« oude wond | Main | huislied II »

14 april 2006

zoek de verschillen

Gisteren kreeg ik van mijn redacteur vijf exemplaren van de tweede druk van Tromboneliefde. Dat is fijn, hoor. De vraag voor wie en waarom je schrijft bestaat ineens niet meer, en je gaat met hernieuwde moed achter je bureau zitten.

(wij gaan er even uit voor een bericht van de sponsor)
Nu in de winkel: Tromboneliefde, de Nieuwe Druk! Leest Nog Lekkerder Weg! Verblijdt uw Vrienden en Vriendinnen (ook voor mensen die geen trombone spelen!

‘Gefeliciteerd,’ zei mijn redacteur. ‘En we vonden het op de uitgeverij fijn om te horen dat er nu al tienduizend verkocht zijn.’
Ik lachte schaapachtig (vreemde uitdrukking: nog nooit een schaap zien lachen. Hun monden staan er niet naar). Maar ik begreep wat mijn redacteur bedoelde: de dag ervoor stond er een interview in het Amsterdamse blad NL20 waarin ik had beweerd dat er van TBL reeds 10.000 exemplaren verkocht waren.
Dat is iets bezijden de waarheid. Als we deze maand de 3.000 halen is het heel mooi.
Ik had het dan ook niet gezegd. Maar dat is het vreemde met interviews, je kunt je woorden herhalen honderd malen, je kunt corrigeren en schrappen en bijsturen wat je wilt, als de journalist of de eindredactie wil dat er fouten in komen te staan, dan gebeurt dat. Daarom, voor degenen die geinteresseerd zijn in het fascinerende proces tussen het moment dat de woorden je mond verlaten en het moment dat ze, onherstelbaar verbeterd, op papier liggen: hieronder mijn echte woorden. Als u dit weekend niks te doen hebt moet u de NL20 er maar eens naast leggen (er staan ook foto's bij). Degene die de meeste verschillen vindt en die opstuurt naar Adriaan Jaeggi, p/a Postbus 15511, 1001 NA Amsterdam, of adriaan@jaeggi.nl ontvangt een gesigneerd exemplaar van Tromboneliefde (Nu Tweede Druk!).


Op een dag kom je bij je uitgever en zegt: “Ik wil een boek schrijven over de trombone.” Hoe reageert hij dan?
“Je zult het niet geloven maar het was hun idee. Ik was net overgestapt naar een andere uitgeverij, en het leuke aan zo’n nieuwe relatie is: je gaat allemaal dingen doen die je nog niet gedaan hebt. Omdat de boekenweek het thema muziek had, vroeg mijn uitgever of ik niet nog iets over muziek had liggen. Dat had ik, een soort liefdesverklaring aan mijn instrument. Met dat als uitgangspunt heb ik Tromboneliefde geschreven.

In het boek schrijf je over het magische gevoel dat je hebt als je op straat loopt met je instrument en mensen denken: ‘Kijk, daar loopt een muzikant’. Maar ben je nou muzikant of schrijver?
“Allebei. Schrijven is mijn vak en muziek is mijn ding. Er zijn betere muzikanten dan ik, maar als ik een goeie avond heb mag ik met de meesten weleens meespelen. In de Boekenweek nog met Hans Dulfer. Aan de andere kant: twee weken geleden zag ik saxofonist Benjamin Herman in het BIM-huis met zijn band. Toen wist ik ook wel weer precies waar ik sta. Ik mag die jongen zijn veters niet eens strikken.”

Word je daar niet gek van?
“Nee. Waarom zou dat erg zijn?”

Omdat je probeert zo goed mogelijk te worden.“Het is toch geen wedstrijd? Het gaat me er niet om beter te zijn dan een ander, het gaat om de muziek.”

Maar wil je dan niet excelleren?
“Natuurlijk wel. Maar nogmaals, het is geen competitie. Ik wil graag een goede muzikant en een hele goede schrijver zijn. Maar of ik daarmee beter ben dan een ander interesseert me echt niet.”

Betekent dat dat je een betere schrijver dan muzikant bent?
“Ja, ik denk het wel. Ik weet niet hoe het gegaan zou zijn als ik vanaf het moment dat ik begon met trombone spelen een fantastische leraar had gehad, want dan was ik in ieder geval beter begonnen, en misschien niet vier keer voor het conservatorium afgewezen. Maar het mooie van schrijven is dat je er ook later mee kunt beginnen. Rond mijn 20e was dat.”

Als substituut voor het spelen?
“Nee, ik speelde op dat moment best veel. Meer als substituut voor een andere leegheid in mijn leven.

Welke leegheid?
“Tja, meisjes hè... En ik was net klaar met mijn studie en had geen idee wat ik doen moest. Ik was redacteur van Propria Cures en voortdurend bezig met stukken schrijven, deadines halen, in bandjes spelen, en dan had ik ook nog een echte baan. Op een gegeven moment zat ik dicht tegen een burn-out aan. Gelukkig werd ik toen ontslagen en kon ik me helemaal op het schrijven richten. Helemaal volgens het romantische cliché, in mijn eentje, zolderkamer, hartje Amsterdam.”

Inmiddels ben je schrijver en stadsdichter. Waarom wil een Wassenaarse jongen die in Leiden heeft gestudeerd stadsdichter van Amsterdam worden? “Stadsdichter is toch een prachtige aanstelling? Een beetje ouderwets, en tegelijkertijd kun je als stadsdichter de stad heel eigentijds, op jouw manier beschrijven. Dus heb ik op een gegeven moment, geïnspireerd door andere stadsdichters, in Het Parool geschreven dat het tijd werd dat Amsterdam ook een stadsdichter kreeg.”

De criticasters vonden dat je daarmee jezelf dat baantje ook maar meteen toebedeeld hebt.
“Die mensen moeten dat stuk in het Parool maar eens nalezen. Ik heb juist voorgesteld om een wedstrijd uit te schrijven, waarbij dichters werk in konden sturen dat door een commissie wijze mannen en vrouwen beoordeeld zou worden. Maar toen ze vroegen op het stadhuis: wil jij het niet doen? heb ik natuurlijk ja gezegd. Ik ben niet gek.”

Het is weinig democratisch.
“Dat is maar goed ook. Ik moet er niet aan denken dat er gestemd zou worden over wie stadsdichter van Amsterdam moet worden. Dan wordt het namelijk Rachel Hazes. Nee, erger nog: Louis van Gaal.”

Is dat geen elitair standpunt?
“Poëzie wordt vaak elitair genoemd omdat je voor een gedicht wat langer moet gaan zitten dan voor de Nieuwe Revu. Nou, dan maar elitair. Als je die kleine moeite niet wilt nemen moet je vooral geen poëzie gaan lezen.”

Veel mensen snappen gedichten niet.
“Je hoeft poëzie helemaal niet te snappen! Het is de bedoeling dat je het leest en het mooi vindt, desnoods dat je vermoedt wat de schrijver bedoelt. Maar helemaal zeker weet je het nooit, dat is nou juist de schoonheid ervan.”

Zijn er bepaalde thema’s die je in je stadsgedichten naar voren wil laten komen?
“Ik heb geen echte thema’s, maar sommige dingen houden me bezig. Overdreven machtsvertoon van de politiek en de politie bijvoorbeeld, dat vind ik heel on-Amsterdams. Er zijn bij manifestaties mensen opgepakt voordat ze een misdrijf pleegden. De spandoeken tegen Verdonk die verboden werden, dat heb ik kort meegenomen in mijn eerste stadsgedicht, omdat ik me er wild aan ergerde. Amsterdam is in de hele wereld synoniem aan vrijheid, maar daar merk je verdomd soms weinig van.”

Je was trouwens dit jaar niet uitgenodigd voor het Boekenbal, hè?
“Nee.”

Jij bent een van de mensen die de Gouden Doerian in het leven heeft geroepen, de prijs voor het slechtste Nederlandse boek. Heeft een en ander met elkaar te maken?
“Je zou het bijna denken. Ik was dit jaar gevraagd met de band mee te spelen op het Boekenbal. Maar de dag ervoor werd ik gebeld met de mededeling dat de CPNB niet wilde dat ik meedeed. Ach ja. Ik ben als PC-redacteur en later als redacteur van Thomas Rap 10 jaar lang naar het Boekenbal geweest. Ik ken het daar wel. Het is vooral gezellig omdat je vriendjes uit de literatuur er ook zijn.”

Na de Gouden Doerian heb je vast een stuk minder vriendjes daar.
“Nee, mijn vrienden zien er de lol wel van in. Misschien heb ik iets meer vijanden. Een rijk bezit.”

Is het een serieuze prijs of een grap?
“Het is begonnen als grap, maar er zat een serieuze gedachte achter. Er komen zoveel slechte boeken uit, je ziet door de bomen het bos niet meer. Vorig jaar hebben we die prijs bedacht, maar we hebben toen niet goed onderbouwd waarom bepaalde boeken waren genomineerd. Dat was stom. Dit jaar hebben we een uitgebreid, beargumenteerd juryrapport opgesteld waarin precies staat waarom boeken zijn genomineerd, en waarom de Gouden Doerian naar Roes is gegaan.”

Ben je niet bang er zelf eens voor genomineerd te worden?
“Nee. Ik denk dat dat niet gebeurt, omdat ik vertrouwen heb in wat ik maak. Maar dit was mjn laatste jaar als jurylid, als de nieuwe jury van volgend jaar mijn boek nomineert zal ik deemoedig het hoofd buigen.”

Maar je maakt jezelf er wel kwetsbaar mee. Mensen gaan jou misschien een stuk kritischer lezen nu.
“Laat ze dat vooral doen. Laat ze vooral mijn volgende boek kopen met de gedachte: “Kom maar op met je grote bek.” Er is niks op tegen om op je werk beoordeeld te worden. Wat me geërgerd heeft aan het gekrakeel rond de Doerian was dat er vrijwel geen gefundeerde kritiek was, maar dat het vooral in het persoonlijke werd getrokken. Juryleden die door schrijvers en journalisten, we hebben het over volwassen mensen, werden uitgemaakt voor aanranders, arrogante zakken en oorlogsmisdadigers. Hallo!”

Zijn de tenen in de literaire wereld zo lang?
“Enorm lang. Je mag eigenlijk niets negatiefs zeggen over boeken, omdat dat niet collegiaal zou zijn. De literatuur mag enkel geprezen worden. Een middeleeuwse denktrant. Ik vind het een vorm van fundamentalisme als je geen kritiek op boeken mag geven.”

Maar jullie kritiek is niet zachtzinnig. Ik kan mij voorstellen dat Carla Boogaards een slechte avond heeft gehad.
“Dat kan ik ook begrijpen. Maar moet je dan je mond maar houden? Bij mijn uitgeverij stonden ze ook niet te juichen. Ik zit namelijk bij dezelfde uitgeverij als Carla, Nieuw Amsterdam. Maar ze konden er ook wel weer om lachen. Dat is natuurlijk het beste dat je kunt doen. Denk je dat Paul Verhoeven nog wakker ligt van de Golden Raspberry die hij gekregen heeft voor Showgirls? Uitgeverijen geven te veel en te veel slechte boeken uit. Iedereen in het vak beaamt dat. Daar mag best iets van worden gezegd. O, en wil je nog iets grappigs weten? Ik heb net gehoord van de uitgeverij dat Roes ineens weer verkoopt. De mensen worden toch nieuwsgierig.”

Verkoop je zelf nog een beetje?“Mijn laatste boek, Tromboneliefde, wordt herdrukt. Daar ben ik blij mee.”

Het is natuurlijk niets in vergelijking met de verkoopcijfers van Heleen van Rooijen. Jaloers?
“Ontzettend jaloers! Het is geweldig zo’n groot publiek te bereiken. Aan de andere kant zou ik niet Heleens fans willen hebben. Ik mail weleens met haar en op een gegeven moment excuseerde ze zich omdat haar antwoorden zo lang op zich lieten wachten. Maar ze kreeg duizend mails per dag, en echt niet alleen maar leuke. Mensen gaan je als hun persoonlijk eigendom beschouwen. Daar word je gek van.”

Hè bah, fans.
(lachend) ”O, als ik een vast lezerspubliek van 50.000 mensen had zou ik ze allemaal in mijn armen sluiten. En heus niet alleen de blonde lezeresjes.”

En wanneer komt je volgende boek uit, voor die fans?
“Ik ben hard bezig. Ergens in de loop van dit jaar moest het maar eens klaar zijn. Speur maar in de boekhandel in oktober.”

jaeggi om 14 april 2006 12:50