« coehoorn | Main | carrière »

02 maart 2006

stadsgedicht bij eenzame uitvaart

Temperatuur, zonlicht en sneeuw waren volmaakt op de Nieuwe Oosterbegraafplaats. De dooi was nog niet ingetreden, de sneeuw was vers en pluizig, en ik had nog bijna een uur de tijd voor ik mijn gedicht moest voorlezen bij de eenzame uitvaart van mevrouw Waterman.
Ik kom zo vaak te laat op afspraken dat ik mij had voorgenomen dit keer ruim op tijd te zijn. Je wilt niet te laat komen op iemands crematie, zelfs niet als het een volslagen vreemde betreft.
Van F. Starik, de onvolprezen organisator van de eenzame uitvaart in Amsterdam was het verzoek gekomen om toe te treden tot de Poule des Doods, de groep dichters die bij toerbeurt een gedicht schrijft voor overledenen zonder kind of kraai.
De sneeuw op de begraafplaats was zo vroeg, kwart over acht, nog maagdelijk, op een paar vreemde drietenige sporen na, die afkomstig leken van een zeer groot hert of anders een struisvogel. Terwijl ik het spoor volgde naar het eind van de begraafplaats, langs het nieuwe columbarium in aanbouw en het oude Van Heutz-monument, dacht ik aan mijn moeder, die inmiddels bijna dertig jaar op zo'n begraafplaats ligt te rusten. Zo word het genoemd, en zo stond het op de grafstenen waar ik langs liep: Rust zacht. Rust in vrede.
Je gaat je in gemoede afvragen wat mensen tijdens hun leven voor rugbrekende arbeid hebben moeten verrichten dat ze er eeuwig van moeten uitrusten.
Het was inmiddels bijna kwart over negen, ik werd in de rouwzaal verwacht. Iets gehaaster dan op de heenweg liep ik terug. Door mijn dreunende voetstappen lieten de bomen die ik passeerde hun sneeuw los en bepoederden mijn schouders en haar.
In de rouwzaal las ik mijn gedicht voor, in aanwezigheid van F. Starik, twee gedelegeerden van de dienst Uitvaarten van de gemeente Amsterdam, en de begeleidster van de uitvaart. Na afloop dronken wij gezamenlijk thee en koffie. Bij navraag bleek dat er op de Oosterbegraafplaats nimmer herten gesignaleerd zijn, laat staan struisvogels.

Buiten sprak ik nog enige tijd met F. Starik, tot mijn schoenen geheel doorweekt - de dooi had inmiddels ingezet, de zon scheen uitbundig - en mijn voeten verkleumd waren. Daarna nam ik tram 9 naar het Centraal Station. Om kwart voor elf was ik thuis. Mijn zwarte schoenen staan nu onder de radiator met proppen kranten erin.

Tweeëntwintig februari

I.M. Agatha Elizabeth Esther Waterman
22-2-1924 - 22-2-2006

Het wordt tweeëntwintig februari, en
dan blijkt dat is bepaald, nu
tweeëntachtig jaar geleden
door Jahweh, stamcel, DNA
dat je vandaag zou sterven –
tweeëntwintig februari.

Een samenloop, een toeval dat je
gelukkig noemen kunnen zou –
want na verloop van tijd bestaan wij
nog enkel maar uit data,
geboorte, huwelijk, dood,

maar dit ironisch toeval geeft
je vorm: de vrouw die stierf op
haar verjaardag, die iedereen
overleefde. Het moet genoeg
zijn, want: dichter komen wij niet,
nooit, misschien wel niemand ooit

zelfs niet de man die je voor vier jaar had,
en die misschien je noemde:
Aagje, Liesje, Sterre.

jaeggi om 02 maart 2006 11:10