« tweede druk | Main | tweede druk (herhaling) »
23 maart 2006
literatuur en pensioenopbouw
Vandaag een gastcolumn van schrijver Thomas Verbogt over de Boekenweek. Deze column werd eerder voorgelezen in het VPRO-programma Music Hall.
Normaal lees ik nooit de pagina Economie in de krant. Niet uit desinteresse, ook niet met de slappe verzuchting dat ik het toch niet begrijp, nee, het is meestal gebrek aan tijd. Vanochtend zag ik echter op deze pagina een portret van de schrijver van het boekenweekgeschenk Arthur Japin.
Nog nooit las ik iets van hem. Niet uit desinteresse, ook niet met de slappe verzuchting dat ik het toch niet begrijp, nee, het is gebrek aan tijd.
Daarbij komt dat wanneer ik zelf aan een boek werk, ik bijna geen boeken van anderen lees, behalve als het moet omdat ik er bijvoorbeeld een mening over moet geven. En het punt is dat ik bijna altijd aan een boek werk. Ook vandaar dat ik tot nog toe nog niets van Arthur Japin las.
Ook daarom legde ik de pagina economie voor me. Ik wilde graag weten wat Arthur Japin op die pagina doet.
Het is een klein interview. Op de vraag hoe hij het allemaal volhoudt, lees ik dat hij elke dag naar de sportschool gaat om daar 50 minuten aan cardio te doen.
Hier heb ik ontzag voor.
Ik bezoek maar één keer per week de sportschool.
Dat is niet uit desinteresse, of omdat ik niet begrijp wat ik daar moet doen, nee, het heeft met gebrek aan tijd te maken. Vanwege hetzelfde tijdgebrek ben ik al twee weken niet geweest.
Morgenmiddag ga ik wel.
Dat lijkt me wel nuttig na het boekenbal.
Een boekenbal kun je niet ongestraft bezoeken. Daar richt je altijd iets aan, iets wat jezelf betreft of anderen, maar het vaakst jezelf én anderen. Mijn trainer op de sportschool weet dat, want hij houdt me in de gaten. Hij zal me morgen zwijgend ontvangen. Nee, niet helemaal zwijgend. Hij spreekt negen woorden uit, namelijk deze: ‘Zo Thomas, we gaan een halfuurtje de bergen in.’ En dan wijst hij dwingend priemend naar een fietstoestel waaraan een beeldscherm is bevestigd waarop bergen te zien zijn. Daar moet ik dan zogenaamd doorheen fietsen, terwijl de trainer mij van een afstandje onbeweeglijk en kritisch gadeslaat. Morgen is dat natuurlijk wel goed, want dan kan ik tijdens het fietsen door de bergen, ik meen De Alpen, mijn gedrag op het boekenbal evalueren en kanaliseren.
Al een jaar of tien ga ik de dag erna niet meer zitten telefoneren om me overal te verontschuldigen, wat niet wegneemt dat het goed is stil te staan bij wat er heeft plaatsgevonden.
Goed, ik ga dus in principe eens per week naar de sportschool. Arthur Japin iedere dag. Ik denk dat dit verschil in onze oeuvres leesbaar is.
Maar wat doet deze informatie over het sportschoolgedrag van Arthur Japin op de pagina economie?
Dat wordt pas duidelijk bij de laatste vraag. Dat is namelijk deze vraag: ‘Is uw pensioen geregeld?’
Van dit soort vragen word ik nerveus en onrustig. Ik word er de laatste tijd ook vaak over gebeld. Meestal rond etenstijd. Sta ik een balletje gehakt te draaien en dan dient zich telefonisch ineens iemand aan van een bank of financieringsmaatschappij, iemand die ik niet ken en van wie ik de naam meteen weer vergeet, meestal een vrouw, dat wel, en ze vraagt niet Stoor ik? Maar: ‘Ik zou het graag even met u over uw pensioen willen hebben.’ Dan weet ik niet goed wat ik moet zeggen. Ik ken verder niemand die het mij daarover wil hebben. En daarom weet ik ook niet HOE ik het erover moet hebben.
Ik denk hier dus net iets te lang over na, met in mijn ene hand de bal gehakt die bijna gedraaid is, en in de andere hand mijn telefoon.
Aan de andere kant van de lijn wordt mijn zwijgen als groen licht beschouwd en de vrouw steekt van wal: ‘Heeft u uw pensioen geregeld?’
Ik zeg nee en voeg eraan toe dat ik dit op dit moment ook niet wil doen, omdat, zo zeg ik: Ik dit niet kan overzien. Ik begrijp helemaal niet wat ik bedoel met deze woorden. Hoezo kan ik dat niet overzien. De persoon aan de andere kant laat een vriendelijk lachje horen: daarom bel ik u, meneer Van de Boot, om u bij dat overzicht te helpen.
Verbogt, zeg ik, ik heet Verbogt.
Daarom bel ik u, meneer Verbogt, juist om u bij dit overzicht te helpen. Ik begrijp heel goed dat u dit overzicht niet heeft.
Ik moet zeggen: ik ben dan bijna om.
Als iemand zegt dat ze me begrijpt, kan die persoon meteen een potje breken, om het zo maar eens te zeggen.
Toch zeg ik: ik heb nu geen tijd, kunt u een andere keer terugbellen?
De vrouw zegt: Natuurlijk. Wanneer schikt het u?
Ik zeg vrijdagmiddag. Ik kijk in mijn agenda. Dan houd ik een lezing in Venray. Nogmaals zeg ik: ja, vrijdagmiddag. Ik leg neer en verzink als een uitdijende baksteen in metersdiepe gedachten.
Ik denk nooit aan mijn pensioen. Maar dat komt ook doordat ik helemaal niet met pensioen wil.
Mijn plan is nu gewoon door te gaan. Ik zou graag zien dat Jaap Boots me hier over twintig jaar in mijn rolstoel het podium optakelt. Natuurlijk hoor ik Jaap zeggen: Nee, niet in het glas water praten, de microfoon staat daar, maar het gaat me om het idee.
Maar ja, stel dat ik ineens toch met pensioen wil. Als je oud bent haal je je soms de raarste dingen in je hoofd, heb ik weleens gehoord. Misschien wil ik ineens wel pensioen. En dat kan ik dan wel willen, maar waar haal ik dat dan zo gauw vandaan. Als je schrijver bent heeft dat voor- en nadelen.
Meer voor- dan na-, moet ik zeggen. Maar dit is duidelijk een nadeel. Een pensioen is een gapend gat in je nadagen. Daarom ben ik vanochtend ook zo benieuwd naar het antwoord van Arthur Japin op de vraag: Is uw pensioen geregeld?
Arthur Japin heeft inderdaad een antwoord en dat antwoord heb ik vandaag nu al een paar keer opnieuw gelezen. Ik ken het bijna uit mijn hoofd. Arthur Japin antwoordt: Nee, schrijvers mogen hun eigen carrière plannen. Tot zover niets aan de hand. Dat zei ik zonet ook. Maar dan, en ik citeer: Ik hoef me over mijn pensioen geen zorgen te maken. Als ik een bedrag zou noemen, levert dat misschien scheve ogen op bij mijn collega-schrijvers. Einde citaat.
Iedere keer als ik dit antwoord lees, ben ik even stil. Eerlijk gezegd denk ik: zeg dan niks, Arthur! Zeggen dat je je geen zorgen hoeft te maken want er is een bedrag dat scheve ogen veroorzaakt: zeg dan niks! Dacht je dat wij, collega schrijvers, nu géén scheve ogen hebben? We hebben hartstikke scheve ogen! En dat niet alleen. We vragen ons ook af, Arthur, wat je in godsnaam geregeld hebt. En hoe. En met wie.
Een tipje van de sluier tilt hij op in de rest van het antwoord, want dat moet ik natuurlijk ook citeren.
‘Beleggen laat ik over aan mijn beleggingsadviseur. Ik heb alles uit handen gegeven. Ik zou er niet aan moet denken dat zelf te doen.’
Ik moet zeggen, ik ben nog nooit aan beleggen toegekomen, niet uit gebrek aan interesse, ook niet omdat ik denk dat er niets van snap, ook niet uit tijdgebrek, maar om allerlei andere redenen. Maar inderdaad, als ik wel aan toe zou komen, moest ik er niet aan denken het zelf te doen. Daar kwam ik ook achter vandaag.
Ik zit te schrijven, zo’n beetje de hele dag, dat is verder geen prestatie, want ik doe niets liever, en ik zorg heus wel dat ik er af en toe uit kom, maar ik merk wel dat ik aan veel dingen te weinig denk, bijvoorbeeld over mijn plaats in een leven waarin het almaar later wordt, in een maatschappij die er vanuitgaat dat je daar wel over nadenkt. Misschien houdt alles wel ineens op, ik bedoel, misschien kan ik ineens helemaal niets meer verzinnen. En daar kun je je natuurlijk niet tegen verzekeren.
Ik hoor me al in gesprek met zo’n verzekeringsman. Die vraagt: kun u uw vraag alstublieft even herhalen? En dan zeg ik het nog eens: ik wil me verzekeren tegen het onvermogen iets te verzinnen.
Het interessante aan verzekeringsmensen is dat ze meestal alles, maar dan ook alles zeker weten.
Daarom hebben ze ook vaak snorren. De mannen althans. Maar het zijn meestal mannen. Vrouwen hebben wel iets anders aan hun hoofd dan alles per se zeker te willen weten. Nee: mannen. Die altijd een beetje lachend praten. Voor wie de avonturen van Kuifje kent: het zijn allemaal Serafijn Lampionnen.
Maar nu staat de verzekeringsman met de mond vol tanden: u wilt zich verzekeren tegen het onvermogen iets te verzinnen. Dan moet ik even met het hoofdkantoor bellen. Het is niet ondenkbaar dat hij niet eens begrijpt wat ik bedoel.
Ja, het enige dat ik geregeld heb, is een eigen huis. Dat regel ik zelf. Dat regelen doe ik vooral tijdens slapeloze nachten. Maar goed, als ik niks meer kan verzinnen, verkoop ik gewoon dat huis en van de opbrengst koop ik een boot en dan zie ik wel weer verder. Maar met zulke plannen kom je niet op de pagina economie van De Volkrant.
Kijk, daarom wordt zo’n boekenbal georganiseerd. Het aantal schrijvers dat mag komen is uiterst beperkt. En ieder jaar weer een andere groep. Het merendeel van de gasten komt uit de andere kant van het boekenvak of de wereld van het televisie-amusement. Iemand van de organisatie drijft de genodigd schrijvers naar een speciaal afgebakend vlak op de dansvloer. Daar moeten ze dan de hele avond en de eerste uren van de nacht blijven. Dansen is verplicht. Want, zo meent de organisatie, niet is zo goed als je zorgen eruit te dansen.
De meeste schrijvers dansen uitermate raar. Maar dat komt door die zorgen. Door die pensioenkwesties. Het is een soort therapeutisch bewegen. Vanavond worden er tijdens het journaal vast beelden vertoond. Kijk naar Ilja Leonard Pfeiffer en je begrijpt wat ik bedoel.
De schrijver of schrijfster van het boekenweekgeschenk hoeft niet te dansen. Die mag vrij rondlopen en wordt tijdens dat rondlopen voortdurend gefilmd en geinterviewd. Hij heeft verder geen zorgen. Ook daarom bekijken we hem met scheve ogen.
jaeggi om 23 maart 2006 01:01
