altijd je G'.
Ik staarde naar de inscriptie terwijl mijn hand op eigen houtje de bus met koffie zocht. Mijn kater maakte onwillig plaats voor het besef dat ik weer eens een verantwoordelijkheid op mijn schouders geschoven had gekregen waar ik niet om gevraagd had. Ik zou de aansteker moeten terugbezorgen.
'Je G' kende ik niet, maar Jessica maar al te goed. 'Je ex was er nog', had iemand gezegd, toen ik op het feestje binnenkwam. Ik was blij dat ze al weg was.
Ik had Jessica ontmoet in mijn vijfde studiejaar. Net als ik at ze drie keer per week in de schuif-maar-aan-en-schep-maar-op-tent die Tante To heette, waar nooit iemand anders achter de bar stond dan een honderdvijftig kilo wegende bullebak met tatouages en (zo werd gefluisterd) een gouden hart, maar er was niemand die hem daarom Oom To durfde noemen. Er kwamen veel studenten. Op een avond dat het erg vol was kwamen Jessica en ik samen aan één tafel terecht, en drie weken later in één bed.
Weer een maand daarna had ik besloten dat Jessica en ik toch niet voor elkaar bestemd waren, wat ruwweg samenviel met de tijd dat zij haar schuchtere persoonlijkheid aflegde en stralend van zelfvertrouwen haar colleges bezocht, overtuigd van het feit dat haar tien jaar durende zoektocht ten einde was. Te zeggen dat het einde van onze relatie haar nogal aangreep zou hetzelfde zijn als te zeggen dat wat ze indertijd op Hiroshima gooiden een soort van handgranaat was.
Nog maanden later belde Jessica midden in de nacht op. Als ik, blind van de slaap, eindelijk de telefoon had gevonden hoorde ik meestal niets anders dan een zacht gesnik, en als ik na vijf keer Hallo? roepen de hoorn neerlegde was de slaap de rest van de nacht geweken.

Kennelijk had ze nu dus een ander. Gelukkig. Ik was blij voor haar.
De zippo was onbruikbaar om het gas mee aan te steken. Bij goedkope aanstekers is alleen de vonk genoeg, maar als je een vonk afstrijkt bij een zippo brandt de vlam ook meteen. Die vlam slaat alle kanten op als je het ding ondersteboven houdt, en meestal de verkeerde, zoals ik merkte toen alle haartjes van mijn vingers wegschroeiden. Ik vloekte en smeet de zippo in een hoek.
Ik ging aan de keukentafel zitten. Terwijl ik naar buiten staarde en op mijn verbrande vingers blies, herinnerde ik me de eerste keer dat ik met haar naar bed was geweest. Het was een nogal levendige fantasie. Het was ook een nogal woeste nacht geweest. Ik begon al ietwat opgewonden te raken toen mijn fantasie ruw verstoord werd door het rood aangelopen gezicht van Je G, die mijn plaats had ingenomen bovenop Jessica. Ik wist nog steeds niet wie hij was, maar hij kreunde zo overtuigend, en zij ook, dat ik ineens zeker wist dat ik een grote fout had begaan. Lieve Jessica - wat had ik gedaan?
Ik pakte de zippo van de vloer en stak hem in mijn zak. Daar zit hij nu nog steeds, al weken. Vaak haal ik hem tevoorschijn en knip hem een paar keer aan en uit. Het geeft me een diepe bevrediging geeft om het binnenwerk uit de huls te trekken en Jessica bij te vullen uit een blikje met een prachtig ouderwets label. Na het vullen ruiken je handen nog uren naar benzine, maar ik kan meestal niet wachten tot hij weer leeg is, zodat ik hem weer kan bijvullen. Ze zeggen dat je er je hele leven mee kunt doen.


Posted by jaeggi at 08:54 pm

11 mei 2006

eerste gedachte bij terugkeer

'Ik hoor dat het hier ook de hele tijd heerlijk weer was?'

.

Posted by jaeggi at 10:09 pm

08 mei 2006

op reis

Ik ben een dag of tien op reis. In die tijd gebeurt hier niets.
Wel kunt u eindeloos dit gedicht herlezen, mocht u aan mij willen denken, want dit is waar ik mij bevind.


rimpels op zee

je stapt op een blad
vogel vliegt weg
hagedis vlucht
terug in de muur
zie ik je staan
héél even
weg
is de wind over zee
alleen zichtbaar
in het licht van
de zon
rimpels op zee

Bert Schierbeek

Posted by jaeggi at 09:55 am