« god's eigendom | Main | dulfer »
21 maart 2006
Muziek-literatuur: 1-0
Er is niets wat ik liever hoor dan het geluid van een hete, volle zaal, opgehitst door een wilde band – maar niet als dat mijn voorprogramma is.
Ik was naar Rotterdam gereisd, afgelopen zaterdag, om in het kader van de Boekenweek – nee, hij is nog steeds niet voorbij – voor te lezen in theater Lantaren-Venster. Ik zou na het lezen eventueel ook nog een nummertje spelen met de, niet onberoemde, trombonist Joseph Bowie. O ja, en één niet onbelangrijk detail: daarvóór zou de Hans Dulfer-band spelen.
Ik weet niet of u Dulfer het afgelopen jaar nog hebt zien optreden, maar zo niet: die man heeft een serieus probleem. Naast een dubieuze voorkeur voor muzikantenmoppen van het meest afgrijselijk melige soort heeft hij namelijk de energie van vier mannen van half zijn leeftijd. Dat is vooral hinderlijk als je na hem moet optreden. Driftig sta je in je meegenomen boek te bladeren, op zoek naar een passend voorleesstukje, terwijl Dulfer ondertussen toeterend het publiek in loopt. Je verwerpt de ene na het andere alinea terwijl de bassist voor op het podium is gaan staan en de eerste drie rijen tot waanzin drijft. ‘Iets leuks, iets swingends,’ mompel je panisch. Dulfer gaat voor de derde keer die avond door de geluidsbarrière.
En ik had toch al mijn twijfels bij dat Boekenweekthema. Het begon al toen de eerste optredens binnenkwamen. Ja, iedereen zag me graag komen, met mijn boek over muziek onder mijn arm, en of ik dan ook alsjeblieft mijn instrument wilde meenemen, voor jeweetmaarnooit (wat me trouwens doet denken aan dat verhaal over Yehudi Menuhin, die van een sjieke New Yorkse dame een uitnodiging kreeg voor een ‘intiem souper met een aantal dierbare vrienden’ na afloop van zijn concert in Carnegie Hall. Onderaan de uitnodiging stond: ‘en natuurlijk is ook uw viool van harte uitgenodigd.’ Waarop Menuhin terugschreef: ‘Ikzelf ben helaas verhinderd, maar mijn viool laat weten dat zij graag zal komen.’)
Elke keer als ik een aanvraag voor een Boekenweek-optreden kreeg, informeerde ik voorzichtig of het mogelijk was om mijn band mee te nemen. Niet? De helft dan? Alleen de ritmesectie? Alleen de bassist dan?
Het Boekenweekthema is schrijvers en muziek, elke schrijver die ooit ook maar aan een blokfluit geroken heeft is de hort op met zijn/haar gelegenheidsboekje, maar het blijft godsonmogelijk ergens een bandje neer te zetten. De enkele keer dat er, bij de gratie Gods en de CPNB, wèl een live orkest op het podium staat, wordt dat behandeld zoals alle muzikanten al honderd jaar worden behandeld: als het laagste personeel. De band Half on Signature, die vorige week zo lekker soul speelde op het Boekenbal, weet u hoe lang die op het podium moesten staan? Van kwart over tien tot ruim over half 2. Nee, dat was van tevoren niet afgesproken. Kom daar eens mee aan bij de vakbond.
En wat denkt u dat ze kregen voor hun moeite, behalve vier consumptiebonnen p.p.?
Niks. Nada. Nothing. Nichts. Zip. Rien du tout.
Omdat het een eer is om op het Boekenbal te spelen, natuurlijk. Omdat het goeie promotie is voor je band, en omdat het gezellig is, en goede promotie voor de band, en had ik het al over de eer gehad? Al dat gezwets dat je als muzikant moet aanhoren van mensen die tienduizend piek hebben gestoken in de slingers en twintigduizend in de oesters, maar geen vijfhonderd piek overhebben voor lekkere muziek. De CPNB mag dan propaganda maken voor het boek, deze week, maar de muziek komt er tamelijk bekaaid af.
Behalve dus afgelopen weekend in Rotterdam. Ik mag mijn twijfels hebben over het thema, ik heb me helemaal, 100% ingezet voor de Boekenweek op dat podium, en Dulfer en Bowie ook. CPNB-voorzitter Kraima zou trots op ons zijn geweest (al had hij waarschijnlijk geen entrée willen betalen).
Ik was nog niet aan de beurt toen Dulfer aan zijn laatste nummer begon, en ik ben niet iemand die dan zomaar het podium opspringt, maar… het nummer was St. Thomas. Nummer van Sonny Rollins, een fijne calypso die door Dulfer en kompanen een speedklisma kreeg toegediend. Het fijne aan Dulfer is dat hij die uitgekauwde themaatjes moeiteloos weer tot leven kan wekkken – zoals ze dat in ziekenhuisseries doen, door er een paar duizend volt doorheen te jagen. Dus ik trok de stoute schoenen aan en schreeuwde in Dulfers oor: ‘Hans, hallo, Adriaan Jaeggi hier (de band raast onverstoorbaar voort), ik moet zo op, hierna, maar mag ik alvast even meespelen?’
‘JA HOOR.’
Ik ren terug om mijn trombone te halen, heel Rotterdam grijnst, nóg een muzikant erbij, nóg een toeter, nóg meer lol, podium op, de pianist is net klaar met soleren, het is meteen aanpakken, want zo is Dulfer dan ook wel weer, meteen even kijken wat je waard bent, zo niet dan kan hij je meteen weer van het podium schoppen, dus ik god zegene de greep St Thomas tetter toet honk en het publiek valt synchroon achterover van de stoelen.
Even later – Dulfer en de rest van de band staan in de kleedkamer de na-het-optreden-geeuwhonger weg te kauwen – geef ik iedereen tromboneles. Ik maan ze diep te ademen (‘tot aan de schaamhaargrens!’) en Jezus in hun leven toe te laten, en dan staat Dulfer aan de rand van het podium en roept: ‘Mag ik ook effe een stukkie voorlezen?’
Het wordt een rasechte jamsession, man, dit is hoe het bedoeld is, in je uitgeholde boomstam op een junglerivier van gladde noten, niet bang zijn om naakt in de jungle rond te springen met je kapmes boven je hoofd.
Even later lezen Joseph Bowie en ik de gedachten van het publiek door onze trombones. Dulfer staat in de kleedkamer vloekend zijn cd’s weer in te pakken, want ze zijn nog te beroerd om een cd te kopen, die eikels. Ik begin een spiritual, en Joseph smeekt de zegen af in het hoogste register. Dulfer en zijn vrouw zitten grijnzend voor aan het podium. Het is al laat, en nog drie kwartier rijden naar Amsterdam.
Joseph Bowie huilt een stukje trombone. Ik probeer hem op te peppen met wat ritmisch raggen en we eindigen – perfect ongelijk.
‘Whoa!’ zegt Joseph, met een grijns zo breed als drie octaven. Het publiek joelt. Dulfer klapt. Joseph en ik schudden handen.
Het is de allereerste keer dat Joseph Bowie en ik elkaar op deze planeet ontmoeten.
jaeggi om 21 maart 2006 01:03
