« maart 2006 | Main | mei 2006 »

30 april 2006

op reis

Ik ben een dag of tien op reis. In die tijd gebeurt hier niets.
Wel kunt u eindeloos dit gedicht herlezen, mocht u aan mij willen denken, want dit is waar ik mij bevind.


rimpels op zee

je stapt op een blad
vogel vliegt weg
hagedis vlucht
terug in de muur
zie ik je staan
héél even
weg
is de wind over zee
alleen zichtbaar
in het licht van
de zon
rimpels op zee

Bert Schierbeek

Posted by jaeggi at 02:05 pm

29 april 2006

Verslag Koninginnedag/Plaskruizen-parade 2006, Amsterdam, 22.21

'De Dam! De Dam, ja! Ik vraag waar de Dam is, lamlul! Hallo! You speak English? Nou, zeg dan godverdomme even waar de Dam is!'


.


Posted by jaeggi at 10:23 pm

Verslag Koninginnedag/Plaskruizen-parade 2006, Amsterdam, 20.39

'Ik moet wel binnen nu en een half uur echt wat eten.'


.

Posted by jaeggi at 08:39 pm

Verslag Koninginnedag/Plaskruizen-parade 2006, Amsterdam, 19.22

'Bovendien, kijk eens naar die slurf: daar is een scherfje af.'


.

Posted by jaeggi at 07:24 pm

Verslag Koninginnedag/Plaskruizen-parade 2006, Amsterdam, 19.20

'2 euro voor een olifant? Lijkt me rijkelijk veel.'


.

Posted by jaeggi at 07:22 pm

Verslag Koninginnedag/Plaskruizen-parade 2006, Amsterdam, 14.22

(aan de autoriteit in functie:)

(binnenstad, tussen Brouwersgracht & Prinsengracht): Het ziet er niet naar uit dat iemand zich aan de decibelgrens (als vastgesteld per 01-01-06), wenst te houden. (Zie verder Teringherrie, doss11^5)-14).

Posted by jaeggi at 02:24 pm

28 april 2006

BEZET

Mijn verzameling BEZET-columns (zie blogje hieronder) groeit. Ik wist niet dat er zoveel waren - en ze lijken nog meer op elkaar dan ik dacht. Lees deze maar eens (met dank aan Elz).

Waar ik dan weer wel om kon lachen: gisteren hebben ze de hele brug (kruising Egelantiersgracht/Prinsengracht) met tape afgezet (BEZET ASTRID KATJA JOHN) en vandaag hebben de jongens van de gemeente daar een plaskruis neergepoot. Bovenop de namen.

Ah, plaskruizen. De totempalen van de moderne bachant. De nepjuwelen in de navel van de genotzoekende eh... dinges. De vlootschouw in de buizen van Eustachius!
Veel plezier morgen op het grote Plaskruizenbal.

.

Posted by jaeggi at 05:14 pm

26 april 2006

verzameling

Ik heb er al een heleboel, maar als u er meer vindt houd ik me aanbevolen: columnisten die schrijven over stadsbewoners die BEZET op hun stoep krijten, of de straat afplakken met tape. En daar dan een stukje over in de trant van We Weten Niet Eens Meer Wat Bezetting Is.
Nazmiye Oral (afgelopen week in de Volkskrant) heb ik inmiddels drie keer dubbel, dus die hoef ik niet meer.

Posted by jaeggi at 09:47 am

24 april 2006

vierde stadsgedicht

Onderstaand gedicht heb ik voorgelezen op de opening van de Week van de Poezie, afgelopen zaterdag in de Openbare bibliotheek aan de Prinsengracht. Er was veel belangstelling, zeker als men in aanmerking neemt dat het zachtjes regende, en dat de boetes voor het te laat terugbrengen van boeken onlangs fors verhoogd zijn.
Ster van de middag was de Leeuwardense stadsdichter Arjan Hut. Na onze gezamenlijke lezing van een Gedicht Ter Opening van de Week heb ik hem de belofte afgedwongen het komend jaar terug te komen naar Amsterdam om ons nog meer van zijn Friese en nederlandse gedichten te laten horen. Dit beloofde hij, terwijl hij over zijn pijnlijke arm wreef (ik ken soms mijn eigen kracht niet).


Stadsgedicht 5 (werktitel: Het illegale gedicht) en 6 (werktitel: Welkom in het park) zijn in de maak.

Gedicht ter gelegenheid van de Opening van de Week van de poëzie, met als thema: Dienstbare Poëzie


Handleiding

Hartelijk gefeliciteerd met de aanschaf van uw dichter.
Uw dichter is plug & play.
De verpakking kan gerecycled worden.
Uw dichter is van het vorige model.
Hij kan aan maar niet meer uit.
Net als elke nieuwe machine
kunnen zijn vingers naar uien ruiken.
De volgende software is bijgeleverd
(graag controleren voor gebruik):
3 marketentsters met toebehoren,
jeuk en zalf, div. brillen, gebruikte asbak, leeg glas.
Zitvlees zelf aanschaffen.
Wij wensen u veel plezier met uw dichter.
Mocht hij ambities koesteren,
interviews afgeven, knopen doorhakken,
persberichten schrijven, schouderklopjes uitdelen
of aandringen op garanties en een
dertiende maand
belt u dan de onderhoudsdienst.
Behandel uw dichter
als een oude akker
en spit hem regelmatig om.
Het is de bedoeling dat dit produkt
u in de beste condities bereikt:
geluk en tevredenheid,
dankbare kinderen om u heen.
Het repareren van individuele onderdelen is
kostbaar en derhalve niet mogelijk.
Bij mankementen wordt
aanschaf van een nieuwe
een nieuwe
een nieuwe
een nieuwe
een nieuwe
een nieuwe
een nieuwe


(bis)

Posted by jaeggi at 10:51 am

21 april 2006

Kampioen

Ach, de tijd dat je nog een verwoestend schot in je rechterbeen had. Het is ondoenlijk om er niet aan terug te denken, dezer dagen. Nu het WK met rasse schreden nadert, de bondscoach de spitsroeden van de talkshows moet lopen, iedereen zijn agenda zorgvuldig om de kwalificatiewedstrijden heen aan het plooien is, en de eerste oranje slasaus al gesignaleerd is (C1000) – ach, dan zie ik meteen dat afgetrapte veldje weer voor me, uit mijn jeugd.
Ons veldje was ontdekt door Henk Sprot en Paul Gonk, twee jongens uit mijn klas die drie keer waren blijven zitten. Paul had een snor en Henk had een echte leren bal. Het veldje lag achter de fabriek, een klein bakstenen gebouwtje met één futiel schoorsteentje, waar zilver werd teruggewonnen uit oude fotonegatieven. Om op het veldje te komen moest je eerst over het fabrieksterrein, waar een valse oude hond rondliep die al eens iemand een been had afgebeten, en daarna moest je, met je kicksen onder je arm, over een brede sloot met drabbig water in de meest ongelooflijke lichtgevende kleuren. Het was duidelijk dat je daar niet in moest vallen.
Als je eenmaal de sloot over was stond je op ons veldje. Iemand had er ooit een heuse goal in elkaar getimmerd van sloophout, en aan roestige spijkers in de doelpalen hingen zelfs de rafels van een net. Een tweede goal was er niet, maar die werd gevormd door hoopjes jassen als doelpalen en een imaginaire lat die voor elk op een andere hoogte hing.
Elke vrije middag brachten we door op ons landje. Als wij arriveerden waren Henk en Paul er al, trappend en koppend, woeste slidings op elkaars achillespezen uitvoerend en hard in elkaars kruizen knijpend bij vrije schoppen. Het was toen al te zien dat Henk later voetbalcommentator zou worden, en dat Paul columns over voetbal zou gaan schrijven voor zijn beroep.
Iedereen die de sprong over de slot waagde werd toegevoegd aan een team, en zo stond je de ene keer in een absoluut sterrentwaalftal te spelen en had je de andere keer voornamelijk voetbalmongolen als medespelers.
Nooit zal ik die zomermiddag vergeten dat we een partijtje speelden dat eeuwig leek te duren. Normaal ging het er al fanatiek aan toe, maar die middag was het of we in de finale van de Wereldcup speelden, zo hard vlogen we erin. Ik zat in de ploeg bij Henk. Bij rust stonden we met 7-4 achter, en Henk hield een donderspeech waar onze oren van tuitten.
'Hotseknotse begoniavoetbal!' riep hij, en 'Patatgeneratie!'
Getergd gingen we het veld weer op. We renden, we passten, we kopten en tackelden. In het vuur van het spel raakten we te dicht bij de sloot, en na een harde maar faire actie van Paul raakte Sammie, een razendsnel Ambonneesje, samen met de bal te water. We wilden hem eruit trekken, maar hij vloekte en gooide de bal op het droge en gilde: 'Dóórspelen!' voordat hij wegzonk onder het wateroppervlak dat die middag een schitterende oranje weerschijn had.
Grote bewondering was er ook voor Job Bakker, die na een onbesuisde actie van onze voorstopper met zijn oog aan een roestige spijkers in het doel bleef haken. Dat oog zou hij nooit meer gebruiken, maar hij wilde van geen opgeven weten, en alsof het zo bedoeld was, tien minuten later scoorde hij een prachtige goal.
In mijn herinnering duurde het eeuwig, die middag. Wie er gewonnen heeft weet ik niet meer, maar ineens zei iemand: 'Ik moet naar huis', en het volgende moment werden de doelpalen weer jassen en wij weer gewone jongens in plaats van voetballegendes.
Ik zie ons nog over de sloot springen en het pad af dartelen naar het dorp, met rode konen van de opwinding, schaterend met onze monden vol bloed, stoer onze gebroken tanden voor ons uit spugend. Trots wees ik iedereen op de splinters van mijn verbrijzelde kuitbeen, die onder mijn korte jongens-broek door de huid naar buiten staken.
Joelend keerden we terug in het dorp, waar onze vaders ons in de deur stonden op te wachten en brulden dat we op moesten schieten en ons in het voorbijgaan een liefhebbende kopstoot gaven toen we naar binnen schoten, want de finale West Duitsland-Nederland was al begonnen en we konden niet verliezen.

Posted by jaeggi at 11:15 am

20 april 2006

vierde stadsgedicht

Mijn vierde stadsgedicht is bijna af. Het heet Gebruiksaanwijzing.
De premiere van het gedicht is tijdens de opening van de Week van de poëzie, a.s. zaterdag, in de Openbare Bibliotheek aan de Prinsengracht 587. Het begint om 14.00 uur.
Ik word bijgestaan door de toekomstige Dichter des Vaderlands en Vader van de Poule des Doods F. Starik en dichteres Eva Gerlach, die geen introductie behoeft. Een niet geringe eer: ook de stadsdichter van Leeuwarden Arjan Hut zal optreden, en last but not least Gerard Beentjes, huisdichter b.d. van Bartiméus, zorginstelling voor mensen met een visuele handicap.

(De eerdere Amsterdamse stadsgedichten staan hier.)

Posted by jaeggi at 09:34 am

19 april 2006

vangst van de dag (14)

'Ze was door veel mannen gekust, en het was haar altijd gelukt om van de eerste kus iets bijzonders te maken, door een verraste glimlach met de juiste vlekkeloze timing, of een spottend trekken van haar mondhoeken vlak voor ze haar lippen bereikten, en zo liet ze op elke minnaar haar stempel achter dat hem bijbleef, soms jarenlang, en dat zich op de meest ongelegen momenten - als hij de sleutel in zijn huis stak en zijn voordeur opende, waar zij echtgenote klaarstond om zijn jas en haar rituele zoen in ontvangst te nemen - weer uit zijn geheugen opdook en hem even zijn ogen deed sluiten en onrust wekte voor de rest van de dag en de aankomende nacht. Het verschafte haar extra plezier, de kleine kunstwerkjes die ontstonden tijdens de seconden van ongeloof en ontzag voor het definitief tot hen doordrong dat ze haar mochten kussen.'

(Hoofdstuk 14)

Posted by jaeggi at 03:01 pm

14 april 2006

gorredijk, here i come

Over een uurtje reis ik af naar Friesland, voor een Paasmaaltijd met de oud-bewoners van mijn studentenhuis.
Ik weet nog niet wat ik de rest van het weekend ga doen, maar in ieder geval niets samenhangends. Daarom hieronder een voorraadje om u door het weekend te helpen.
Niet allemaal in één keer opmaken!

Zalich pasen,
AJ

Posted by jaeggi at 01:11 pm

huislied I

Twee maal één
Dat is toch elf
Daar is iedereen
zichzelf

Tegenover
dames acht
weltevréé
op Papengracht!

(laatste regel brullen, ieder in andere toonsoort)

(Tekst & muziek: N.N.)

Posted by jaeggi at 01:08 pm

huislied II

Hallum, Ballum, Zevenhuizen,
Hoensbroek, Westerhaar,
Sintjansklooster, Appelscha:
Wij houden van elkaar!

(tekst & muziek: B. Maats & J. de Roos)

Posted by jaeggi at 01:05 pm

zoek de verschillen

Gisteren kreeg ik van mijn redacteur vijf exemplaren van de tweede druk van Tromboneliefde. Dat is fijn, hoor. De vraag voor wie en waarom je schrijft bestaat ineens niet meer, en je gaat met hernieuwde moed achter je bureau zitten.

(wij gaan er even uit voor een bericht van de sponsor)
Nu in de winkel: Tromboneliefde, de Nieuwe Druk! Leest Nog Lekkerder Weg! Verblijdt uw Vrienden en Vriendinnen (ook voor mensen die geen trombone spelen!

‘Gefeliciteerd,’ zei mijn redacteur. ‘En we vonden het op de uitgeverij fijn om te horen dat er nu al tienduizend verkocht zijn.’
Ik lachte schaapachtig (vreemde uitdrukking: nog nooit een schaap zien lachen. Hun monden staan er niet naar). Maar ik begreep wat mijn redacteur bedoelde: de dag ervoor stond er een interview in het Amsterdamse blad NL20 waarin ik had beweerd dat er van TBL reeds 10.000 exemplaren verkocht waren.
Dat is iets bezijden de waarheid. Als we deze maand de 3.000 halen is het heel mooi.
Ik had het dan ook niet gezegd. Maar dat is het vreemde met interviews, je kunt je woorden herhalen honderd malen, je kunt corrigeren en schrappen en bijsturen wat je wilt, als de journalist of de eindredactie wil dat er fouten in komen te staan, dan gebeurt dat. Daarom, voor degenen die geinteresseerd zijn in het fascinerende proces tussen het moment dat de woorden je mond verlaten en het moment dat ze, onherstelbaar verbeterd, op papier liggen: hieronder mijn echte woorden. Als u dit weekend niks te doen hebt moet u de NL20 er maar eens naast leggen (er staan ook foto's bij). Degene die de meeste verschillen vindt en die opstuurt naar Adriaan Jaeggi, p/a Postbus 15511, 1001 NA Amsterdam, of adriaan@jaeggi.nl ontvangt een gesigneerd exemplaar van Tromboneliefde (Nu Tweede Druk!).


Op een dag kom je bij je uitgever en zegt: “Ik wil een boek schrijven over de trombone.” Hoe reageert hij dan?
“Je zult het niet geloven maar het was hun idee. Ik was net overgestapt naar een andere uitgeverij, en het leuke aan zo’n nieuwe relatie is: je gaat allemaal dingen doen die je nog niet gedaan hebt. Omdat de boekenweek het thema muziek had, vroeg mijn uitgever of ik niet nog iets over muziek had liggen. Dat had ik, een soort liefdesverklaring aan mijn instrument. Met dat als uitgangspunt heb ik Tromboneliefde geschreven.

In het boek schrijf je over het magische gevoel dat je hebt als je op straat loopt met je instrument en mensen denken: ‘Kijk, daar loopt een muzikant’. Maar ben je nou muzikant of schrijver?
“Allebei. Schrijven is mijn vak en muziek is mijn ding. Er zijn betere muzikanten dan ik, maar als ik een goeie avond heb mag ik met de meesten weleens meespelen. In de Boekenweek nog met Hans Dulfer. Aan de andere kant: twee weken geleden zag ik saxofonist Benjamin Herman in het BIM-huis met zijn band. Toen wist ik ook wel weer precies waar ik sta. Ik mag die jongen zijn veters niet eens strikken.”

Word je daar niet gek van?
“Nee. Waarom zou dat erg zijn?”

Omdat je probeert zo goed mogelijk te worden.“Het is toch geen wedstrijd? Het gaat me er niet om beter te zijn dan een ander, het gaat om de muziek.”

Maar wil je dan niet excelleren?
“Natuurlijk wel. Maar nogmaals, het is geen competitie. Ik wil graag een goede muzikant en een hele goede schrijver zijn. Maar of ik daarmee beter ben dan een ander interesseert me echt niet.”

Betekent dat dat je een betere schrijver dan muzikant bent?
“Ja, ik denk het wel. Ik weet niet hoe het gegaan zou zijn als ik vanaf het moment dat ik begon met trombone spelen een fantastische leraar had gehad, want dan was ik in ieder geval beter begonnen, en misschien niet vier keer voor het conservatorium afgewezen. Maar het mooie van schrijven is dat je er ook later mee kunt beginnen. Rond mijn 20e was dat.”

Als substituut voor het spelen?
“Nee, ik speelde op dat moment best veel. Meer als substituut voor een andere leegheid in mijn leven.

Welke leegheid?
“Tja, meisjes hè... En ik was net klaar met mijn studie en had geen idee wat ik doen moest. Ik was redacteur van Propria Cures en voortdurend bezig met stukken schrijven, deadines halen, in bandjes spelen, en dan had ik ook nog een echte baan. Op een gegeven moment zat ik dicht tegen een burn-out aan. Gelukkig werd ik toen ontslagen en kon ik me helemaal op het schrijven richten. Helemaal volgens het romantische cliché, in mijn eentje, zolderkamer, hartje Amsterdam.”

Inmiddels ben je schrijver en stadsdichter. Waarom wil een Wassenaarse jongen die in Leiden heeft gestudeerd stadsdichter van Amsterdam worden? “Stadsdichter is toch een prachtige aanstelling? Een beetje ouderwets, en tegelijkertijd kun je als stadsdichter de stad heel eigentijds, op jouw manier beschrijven. Dus heb ik op een gegeven moment, geïnspireerd door andere stadsdichters, in Het Parool geschreven dat het tijd werd dat Amsterdam ook een stadsdichter kreeg.”

De criticasters vonden dat je daarmee jezelf dat baantje ook maar meteen toebedeeld hebt.
“Die mensen moeten dat stuk in het Parool maar eens nalezen. Ik heb juist voorgesteld om een wedstrijd uit te schrijven, waarbij dichters werk in konden sturen dat door een commissie wijze mannen en vrouwen beoordeeld zou worden. Maar toen ze vroegen op het stadhuis: wil jij het niet doen? heb ik natuurlijk ja gezegd. Ik ben niet gek.”

Het is weinig democratisch.
“Dat is maar goed ook. Ik moet er niet aan denken dat er gestemd zou worden over wie stadsdichter van Amsterdam moet worden. Dan wordt het namelijk Rachel Hazes. Nee, erger nog: Louis van Gaal.”

Is dat geen elitair standpunt?
“Poëzie wordt vaak elitair genoemd omdat je voor een gedicht wat langer moet gaan zitten dan voor de Nieuwe Revu. Nou, dan maar elitair. Als je die kleine moeite niet wilt nemen moet je vooral geen poëzie gaan lezen.”

Veel mensen snappen gedichten niet.
“Je hoeft poëzie helemaal niet te snappen! Het is de bedoeling dat je het leest en het mooi vindt, desnoods dat je vermoedt wat de schrijver bedoelt. Maar helemaal zeker weet je het nooit, dat is nou juist de schoonheid ervan.”

Zijn er bepaalde thema’s die je in je stadsgedichten naar voren wil laten komen?
“Ik heb geen echte thema’s, maar sommige dingen houden me bezig. Overdreven machtsvertoon van de politiek en de politie bijvoorbeeld, dat vind ik heel on-Amsterdams. Er zijn bij manifestaties mensen opgepakt voordat ze een misdrijf pleegden. De spandoeken tegen Verdonk die verboden werden, dat heb ik kort meegenomen in mijn eerste stadsgedicht, omdat ik me er wild aan ergerde. Amsterdam is in de hele wereld synoniem aan vrijheid, maar daar merk je verdomd soms weinig van.”

Je was trouwens dit jaar niet uitgenodigd voor het Boekenbal, hè?
“Nee.”

Jij bent een van de mensen die de Gouden Doerian in het leven heeft geroepen, de prijs voor het slechtste Nederlandse boek. Heeft een en ander met elkaar te maken?
“Je zou het bijna denken. Ik was dit jaar gevraagd met de band mee te spelen op het Boekenbal. Maar de dag ervoor werd ik gebeld met de mededeling dat de CPNB niet wilde dat ik meedeed. Ach ja. Ik ben als PC-redacteur en later als redacteur van Thomas Rap 10 jaar lang naar het Boekenbal geweest. Ik ken het daar wel. Het is vooral gezellig omdat je vriendjes uit de literatuur er ook zijn.”

Na de Gouden Doerian heb je vast een stuk minder vriendjes daar.
“Nee, mijn vrienden zien er de lol wel van in. Misschien heb ik iets meer vijanden. Een rijk bezit.”

Is het een serieuze prijs of een grap?
“Het is begonnen als grap, maar er zat een serieuze gedachte achter. Er komen zoveel slechte boeken uit, je ziet door de bomen het bos niet meer. Vorig jaar hebben we die prijs bedacht, maar we hebben toen niet goed onderbouwd waarom bepaalde boeken waren genomineerd. Dat was stom. Dit jaar hebben we een uitgebreid, beargumenteerd juryrapport opgesteld waarin precies staat waarom boeken zijn genomineerd, en waarom de Gouden Doerian naar Roes is gegaan.”

Ben je niet bang er zelf eens voor genomineerd te worden?
“Nee. Ik denk dat dat niet gebeurt, omdat ik vertrouwen heb in wat ik maak. Maar dit was mjn laatste jaar als jurylid, als de nieuwe jury van volgend jaar mijn boek nomineert zal ik deemoedig het hoofd buigen.”

Maar je maakt jezelf er wel kwetsbaar mee. Mensen gaan jou misschien een stuk kritischer lezen nu.
“Laat ze dat vooral doen. Laat ze vooral mijn volgende boek kopen met de gedachte: “Kom maar op met je grote bek.” Er is niks op tegen om op je werk beoordeeld te worden. Wat me geërgerd heeft aan het gekrakeel rond de Doerian was dat er vrijwel geen gefundeerde kritiek was, maar dat het vooral in het persoonlijke werd getrokken. Juryleden die door schrijvers en journalisten, we hebben het over volwassen mensen, werden uitgemaakt voor aanranders, arrogante zakken en oorlogsmisdadigers. Hallo!”

Zijn de tenen in de literaire wereld zo lang?
“Enorm lang. Je mag eigenlijk niets negatiefs zeggen over boeken, omdat dat niet collegiaal zou zijn. De literatuur mag enkel geprezen worden. Een middeleeuwse denktrant. Ik vind het een vorm van fundamentalisme als je geen kritiek op boeken mag geven.”

Maar jullie kritiek is niet zachtzinnig. Ik kan mij voorstellen dat Carla Boogaards een slechte avond heeft gehad.
“Dat kan ik ook begrijpen. Maar moet je dan je mond maar houden? Bij mijn uitgeverij stonden ze ook niet te juichen. Ik zit namelijk bij dezelfde uitgeverij als Carla, Nieuw Amsterdam. Maar ze konden er ook wel weer om lachen. Dat is natuurlijk het beste dat je kunt doen. Denk je dat Paul Verhoeven nog wakker ligt van de Golden Raspberry die hij gekregen heeft voor Showgirls? Uitgeverijen geven te veel en te veel slechte boeken uit. Iedereen in het vak beaamt dat. Daar mag best iets van worden gezegd. O, en wil je nog iets grappigs weten? Ik heb net gehoord van de uitgeverij dat Roes ineens weer verkoopt. De mensen worden toch nieuwsgierig.”

Verkoop je zelf nog een beetje?“Mijn laatste boek, Tromboneliefde, wordt herdrukt. Daar ben ik blij mee.”

Het is natuurlijk niets in vergelijking met de verkoopcijfers van Heleen van Rooijen. Jaloers?
“Ontzettend jaloers! Het is geweldig zo’n groot publiek te bereiken. Aan de andere kant zou ik niet Heleens fans willen hebben. Ik mail weleens met haar en op een gegeven moment excuseerde ze zich omdat haar antwoorden zo lang op zich lieten wachten. Maar ze kreeg duizend mails per dag, en echt niet alleen maar leuke. Mensen gaan je als hun persoonlijk eigendom beschouwen. Daar word je gek van.”

Hè bah, fans.
(lachend) ”O, als ik een vast lezerspubliek van 50.000 mensen had zou ik ze allemaal in mijn armen sluiten. En heus niet alleen de blonde lezeresjes.”

En wanneer komt je volgende boek uit, voor die fans?
“Ik ben hard bezig. Ergens in de loop van dit jaar moest het maar eens klaar zijn. Speur maar in de boekhandel in oktober.”

Posted by jaeggi at 12:50 pm

oude wond

Voor een artikel herlas ik afgelopen week mijn lievelingsboek: Arthur, The Once And Future King van T.H. White, het verhaal van Arthur, Lancelot en Guinevere, mooiste en meest tragische liefdesgeschiedenis aller tijden.
Onderstaande scène heb ik al honderd keer herlezen: het is aan het einde van alles, de minnaars zijn oud, net als hun liefde. Het scheurde voor de zoveelste keer die oude wond open, de oude wond van de keer dat ik het voor het eerst las.

‘Lancelot had in de tuin een ladder gezien die lang genoeg was voor zijn doel – en hoewel zij geen afspraak hadden gemaakt, wachtte de koningin. Toen zij zijn verschrompelde gezicht voor het raam zag met de nieuwsgierige neus tegen de sterren, dacht zij niet dat het een waterspuwer of een demoon was. Zij bleef enkele hartslagen lang staan en voelde het onstuimige bloed naar haar hals opwellen en liep zachtjes naar het raam. Niemand weet wat zij tegen elkaar zeiden. Waarschijnlijk kwamen zij tot de slotrsom dat het onmogelijk was van Arthur te houden en hem tegelijkertijd te bedriegen.(-)Waarschijnlijk werden zij het er volledig over eens dat hun schuldige liefde als geëindigd moest worden beschouwd.
Later fluisterde Sir Lancelot: “Ik wou dat ik mocht binnenkomen.”
“Dat wou ik ook.”
“Zoudt u willen, madam, met heel uw hart, dat ik bij u was?”
“Waarlijk.”
Toen hij de laatste ijzeren tralie brak, sneed hij zich tot op het bot in de palm van zijn hand. Nog later verstomde het gefluister en heerste er stilte in de duisternis van het vertrek.’


Posted by jaeggi at 12:48 pm

13 april 2006

zuur

Je hebt ook van die mensen die de hele avond met een glas sinaasappelsap in hun handen staan - sjuderans, zeggen ze in de horeca. Ieder zijn meug. Mensen die niet van bier of wijn houden moeten er ook zijn, denk ik dan. net als mensen die gretig elke gelegenheid aangrijpen om weer een avond de BOB te zijn. Vrijheid blijheid, maar ík ga er liever niet naast staan, in die zure walm.
Bovendien hebben mensen die sap drinken, zo is algemeen bekend, geen conversatie. Ten eerste staan ze de hele avond zure boertjes weg te slikken, wat het gesprek al niet ten goede komt, ten tweede doen ze hun mond liever niet open omdat hun tanden flink te lijden hebben van al dat zuur, en ten derde, en dat is het ergste, missen ze volledig dat tolerante en spontane dat mensen die wél alcohol drinken zulk aangenaam gezelschap maakt.
In een gezelschap pik je de sapdrinkers er zo uit, met die zure koppen. Broodnuchter, met dichtgeknepen oogjes staan ze je aan te staren, alsof het jouw schuld is dat zij de lijn van het gesprek niet kunnen volgen. Maar de verzuurde geest van een sapdrinker is gewoon niet in staat om dezelfde vrije, associatieve sprongen te maken als de door alcohol veredelde geest van de echte drinkers, dus ze lopen voortdurend achter de feiten aan. Als er een keer een kleine pauze in de conversatie valt staan ze dan ook met hun mond vol aangevreten glazuur. Gelukkig is er altijd een ober in de buurt. De overgebleven glazen op zijn dienblad zijn altijd de glazen sjuu. Soms pakken ze er meteen twee.
Dat lijkt allemaal heel onschuldig, en er wordt in dit land met zijn gedoogcultuur altijd sussend over gedaan, maar het wordt tijd nou eens hardop te zeggen, en omdat niemand anders het doet doe ík het dan maar weer: mensen die altijd sap drinken, die deugen niet. Dat zijn achterlijke mensen. Ik bedoel natuurlijk niet dat ze achterlijk zijn, maar ze zijn wèl ergens blijven steken. Mensen van boven de vijftien die nog sap drinken hebben nooit de stap naar volwassenheid kunnen of durven maken. Die zitten eigenlijk nog in een soort anale kinderfase. Die hebben niet de ontwikkeling doorgemaakt die wij normale mensen wel hebben gekend, van shandy via breezers naar het volwassen werk, en daarom moet je eigenlijk medelijden met ze hebben. Ze weten niet wat ze missen, alleen dát ze wat missen, en dat maakt ze jaloers, achterdochtig en zuur.
Het zou voor iedereen het beste zijn als sapdrinkers niet meer werden toegelaten op plaatsen waar ook alcohol wordt geschonken. Ik bedoel: wat heb je er aan? Zíj staan alleen maar zuur om zich heen te kijken, omdat ze niet begrijpen waarom de rest zo vrolijk is, en wíj voelen ons daar ongemakkelijk bij. En dan zeg ik: als je niet wilt meedoen met de rest, wat doe je hier dan? Waarom maken we in café’s niet gewoon een apart kamertje voor de sjuderansdrinkers, waar ze lekker onder elkaar kunnen zijn, en de dingen doen die zulke mensen onder elkaar schijnen te doen? Daar worden die mensen zelf ook véél gelukkiger van.


Posted by jaeggi at 12:07 pm

12 april 2006

whoa!

Het zou best eens kunnen dat dat de droom is van al die (bijna)-anonieme webloggers: ooit een rol te spelen in de, al of niet erotische, dromen van een andere weblogger.
Want deze Adriaan, dat ben ik toch zeker?
Ah toe.

Posted by jaeggi at 09:05 pm

11 april 2006

waar gebeurd

Het was een prachtige zonnige lentedag. De wind was nog koud maar leek bereid tot inkeer. Op de gracht waar ik fietste was precies plaats voor mij en de grote donkerblauwe BMW die naast mij reed. Dat wil zeggen, tot hij van de rechte lijn afweek en mij geleidelijk steeds verder opzij drukte. Ik riep een waarschuwing. De BMW bleef doordrukken. Ik keek opzij en zag dat de bestuurder met één hand aan het stuur en de andere aan zijn oor, druk in gesprek was. Ik slaakte een tweede kreet, maar hij hoorde mij niet. De geheel in bont verpakte vrouw naast hem keek strak voor zich uit, alsof ze het wel gewend was dat er naar haar geschreeuwd werd. Het was duidelijk dat er ingegrepen moest worden. Allereerst redde ik mijzelf met een atletische sprong naar de stoep, die door voorbijgangers werd beloond met spontaan applaus. De BMW sukkelde intussen rustig verder over de gracht. ‘Dat gaat zo maar niet, schurk,’ siste ik. Ik sprong op mijn rijwiel en zette de achtervolging in. Toen ik de BMW had ingehaald zwenkte ik de stoep op, schoot langs zijn voorbumper de straat weer op, gooide mijn fiets in de slip en remde dwars voor zijn wielen. Hij stopte op een paar centimeter van mijn kettingkast. De bestuurder, een vlezige jongeman met een gouden brilmontuur, keek met een verveelde blik naar het obstakel, terwijl hij zijn telefoongesprek afmaakte. De vrouw rommelde intussen in haar schoot, haalde een sigaret tevoorschijn en stak die tussen haar volle lippen. De bestuurder klapte zijn mobiel dicht, opende langzaam zijn portier, hees zich naar buiten, legde één arm op het dak en de andere op het portier en zei: ‘Ja, wat mot je nou.’
‘Wat ik moet, vriend? Ik moet niets! Gij moet uitkijken, dát moet ge. Zoeven terug sneed gij mijn pad af! Denkt ge dat ge alleen op de wereld zijt, ongedierte? Als gij u in de stad beweegt moet gij uit uws doppen kijken, en niet ondertussen met uwen mobiele kunstpik in uwes oor zitten wroeten.’
De vrouw schoot in de lach. De bestuurder wierp een getergde blik naar binnen, maar ze deed of ze hem niet zag. In plaats daarvan draaide ze haar raampje open en blies een strakke rookpluim in de tintelende lentelucht.
‘Oké, jij je zin,’ zei hij. ‘Haal nou die fiets maar weg, dan kan ik doorrije.’
Hij maakte aanstalten weer achter het stuur te gaan zitten. Met mijn fiets aan de hand liep ik naar de kant van de auto waar de vrouw zat. Ze had lichte groene ogen, die me vrijpostig opnamen. Ik zei: ‘En u, jongedame, zou uw partner erop moeten wijzen dat handsfree bellen tegenwoordig verplicht is. Is het niet eenieders verantwoordelijkheid zorg te dragen voor de veiligheid van zijn medemens?’
Haar ogen schoten vol tranen. De man zat weer achter het stuur, maar voor hij kon starten had de vrouw haar portier geopend en was uitgestapt. Zij bukte zich en zei eenvoudig: ‘Vaarwel Willem. Ik ga van je weg. Je bent een patser en een proleet. Het ga je goed.’
Daarna liet ze zich elegant neer op mijn bagagedrager en sloeg haar bonten armen om mij heen. Licht slingerend reden wij de zonsondergang tegemoet, nagestaard door de bewonderende blikken der gewone mensen.


Posted by jaeggi at 10:20 am

10 april 2006

dag lieve jongen

(Dit bericht verscheen vandaag ook in Het Parool).

Gerard Reve was geen dichter. Hij noemde zich geen dichter, en in de Dikke Komrij, het walhalla voor Nederlandse dichters, wilde hij niet opgenomen worden. Toch heeft hij meer onsterfelijke dichtregels geschreven dan de meeste Nederlandse dichters bij elkaar.

Graf te Blauwhuis
(voor buurvrouw H., te G.)

Hij rende weg, maar ontkwam niet,
en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.
Een strijdbaar opschrift roept van alles,
maar uit het bruin geëmaljeerd portret
kijkt een bedrukt en stil gezicht.
Een kind nog. Dag lieve jongen.

Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al, ja ja, kom er eens om,
Gij weet waarom het is, ik niet.
Dat Koninkrijk van U, weet u wel, wordt dat nog wat?

Met maar een klein beetje overdrijving zou je kunnen zeggen dat bijna al Reve’s gedichten onsterfelijk zijn, al was het maar omdat die Ene er zo vaak zo levensgroot in voorkomt: ‘Voordat ik in de Nacht ga die voor eeuwig lichtloos gloeit,/ wil ik nog eenmaal spreken, en dit zeggen:/ Dat ik nooit anders heb gezocht/ Dan U, dan U, dan U alleen.
In de tweedelige documentaire over het leven van Reve die enkele weken geleden werd vertoond, en in de artikelen die erover geschreven werden, werd voortdurend de vraag gesteld: meende Reve nu werkelijk wat hij zei over het geloof, of dreef hij er enkel de spot mee, zoals hij met alles de spot dreef? Ik zie niet in hoe iemand die vraag nog kan stellen na het lezen van bovenstaand gedicht, of na het herlezen van de befaamde, afgrondelijke regels uit zijn ‘Drinklied’: ‘Troost mij toch, O Geest,/ in de nacht van 20 op 21 juli 1965,/ in diepe ontzetting, en omringd door Duisternis.’
Reve meende alles wat hij zei, zelfs op de momenten dat hij de spot dreef, of zich er makkelijk vanaf maakte, of vooral grappig probeerde te zijn, in een soort wrede spagaat tussen vrees, nederigheid en hoop: ‘Omdat ik niet meer slapen kan, klim ik uit bed./ Het is half vier. De dag verheft zich, en ik zie/ Uw gruwelijke majesteit./ Wanneer ik dood ben, hoed dan Teigetje.
Voor steile gelovigen, is zoiets, het al te familiar aanspreken van de Allerhoogste, een gruwel. Maar voor Reve was het alles één: God, liefde, seks, openbaring, de maagd Maria en de fatale Jongen, het aanbeden dier, Slaaf en Broeder. Voor mensen die één onaantastbaar Godsbeeld hebben is Reve niet te begrijpen – of de duivel - maar voor elke vorm van dogmatisch of fundamentalistisch denken is hij het medicijn. Als men hem dan vroeg hoe zat met de Paus prees hij eerst de verdiensten van de man, somde zijn denkbeelden op en prees die eveneens, om daar vervolgens aan toe te voegen: ‘Maar verder hoeft niemand zich daar natuurlijk ook maar iets van aan te trekken'.
Het zou bepaald nuttig als zich de komende jaren een onderzoeker zou werpen op het onderzoek naar de invloed van Gerard Reve op de religieuze emancipatie in Nederland – en in één moeite door zou bepalen wat hij voor de nieuwe rabiate vormen van religie kan betekenen. Want als Reve ergens in geloofde was het vooral in zichzelf: ‘Is er nog nieuws? Jawel./ Goed nieuws, zeer goed zelfs. Spreek maar gerust/ van blijde tijding:/ God trok Zich af terwijl Hij dacht aan mij.’
En met dezelfde zachte, gebiedende toon beschreef hij hoe het zou moeten gaan, als het eenmaal zover was:

Mijn as wordt begraven op het kerkhof te Greonterp
De mensen die komen kijken, krijgen met onbekrompen maat te drinken,
De kinderen ook, dat staat geschreven.
Er komt een houten kruis, waarop te lezen valt:
GOD IS LIEFDE, verder niks.
Dan komt de harmonie, en speelt een lied,
Langzaam en vroom, met veel koper.
Als er wel wolken maar geen wind is wordt de hemel
een sluier van stilte
en daalt iets neer dat veel lijkt op geluk.


Posted by jaeggi at 04:10 pm

07 april 2006

de stand van de liefde

Op vrijdag 7 april (vandaag dus) vindt in Paradiso een theatrale avond plaats over de stand van de liefde in Amsterdam. Een avond met levensliederen in het Turks, bejaarde homo's, kinderlijke wijsheid, de stadsdichter, de wethouder en natuurlijk het publiek. Aan deze stedelijke barometer, deze niet-representatieve steekproef onder stadsbewoners doen mee: zangeres Meral Polat, Reint van de Brink, acteur en zanger Felix Strategier van theatergroep Flint. 1000 & 1 verzorgt de vormgeving en een culinaire verrassing, Lindai Boogerman doet een sociaal experiment met haar alter ego Richard en de theatrale presentatie is in handen van Esmé Wekker, Mariette Zabel en Margien van Doesem.
Liefde in de Stad doet filmisch verslag van de verhalen van o.a. Ben van Elsland, 82 jaar, die in de jaren 50 in de gevangenis belandde omdat hij op straat zoende met een man. Ook gaat wethouder Ahmed Aboutaleb in op de vraag waar hij liefde vindt in Amsterdam. De regie van het gehele programma is in handen van theatermaker Fenneke Wekker.

Ik ga vanavond dus naar Paradiso. Om te kijken of ze mijn stadsgedicht-deel (zie onder) goed op het beeldscherm projecteren, en of het goed op de T-shirts - hadden natuurlijk eigenlijk boxershorts moeten zijn - gedrukt staat, maar vooral om te peilen wat de Stand van de Liefde is. U hoort ervan.


III

Wij drijven als planeten uit elkaar.
We pakken een terrasje onder koude sterren, lallen
ik hou zoveel van je.

Niet alles is verloren maar wel je fiets als je hem niet vastniet
aan het trottoir als het er is.
Wij drijven als planeten uit elkaar.

Ik heb niks van je aan en nee ik heb
geen kleingeld voor koffie maar ik kan
proberen van je te houden.

Je bent een watje dat je nog in God gelooft of Allah
Of hoe heet hij vandaag spicy chicken.
Je bent hulpeloos en misleid maar dat vind je van mij ook.
Ze zeggen dat dat een band schept.

Ik rij je voor je kloten als je niet uitkijkt bij het
oversteken maar dat betekent niet
dat ik niet van je hou.

Wij drijven als planeten uit elkaar
maar ook na honderd miljard jaar
als het Kalfje zijn deuren sluit
hou ik nog van je.
Geloof me maar.

Posted by jaeggi at 11:44 am

06 april 2006

krom pratende helden

Ik heb een hekel aan interviews, er zijn maar weinig mensen die goed kunnen interviewen en die hebben vaak de pech dat ze tegenover mensen zitten die niet goed geïnterviewd kunnen worden – ook een kunst – en zo wordt bijna elk interview een soort van platwalsen en dunpraten van elk denkbaar onderwerp.
Toch is het heerlijk om goed geïnterviewd te worden. Aanstaande vrijdag is op de VPRO-radio een goed interview te horen, als ik me niet vergis. Dichter Erik Jan Harmens weet namelijk hoe het moet (interviewen), en ik… Nu ja, luistert u zelf maar.
7 april 2006 20:02 747 AM: De Avonden: EJ praat met AJ, onder meer over onderstaand gedicht. Als het niet goed was hoor ik het wel.


Je kijkt om naar wat achter de propellors van de tijd
een vergissing van schrikbarende proporties lijkt.
Je bezweert. Je probeert je lacht
er valt en maakt er maar wat

blijkt: tweehonderd kubieke meter herinnering
zacht wiegend aan zee,
de meeuw van je eerste zonnesteek
en brandende kringen om je ogen
getoverd door vaag ouderlijk op hun volle best,
troost gaar geprutteld op een stinkkomfoor,
waar genadeloze soep je trok voorgoed van de
krom pratende helden uit je kindertijd


Posted by jaeggi at 02:51 pm

05 april 2006

vangst van de dag (13)

'Ze reden stapvoets door de stad, over smalle, bultige grachten waar nauwelijks ruimte was voor een auto van enige afmeting, laat staan voor een limousine. Voetgangers die ze passeerden keken nieuwsgierig en spottend naar de verduisterde ramen, vooral als ze moesten stoppen omdat de weg versperd werd door een bestelauto die verlaten midden op de weg stond. Pas na langdurig toeteren verscheen er een geërgerd gezicht vanuit een deuropening, en na nog enige minuten wachten slenterde de bestuurder langzaam naar buiten, stapte in zijn auto en trok tergend langzaam op.
Pluto zat bij het raam, zijn handen tussen zijn knieën geklemd. Hij keek naar buiten, naar het gebutste zilveren lichaam van het water naast de kade. Ze passeerden donkere silhouetten van woonboten, onbeweeglijke zwarte blokken, en tientallen kleine, half gezonken bootjes die als gehangenen in hun stroppen aan de kade hingen.'

(hoofdstuk 17)

Posted by jaeggi at 10:01 pm

02 april 2006

edele dieren

Alle dieren hadden poten, alleen paarden hadden benen.
Nooit begrepen, het verschil.
Ik heb wel eens, in lege uurtjes op school, een staatsieportret van Beatrix belegd met reepjes papier, zodat alleen haar gezicht overbleef, en nadat ik er een snor en paar harige wratten op had getekend en weer had weggegumd bleef het gezicht over van een doodgewone huisvrouw, zo een die in de bijkeuken een permanente stapel strijkgoed heeft liggen die maar niet kleiner wordt.
Ook nooit begrepen waarom zo iemand majesteit zou moeten heten.
Nee, dit wordt geen stuk tegen koninginnedag of de koningin. Ik heb niks tegen Beatrix. Ooit speelde ik met een studentenbandje op een feest bij van mensen van interstellaire rijkdom (wij dachten dat we precies op tijd waren, in ons manke gehuurde busje, maar toen we aanbelden bij de poort bleek dat we nog een kwartier oprijlaan te gaan hadden). Toch bleek het een feest als alle andere: van bier en champagne via de witte wijn naar de rode, terwijl de band achter de coulissen een bord lauwe doperwtjes verorberde, en toen we rond een uur of twaalf When the Saints inzetten stond iedereen met zijn handen in de lucht ordinair met zijn heupen te schudden, behalve die vrouw met het plexiglas kapsel die kaarsrecht, met haar handen op heuphoogte alsof ze een opdringerige kabouter probeerde af te weren, lachend maar beheerst stond te jiven, en ik dacht, toen ik mijn ogen opendeed na een solo: ‘Tering, de vorstin.’
Het is moeilijk om een hekel aan iemand te krijgen die op jouw muziek heeft staan dansen, ook al zie je haar elk jaar chagrijniger de troonrede voorlezen, de zoveelste krans de Dam over sjouwen en op Koninginnedag de zoveelste demonstratie van fierljeppen en twûutsjesjorren aanzien. Het is bijvoorbeeld veel makkelijker een hekel te krijgen aan de leden van dat dorre huis van Windsor aan de overkant van het Kanaal, die altijd doodongelukkig uit hun waterige oogjes kijken als ze zich op dezelfde ooghoogte bevinden als gewone sterfelijken. Ze lijken pas weer opgelucht als ze vanuit het zadel op de wereld kunnen neerzien.
Van Beatrix sluit je niet uit dat ze er nog lol in heeft ook, dat rollebollen met de plaatselijke bevolking op Koninginnedag, inclusief de lokale burgemeester die zich op het hoogtepunt van het twûutsjesjorren naar haar overbuigt met zijn zure koffieadem, om haar de fijne kneepjes van het spel uit te leggen. Ze heeft immers gezegd het koningschap als een roeping te zien, dus daar hoort ook al dat versteende ritueel bij, en die ondrinkbare oranjebitter.
Maar wat zou ze precies bedoelen met een roeping?
Toch niet dat ze het als haar taak ziet ons volk door moeilijke tijden te leiden? Even afgezien van de staatsrechtelijke haken en ogen (‘het volk door moeilijke tijden leiden’ staat al in de functieomschrijving van Jan Peter Balkenende): waarom zou je je inspannen voor een stel kankerpitten dat moord en brand schreeuwt als er zegge en schrijve 5 euro vijfentwintig - nog niet genoeg voor een beetje leuk bloemetje – van hun rekening wordt afgeschreven voor een Royaal kado? Of voor al die mannen in hun slecht zittende krijtstrepen en hun platgekamde haar die pro forma met haar over staatszaken komen praten?
Het koningschap is geen roeping. Het is een reeks van verplichte oefeningen op de maat van muziek die heel lang geleden is uitgezocht. Het is de verplichte kuur van Bonfire op Prinsjesdag, Vijf Mei en Koninginnedag, afgewisseld met een vrijere kuur tijdens de recepties met prinses Benedikte en prins Richard zu Sayn-Wittgenstein-Berleburg, met koning Carl XVI Gustaf en koningin Silvia, prinses Christina en de heer Tord Magnusson. Het is gefluister van champagne in kristal geërfd van oudoom Philibert, die de bestorming van Rome nog heeft geleid. Het is het knarsen van antieke botten in zijde en goudbrokaat. Het is levend, wandelend verleden, en iedereen is doodsbenauwd er een barst in te maken. God, wat moet dat een hel zijn, altijd dat protocol: zacht praten, geen plotselinge gebaren, laten we de edele dieren niet aan het schrikken maken.
Maar neemt u van mij aan: dansen kan ze. Die roeping, ach, maar met haar ritme is niks mis.

Posted by jaeggi at 02:18 pm