« de stand van de liefde | Main | waar gebeurd »

10 april 2006

dag lieve jongen

(Dit bericht verscheen vandaag ook in Het Parool).

Gerard Reve was geen dichter. Hij noemde zich geen dichter, en in de Dikke Komrij, het walhalla voor Nederlandse dichters, wilde hij niet opgenomen worden. Toch heeft hij meer onsterfelijke dichtregels geschreven dan de meeste Nederlandse dichters bij elkaar.

Graf te Blauwhuis
(voor buurvrouw H., te G.)

Hij rende weg, maar ontkwam niet,
en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.
Een strijdbaar opschrift roept van alles,
maar uit het bruin geëmaljeerd portret
kijkt een bedrukt en stil gezicht.
Een kind nog. Dag lieve jongen.

Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al, ja ja, kom er eens om,
Gij weet waarom het is, ik niet.
Dat Koninkrijk van U, weet u wel, wordt dat nog wat?

Met maar een klein beetje overdrijving zou je kunnen zeggen dat bijna al Reve’s gedichten onsterfelijk zijn, al was het maar omdat die Ene er zo vaak zo levensgroot in voorkomt: ‘Voordat ik in de Nacht ga die voor eeuwig lichtloos gloeit,/ wil ik nog eenmaal spreken, en dit zeggen:/ Dat ik nooit anders heb gezocht/ Dan U, dan U, dan U alleen.
In de tweedelige documentaire over het leven van Reve die enkele weken geleden werd vertoond, en in de artikelen die erover geschreven werden, werd voortdurend de vraag gesteld: meende Reve nu werkelijk wat hij zei over het geloof, of dreef hij er enkel de spot mee, zoals hij met alles de spot dreef? Ik zie niet in hoe iemand die vraag nog kan stellen na het lezen van bovenstaand gedicht, of na het herlezen van de befaamde, afgrondelijke regels uit zijn ‘Drinklied’: ‘Troost mij toch, O Geest,/ in de nacht van 20 op 21 juli 1965,/ in diepe ontzetting, en omringd door Duisternis.’
Reve meende alles wat hij zei, zelfs op de momenten dat hij de spot dreef, of zich er makkelijk vanaf maakte, of vooral grappig probeerde te zijn, in een soort wrede spagaat tussen vrees, nederigheid en hoop: ‘Omdat ik niet meer slapen kan, klim ik uit bed./ Het is half vier. De dag verheft zich, en ik zie/ Uw gruwelijke majesteit./ Wanneer ik dood ben, hoed dan Teigetje.
Voor steile gelovigen, is zoiets, het al te familiar aanspreken van de Allerhoogste, een gruwel. Maar voor Reve was het alles één: God, liefde, seks, openbaring, de maagd Maria en de fatale Jongen, het aanbeden dier, Slaaf en Broeder. Voor mensen die één onaantastbaar Godsbeeld hebben is Reve niet te begrijpen – of de duivel - maar voor elke vorm van dogmatisch of fundamentalistisch denken is hij het medicijn. Als men hem dan vroeg hoe zat met de Paus prees hij eerst de verdiensten van de man, somde zijn denkbeelden op en prees die eveneens, om daar vervolgens aan toe te voegen: ‘Maar verder hoeft niemand zich daar natuurlijk ook maar iets van aan te trekken'.
Het zou bepaald nuttig als zich de komende jaren een onderzoeker zou werpen op het onderzoek naar de invloed van Gerard Reve op de religieuze emancipatie in Nederland – en in één moeite door zou bepalen wat hij voor de nieuwe rabiate vormen van religie kan betekenen. Want als Reve ergens in geloofde was het vooral in zichzelf: ‘Is er nog nieuws? Jawel./ Goed nieuws, zeer goed zelfs. Spreek maar gerust/ van blijde tijding:/ God trok Zich af terwijl Hij dacht aan mij.’
En met dezelfde zachte, gebiedende toon beschreef hij hoe het zou moeten gaan, als het eenmaal zover was:

Mijn as wordt begraven op het kerkhof te Greonterp
De mensen die komen kijken, krijgen met onbekrompen maat te drinken,
De kinderen ook, dat staat geschreven.
Er komt een houten kruis, waarop te lezen valt:
GOD IS LIEFDE, verder niks.
Dan komt de harmonie, en speelt een lied,
Langzaam en vroom, met veel koper.
Als er wel wolken maar geen wind is wordt de hemel
een sluier van stilte
en daalt iets neer dat veel lijkt op geluk.


jaeggi om 10 april 2006 16:10