« februari 2006 | Main | april 2006 »

30 maart 2006

is dit koel of wat

Iemand ooit gehoord van de roman Held van beroep? Over een jongen van veertien met drie neurotische oudere zussen, die niets liever deed dan zoveel mogelijk zwemmen? Met een moeder die overleed en die ze dan in een skibox stoppen en mee op de veerboot nemen om halverwege het Kanaal overboord te mikken?
Precies, die.
Er was toen een Nederlandse popmuzikant die erg onder de indruk was van dat boek. Hij schreef een nummer geinspireerd op het boek, Swim with Sam, en maakte er een demo van met zijn band A Balladeer. Nu gaat het in de popwereld al net zo langzaam als bij de film en de literatuur, maar als je stug volhoudt lukt het soms, uiteindelijk, toch.
De jongens van de band zijn net terug van de Kaapverdische Eilanden - lekker belangrijk - waar de clip van Swim with Sam is gemaakt. (Lukt dat niet probeer dan hier)

En daar wou ik het bij laten, want anders barst ik van trots uit mekaar. O ja, behalve dit: ik krijg hier bijna tranen van in mijn ogen (bijna!), want bij dit filmpje is het net of ik Sam zie, een paar jaar voor het verhaal begon dat ik over hem schreef, toen alles nog goed was en de wereld mooi.

Posted by jaeggi at 05:29 pm

reve

Vandaag geen tijd gehad om te bloggen, ben de hele ochtend en middag bezig geweest deze woorden uit te hakken in de betonnen muur van mijn werkkamer:

'Je moet goed je best doen en hard werken en je hartstochtelijk inzetten als je schrijft, maar tegelijkertijd moet je beseffen dat je maar een malle aansteller bent en dat de tijd je gewoon als stof op een blik zal opvegen.'

Gerard Reve zei dit, gisteren op tv. Geef het door, aan elke schrijver die u kent, geef het door, aan Leon, aan Joost, aan Gerard en aan Harry en Ramsey en Jacques, want ze hebben geen idee...


Posted by jaeggi at 05:17 pm

29 maart 2006

the zwoegende boezems ride again

Frans Pointl, schrijver van o.m. De kip die over de soep vloog, las vorige maand tijdens een bijeenkomst van voorleesgezelschap De Zwoegende Boezems (‘Beter gezelschap is er niet’), in café ’t Blaauwhooft op Bickerseiland, het onderstaande gedicht voor. Hij was zo goed het af te staan voor publicatie (en ik heb nu een gesigneerde Pointl in huis). Hij las dezelfde middag ook een hilarische Grunberg-persiflage voor, die halverwege op onnavolgbare wijze overging in een echte Pointl (seks met de hospita). Kortom: bij een optreden van de Zwoegende Boezems wordt u nooit teleurgesteld en altijd blij verrast (blij ver-ast, zou Frans Pointl zeggen).
En het goede nieuws is: het eerstvolgende optreden staat alweer gepland. Ditmaal op maandag 3 april in het Betty Asfalt Complex, om 20.30 uur (zaal open om 20.00 uur). Omdat er deze avond uitsluitend beroemde schrijvers en dichters optreden wordt er bij hoge uitzondering entreegeld gevraagd: 10 euro, oftewel tweejentwintigeneenhalve oude gulden. Maar dan heeft u ook iets: optredens van toekomstig Dichter des Vaderlands F. Starik, toekomstig LIBRIS-prijswinnaar Tommy Wieringa, toekomstig Bezige Bij-auteur Peter Müller, toekomstig Nobelprijs-jurylid Carel Helder, toekomstig hoofdrolspeler in de nieuwste Joop van den Ende-musical David Vos en toekomstig president van het Zwitserse kanton Sankt Gallen: Adriaan Jaeggi.
Maar nu eerst: Frans Pointl!


Het Albanese wonderkind

In Tirana heb ik hem horen spelen
het Albanese wonderkind
een lieftallige mongool
met een tong
waarop een glazenwasser jaloers zou zijn

een ziekelijke pianoleraar
had hem twee jaar gratis les gegeven
waarna zijn leerling hem overtrof
de leraar dacht: ik word dement

in Tirana heb ik hem horen spelen
dat Albanese wonderkind
uit het hoofd speelde hij
Skrjabins sonate nummer 2
daarna Chopins Scherzo nummer vier
en daarna de complete Kinderszenen
waarna hij vermoeid de toetsen aflikte

later zei de leraar:
hij kan alleen maar zo spelen
als hij een dag tevoren wordt afgeranseld
nu begreep ik ons verdriet in zijn spel
hadden de ouders hem geslagen?
in alle toonaarden ontkenden zij

toen ik vertrok
streek ik het wonderkind
over zijn zijdeachtig haar
en zonder slaag speelde hij
Vers la flamme van Skrjabin

voor ik het vergeet: hij speelde op een Hammerflügel
in 1839 gebouwd door Conrad Graf te Wenen
was alles op een Steinway & Sons
nog schitterender geweest?


Frans Pointl


Posted by jaeggi at 12:03 pm

27 maart 2006

Onbewoond Eiland

Waarom geef ik nooit eens zo'n leuk lijstje met favoriete platen of boeken op mijn weblog, was de klacht. Alle andere webloggers doen het! Lijstjes met favorieten zijn het meest gelezen op weblogs. Er zijn zelfs loggers die laten weten wat ze draaien op het moment dat ze aan het bloggen zijn! Het moment dat bloeddruk, hersenactiviteit en de vordering van de laatstgenoten maaltijd door het darmkanaal van de blogger op het web vermeld gaan worden kan niet ver meer af zijn.
Maar vooruit, ik ben niet ongevoelig voor smeekbedes. En nu we eindelijk weer een plaat kunnen draaien zonder daar een boek bij te hoeven lezen ben ik niet te beroerd. Hieronder de platen die ik mee zou nemen als ik naar een Onbewoond Eiland werd verbannen. De aanleiding was de gelijknamige rubriek in het Parool, die overigens hard aan modernisering toe is. De vraag moet natuurlijk worden: Welke nummers zet je op je Ipod als je door een Thaise rechtbank die je eerst heeft vrijgesproken tot levenslang in een stinkende overvolle Thaise cel wordt veroordeeld?

Hoe dan ook: dit zijn mijn lievelingsplaten. Vraag ernaar in de winkel!

J.S. Bach: 8 Pruisische Suites.
Een soort über-Bach, maar ze worden zelden gespeeld omdat ze zo streng en droog zijn, d’r kan geen lachje vanaf. Pure contrapuntische theorie, maar prachtig natuurlijk. Liefst gespeeld door Keith Jarret. Bij de versie van Pogorelich kun je niet op je stoel blijven zitten van de jeuk.

Ives plays Ives: All the wrong notes are right (pianosonates).
Dit zet ik op als alle andere muziek tekortschiet; vooral het stuk The Evening News, waarin hij twee legers, een fanfarekorps en een kudde kamelen op elkaar laat botsen. En allemaal met één hand gespeeld hè, want de andere bond hij achter zijn rug als hij ging spelen. Anders werd het te ingewikkeld.

Peter op de Schopstoel: Lieve Heertje Waarom Luistert Gij Nooit.
Arctic Monkeys, het zou wat. Iedereen loopt erachteraan omdat ze zogenaamd ‘independent’ zijn. Vergeet het maar, achter al die Indy-bandjes zitten allang weer grote platenmaatschappijen. Dan hoor ik honderd keer liever Peter op de Schopstoel, bandje uit de Peel, al weet ik dat laatste niet helemaal zeker, want ze doen niet aan PR en zo. Straffe jazzpunk, en verkopen ho maar. Dát is indy!

Guinness Book of Records Band: Trombone summit.
Natuurlijk moet één van mijn eigen platen mee naar het eiland. Een paar jaar geleden hadden we met een paar mensen het plan voor een wereldrecordband van alleen maar trombones die Ode an die freude speelden. Tja, waarom doe je zoiets? We kwamen tot tweeduizendvierhonderdzeventig trombones. Ik heb nog steeds een piep in mijn linkeroor. Het bleek niet genoeg voor een record, in Amerika hadden ze er al een keer vierduizend bijelkaar gehad. Toch een lekker plaatje geworden. Ruim tweeduizend van verkocht.

National Anthems (onbekend koor en orkest).
Het volkslied van 28 landen. Psychedelische muziek, zeker als je ze allemaal achter mekaar hoort. Ik loop al jaren met het idee een orkestje op te richten dat op verzoek elk volkslied speelt. Mijn favorieten: de Brabançonne (België), omdat ik dat vroeger met fanfare Oefening Baart Kunst altijd tijdens Dodenherdenking speelde, en het wanhopige Poolse volkslied, Mazurek Debrowskiego: Nóg is Polen niet verloren.

Posted by jaeggi at 12:44 pm

24 maart 2006

De Finale

En dat was dan de Boekenweek 2006. Mocht u nog een paar overgeschoten Boekenweekgeschenken willen scoren (er schijnen er nog een kleine 400.000 over te zijn): kom vooral naar de finale.
Op zaterdag 25 maart om 16.00 uur start op het Spui in Amsterdam een feestelijk muzikaal programma Boekenweek 2006: De Finale, georganiseerd door Athenaeum Boekhandel in samenwerking met het NedPhO. Op het programma staat onder meer de wereldpremière van de orkestratie door componist Micha Hamel van vier van zijn liederen op gedichten van Tonnus Oosterhof, Willem Jan Otten, Peter van Lier en Michaël Zeeman. De uitvoering wordt gedaan door bariton Pieter Hendriks met een ensemble uit het NedPhO o.l.v. Jeppe Moulijn. Verder treedt auteur Christine Otten op met instrumentalist Jan Klug, leest stadsdichter Adriaan Jaeggi een evergreen en een nieuw gedicht over muziek voor en laten tot slot Ernst Jansz en CCC Inc van zich horen.

Posted by jaeggi at 11:11 pm

kus

Kussen valt in dezelfde categorie als neuspeuteren, masturberen en computerprogrammeren: heerlijk om zelf te doen, maar volstrekt ongeschikt als schouwspel. Kijken naar andermans gezoen vind ik maar marginaal aantrekkelijker dan toekijken bij een liposuctie-operatie. Toch is het vrijwel onmogelijk een dag door te komen zonder met de binnenkant van andermans mond geconfronteerd te worden. Wie kent niet deze situatie: je zit in de trein, onderuitgezakt, met de diepe wens om de komende paar uur geen enkel intermenselijk contact te hebben, en dan gaat de coupédeur open. Een stelletje. Zij giechelt. Hij likt aan haar oor. Zij giechelt nog harder en kijkt intussen de coupé rond.
- Hier dan maar?
‘Hier’ is recht tegenover jou. Je norse blik noch je uitgestrekte benen hebben enig effect: zij schuift over de bank naar het raam met een soort vage vochtige blik in haar ogen die je snel je benen doet intrekken. Bij hem is het spermapeil inmiddels tot halverwege zijn oogbollen gestegen, dus hij merkt sowieso niets meer. Ze zitten nog niet of het kussen begint. Eerst schuchter, met gesloten monden, gespannen lippen die op elkaar botsen als de stootranden van botswagentjes, maar binnen een halve minuut gaan de monden open en zit je te kijken naar twee volstrekte vreemden die elkaar met kletsnatte biefstukjes te lijf gaan. Ik heb weleens iemand horen beweren dat de mens zich onderscheidt van de andere dieren doordat hij als enige gesteld is op privacy bij het paren, maar diegene heeft nog nooit in de nachttrein van Den Haag naar Amsterdam gezeten, zo rond half vier.
Nu hóef je natuurlijk niet met de trein te reizen. Maar zodra je de tv aanzet of naar de bioscoop vlucht beginnen ze wéér. Eerst moet je anderhalf uur wachten terwijl de heldin zich hardnekkig verzet tegen de avances van de mannelijke hoofdrolspeler (geheim agent, briljant jazmuzikant, gespierd aapmens) alvorens ze zich in de laatste minuten alsnog met opengesperde mond aan hem aanbiedt.
Zal ik u eens iets geks vertellen? Ik heb de afgelopen dertig jaar niet één keer meegemaakt dat een vrouw eerst tegenspartelde en daarna toegaf. Al gooide ik mijn volle vijfennegentig kilo in de strijd, het eindigde nooit met zoete overgave maar wel met een knie in mijn kruis. Maar goed, we hadden het over andermans kussen.
Het vreemde aan zo’n filmkus is dat je er volledig in op kunt gaan terwijl je weet dat er op dat intieme moment tenminste vijftien mensen en drie camera’s buiten beeld aanwezig waren, inclusief een manusje-van-alles dat stiekem de jam uit de donuts aan het zuigen is terwijl de rest bezig is met de belangrijkste scène van de film.
We weten ook dat de beste filmkussen meer met techniek te maken hebben dan met passie – of dacht u dat die ondersteboven hangende kus van Spiderman en Mary-Jane in Spiderman I echt lekker was? Natuurlijk niet. Het zag er alleen maar lekker uit, en dat is voor ons, arme smachtenden, genoeg. Want wij krijgen nooit zo’n kus, zo’n zachte, smeuïge, harde, natgeregende, riskante, naar meer smakende kus als Kirsten Dunst kreeg van Toby Macguire. Als wij een keer een gevaarlijke kus krijgen dan lijkt hij eerder op de klassieke gruwelkus zoals Jay McInnerney beschrijft in Story of mij Life: ‘Hij zet me klem tegen de deur en dan zit ik ineens vast aan dat afschuwelijke benige kleine mondje van hem, ik bedoel je kunt je mond openhalen aan de lippen van deze vent en dan heb ik het nog niet eens over zijn tong, een soort reptiel, het doet me denken aan een plaatje dat ik een keer zag in een blad, van die lampreien die zich vastzuigen aan zalmen en hun ingewanden eruit zuigen.’
Er zijn nu eenmaal veel te weinig mensen die goed kunnen kussen. Het lukt de meesten al niet eens een gewone begroetingskus tot een goed einde te brengen – twee keer? drie keer? – om nog maar te zwijgen van degenen die menen dat kussen een vorm van kunstbiljarten is, met een dozijn verplichte lebber-figuren. Kussen is een prachtige kunst, daarom kan ik er niet tegen als ik knoeiers aan het werk zie. Ik bedoel: vraag dan een vakman.


Posted by jaeggi at 11:08 pm

23 maart 2006

tweede druk (herhaling)

Gisteren gehoord: Tromboneliefde is bijna uitverkocht en wordt herdrukt. Hoezee!
Maar nu begint het pas. De goede verkopen in de Boekenweek hebben ervoor gezorgd dat het boek inmiddels in de meeste boekwinkels ligt, dus dit is het moment!
Het is bijna lente, de fanfarekorpsen staan op uitkomen, dus koop en geef iemand Tromboneliefde cadeau. Zeg erbij, met een diepe blik in de anders ogen: dit gaat over heel veel soorten van liefde.
Succes verzekerd (Het Uwe en het Mijne).

Posted by jaeggi at 01:03 am

literatuur en pensioenopbouw

Vandaag een gastcolumn van schrijver Thomas Verbogt over de Boekenweek. Deze column werd eerder voorgelezen in het VPRO-programma Music Hall.


Normaal lees ik nooit de pagina Economie in de krant. Niet uit desinteresse, ook niet met de slappe verzuchting dat ik het toch niet begrijp, nee, het is meestal gebrek aan tijd. Vanochtend zag ik echter op deze pagina een portret van de schrijver van het boekenweekgeschenk Arthur Japin.
Nog nooit las ik iets van hem. Niet uit desinteresse, ook niet met de slappe verzuchting dat ik het toch niet begrijp, nee, het is gebrek aan tijd.
Daarbij komt dat wanneer ik zelf aan een boek werk, ik bijna geen boeken van anderen lees, behalve als het moet omdat ik er bijvoorbeeld een mening over moet geven. En het punt is dat ik bijna altijd aan een boek werk. Ook vandaar dat ik tot nog toe nog niets van Arthur Japin las.
Ook daarom legde ik de pagina economie voor me. Ik wilde graag weten wat Arthur Japin op die pagina doet.
Het is een klein interview. Op de vraag hoe hij het allemaal volhoudt, lees ik dat hij elke dag naar de sportschool gaat om daar 50 minuten aan cardio te doen.
Hier heb ik ontzag voor.
Ik bezoek maar één keer per week de sportschool.
Dat is niet uit desinteresse, of omdat ik niet begrijp wat ik daar moet doen, nee, het heeft met gebrek aan tijd te maken. Vanwege hetzelfde tijdgebrek ben ik al twee weken niet geweest.
Morgenmiddag ga ik wel.
Dat lijkt me wel nuttig na het boekenbal.
Een boekenbal kun je niet ongestraft bezoeken. Daar richt je altijd iets aan, iets wat jezelf betreft of anderen, maar het vaakst jezelf én anderen. Mijn trainer op de sportschool weet dat, want hij houdt me in de gaten. Hij zal me morgen zwijgend ontvangen. Nee, niet helemaal zwijgend. Hij spreekt negen woorden uit, namelijk deze: ‘Zo Thomas, we gaan een halfuurtje de bergen in.’ En dan wijst hij dwingend priemend naar een fietstoestel waaraan een beeldscherm is bevestigd waarop bergen te zien zijn. Daar moet ik dan zogenaamd doorheen fietsen, terwijl de trainer mij van een afstandje onbeweeglijk en kritisch gadeslaat. Morgen is dat natuurlijk wel goed, want dan kan ik tijdens het fietsen door de bergen, ik meen De Alpen, mijn gedrag op het boekenbal evalueren en kanaliseren.
Al een jaar of tien ga ik de dag erna niet meer zitten telefoneren om me overal te verontschuldigen, wat niet wegneemt dat het goed is stil te staan bij wat er heeft plaatsgevonden.
Goed, ik ga dus in principe eens per week naar de sportschool. Arthur Japin iedere dag. Ik denk dat dit verschil in onze oeuvres leesbaar is.
Maar wat doet deze informatie over het sportschoolgedrag van Arthur Japin op de pagina economie?
Dat wordt pas duidelijk bij de laatste vraag. Dat is namelijk deze vraag: ‘Is uw pensioen geregeld?’
Van dit soort vragen word ik nerveus en onrustig. Ik word er de laatste tijd ook vaak over gebeld. Meestal rond etenstijd. Sta ik een balletje gehakt te draaien en dan dient zich telefonisch ineens iemand aan van een bank of financieringsmaatschappij, iemand die ik niet ken en van wie ik de naam meteen weer vergeet, meestal een vrouw, dat wel, en ze vraagt niet Stoor ik? Maar: ‘Ik zou het graag even met u over uw pensioen willen hebben.’ Dan weet ik niet goed wat ik moet zeggen. Ik ken verder niemand die het mij daarover wil hebben. En daarom weet ik ook niet HOE ik het erover moet hebben.
Ik denk hier dus net iets te lang over na, met in mijn ene hand de bal gehakt die bijna gedraaid is, en in de andere hand mijn telefoon.
Aan de andere kant van de lijn wordt mijn zwijgen als groen licht beschouwd en de vrouw steekt van wal: ‘Heeft u uw pensioen geregeld?’
Ik zeg nee en voeg eraan toe dat ik dit op dit moment ook niet wil doen, omdat, zo zeg ik: Ik dit niet kan overzien. Ik begrijp helemaal niet wat ik bedoel met deze woorden. Hoezo kan ik dat niet overzien. De persoon aan de andere kant laat een vriendelijk lachje horen: daarom bel ik u, meneer Van de Boot, om u bij dat overzicht te helpen.
Verbogt, zeg ik, ik heet Verbogt.
Daarom bel ik u, meneer Verbogt, juist om u bij dit overzicht te helpen. Ik begrijp heel goed dat u dit overzicht niet heeft.
Ik moet zeggen: ik ben dan bijna om.
Als iemand zegt dat ze me begrijpt, kan die persoon meteen een potje breken, om het zo maar eens te zeggen.
Toch zeg ik: ik heb nu geen tijd, kunt u een andere keer terugbellen?
De vrouw zegt: Natuurlijk. Wanneer schikt het u?
Ik zeg vrijdagmiddag. Ik kijk in mijn agenda. Dan houd ik een lezing in Venray. Nogmaals zeg ik: ja, vrijdagmiddag. Ik leg neer en verzink als een uitdijende baksteen in metersdiepe gedachten.
Ik denk nooit aan mijn pensioen. Maar dat komt ook doordat ik helemaal niet met pensioen wil.
Mijn plan is nu gewoon door te gaan. Ik zou graag zien dat Jaap Boots me hier over twintig jaar in mijn rolstoel het podium optakelt. Natuurlijk hoor ik Jaap zeggen: Nee, niet in het glas water praten, de microfoon staat daar, maar het gaat me om het idee.
Maar ja, stel dat ik ineens toch met pensioen wil. Als je oud bent haal je je soms de raarste dingen in je hoofd, heb ik weleens gehoord. Misschien wil ik ineens wel pensioen. En dat kan ik dan wel willen, maar waar haal ik dat dan zo gauw vandaan. Als je schrijver bent heeft dat voor- en nadelen.
Meer voor- dan na-, moet ik zeggen. Maar dit is duidelijk een nadeel. Een pensioen is een gapend gat in je nadagen. Daarom ben ik vanochtend ook zo benieuwd naar het antwoord van Arthur Japin op de vraag: Is uw pensioen geregeld?
Arthur Japin heeft inderdaad een antwoord en dat antwoord heb ik vandaag nu al een paar keer opnieuw gelezen. Ik ken het bijna uit mijn hoofd. Arthur Japin antwoordt: Nee, schrijvers mogen hun eigen carrière plannen. Tot zover niets aan de hand. Dat zei ik zonet ook. Maar dan, en ik citeer: Ik hoef me over mijn pensioen geen zorgen te maken. Als ik een bedrag zou noemen, levert dat misschien scheve ogen op bij mijn collega-schrijvers. Einde citaat.
Iedere keer als ik dit antwoord lees, ben ik even stil. Eerlijk gezegd denk ik: zeg dan niks, Arthur! Zeggen dat je je geen zorgen hoeft te maken want er is een bedrag dat scheve ogen veroorzaakt: zeg dan niks! Dacht je dat wij, collega schrijvers, nu géén scheve ogen hebben? We hebben hartstikke scheve ogen! En dat niet alleen. We vragen ons ook af, Arthur, wat je in godsnaam geregeld hebt. En hoe. En met wie.
Een tipje van de sluier tilt hij op in de rest van het antwoord, want dat moet ik natuurlijk ook citeren.
‘Beleggen laat ik over aan mijn beleggingsadviseur. Ik heb alles uit handen gegeven. Ik zou er niet aan moet denken dat zelf te doen.’
Ik moet zeggen, ik ben nog nooit aan beleggen toegekomen, niet uit gebrek aan interesse, ook niet omdat ik denk dat er niets van snap, ook niet uit tijdgebrek, maar om allerlei andere redenen. Maar inderdaad, als ik wel aan toe zou komen, moest ik er niet aan denken het zelf te doen. Daar kwam ik ook achter vandaag.
Ik zit te schrijven, zo’n beetje de hele dag, dat is verder geen prestatie, want ik doe niets liever, en ik zorg heus wel dat ik er af en toe uit kom, maar ik merk wel dat ik aan veel dingen te weinig denk, bijvoorbeeld over mijn plaats in een leven waarin het almaar later wordt, in een maatschappij die er vanuitgaat dat je daar wel over nadenkt. Misschien houdt alles wel ineens op, ik bedoel, misschien kan ik ineens helemaal niets meer verzinnen. En daar kun je je natuurlijk niet tegen verzekeren.
Ik hoor me al in gesprek met zo’n verzekeringsman. Die vraagt: kun u uw vraag alstublieft even herhalen? En dan zeg ik het nog eens: ik wil me verzekeren tegen het onvermogen iets te verzinnen.
Het interessante aan verzekeringsmensen is dat ze meestal alles, maar dan ook alles zeker weten.
Daarom hebben ze ook vaak snorren. De mannen althans. Maar het zijn meestal mannen. Vrouwen hebben wel iets anders aan hun hoofd dan alles per se zeker te willen weten. Nee: mannen. Die altijd een beetje lachend praten. Voor wie de avonturen van Kuifje kent: het zijn allemaal Serafijn Lampionnen.
Maar nu staat de verzekeringsman met de mond vol tanden: u wilt zich verzekeren tegen het onvermogen iets te verzinnen. Dan moet ik even met het hoofdkantoor bellen. Het is niet ondenkbaar dat hij niet eens begrijpt wat ik bedoel.
Ja, het enige dat ik geregeld heb, is een eigen huis. Dat regel ik zelf. Dat regelen doe ik vooral tijdens slapeloze nachten. Maar goed, als ik niks meer kan verzinnen, verkoop ik gewoon dat huis en van de opbrengst koop ik een boot en dan zie ik wel weer verder. Maar met zulke plannen kom je niet op de pagina economie van De Volkrant.
Kijk, daarom wordt zo’n boekenbal georganiseerd. Het aantal schrijvers dat mag komen is uiterst beperkt. En ieder jaar weer een andere groep. Het merendeel van de gasten komt uit de andere kant van het boekenvak of de wereld van het televisie-amusement. Iemand van de organisatie drijft de genodigd schrijvers naar een speciaal afgebakend vlak op de dansvloer. Daar moeten ze dan de hele avond en de eerste uren van de nacht blijven. Dansen is verplicht. Want, zo meent de organisatie, niet is zo goed als je zorgen eruit te dansen.
De meeste schrijvers dansen uitermate raar. Maar dat komt door die zorgen. Door die pensioenkwesties. Het is een soort therapeutisch bewegen. Vanavond worden er tijdens het journaal vast beelden vertoond. Kijk naar Ilja Leonard Pfeiffer en je begrijpt wat ik bedoel.
De schrijver of schrijfster van het boekenweekgeschenk hoeft niet te dansen. Die mag vrij rondlopen en wordt tijdens dat rondlopen voortdurend gefilmd en geinterviewd. Hij heeft verder geen zorgen. Ook daarom bekijken we hem met scheve ogen.


Posted by jaeggi at 01:01 am

22 maart 2006

tweede druk

Net gehoord: Tromboneliefde is bijna uitverkocht en wordt herdrukt. Hoezee!
Maar nu begint het natuurlijk pas. De goede verkopen in de Boekenweek hebben ervoor gezorgd dat het boek inmiddels in de meeste boekwinkels ligt, dus dit is het moment.
Het is bijna lente, en de fanfarekorpsen staan op uitkomen, dus geef iemand Tromboneliefde cadeau en zeg erbij, met veelbetekende blik: dit gaat over heel veel soorten liefde.
Succes verzekerd (Het Uwe en het Mijne).

Posted by jaeggi at 12:59 pm

21 maart 2006

dulfer

Nog even nagenieten: Dit las Hans Dulfer afgelopen zaterdag voor.

Wie alleen al de stupide en bekakte manier kent waarop de zich als organisatoren aandienende etterbakken je band voor een optreden benaderen, zal voorgoed zijn geloof in de mensheid verliezen. En wie de schofterige financiële aanbiedingen hoort is er in één keer van doordrongen dat een carrière als bijstandsmoeder nog te prefereren is boven die van solo-gitarist in een band op feesten. Fatsoensnormen die een een Hell’s Angels home nog gewoon zijn blijken onbekend als je je met je bandje komt aanmelden bij de achteringang die verkeerd staat aangegeven op het onleesbare plattegrondje dat je tegelijk met een paar wurgcontracten veel te laat en in een te laag gefrankeerde envelop werd toegezonden. Zonder opgaaf van redenen wordt jemoptreden drie uur uitgesteld, en die tijd kun je dan doorbrengen in een geblindeerde, niet van kachel of ventilatie voorziene ruimte, net groot genoeg voor twee dwergpygmeeën maar zeker niet voor een rockband met aanhang, die bovendien om de twee minuten door neuroten met walkie-talkies ondervraagd worden over hun aanwezigheid in het gebouw als waren zij Libiërs op een vliegveld.
En dan mag je nog van geluk spreken als een of andere malloot met een kratje warm bier (zonder opener natuurlijk!) langskomt. Want als je overgeleverd bent aan de consumptiebonnengulheid van het organiserend comité sterf je óf aan uitdroging óf aan totale uitputting vanwege de afstand die je moet afleggen vóór je uiteindelijk de naast het toilet verstopte bar ontdekt. Daar weten ze wel iets van consumptiebonnen af, maar pas na uitgebreid overleg tussen twee rivaliserende organisatoren of die bonnen nu wel of niet alleen voor leidingwater gelden, krijg je je drankje.
De geluidsinstallatie die zij zo goedkoop konden regelen heeft het vermogen van een koffergrammofoon en de ingehuurde mixer moet vijf minuten voor aanvang nog de gebruiksaanwijzing doorlezen. (-) Meteen na afloop volgt een sommatie om binnen één minuut je instrumenten van het podium te verwijderen omdat de disco moet beginnen, waarna je van hot naar her gezonden wordt om de commissiekamer te vinden waar je je zuurverdiende geld moet ophalen. Als je dan uiteindelijk in een pikdonker kantoor de penningmeester aantreft op een oude leren bank met z’n hand in de broek van de pas gekozen Miss Paardekop ’86, mag je nog van geluk spreken als hij (met z’n andere hand) een ongedekte giro-overschrijvingskaart tevoorschijn haalt, omdat de mafkezen meestal de mededeling ‘Ik maak het wel over’ als een wettelijke betalingsregeling zien.

Uit: Dulfer's Dumdum


Posted by jaeggi at 11:13 pm

Muziek-literatuur: 1-0

Er is niets wat ik liever hoor dan het geluid van een hete, volle zaal, opgehitst door een wilde band – maar niet als dat mijn voorprogramma is.
Ik was naar Rotterdam gereisd, afgelopen zaterdag, om in het kader van de Boekenweek – nee, hij is nog steeds niet voorbij – voor te lezen in theater Lantaren-Venster. Ik zou na het lezen eventueel ook nog een nummertje spelen met de, niet onberoemde, trombonist Joseph Bowie. O ja, en één niet onbelangrijk detail: daarvóór zou de Hans Dulfer-band spelen.
Ik weet niet of u Dulfer het afgelopen jaar nog hebt zien optreden, maar zo niet: die man heeft een serieus probleem. Naast een dubieuze voorkeur voor muzikantenmoppen van het meest afgrijselijk melige soort heeft hij namelijk de energie van vier mannen van half zijn leeftijd. Dat is vooral hinderlijk als je na hem moet optreden. Driftig sta je in je meegenomen boek te bladeren, op zoek naar een passend voorleesstukje, terwijl Dulfer ondertussen toeterend het publiek in loopt. Je verwerpt de ene na het andere alinea terwijl de bassist voor op het podium is gaan staan en de eerste drie rijen tot waanzin drijft. ‘Iets leuks, iets swingends,’ mompel je panisch. Dulfer gaat voor de derde keer die avond door de geluidsbarrière.

En ik had toch al mijn twijfels bij dat Boekenweekthema. Het begon al toen de eerste optredens binnenkwamen. Ja, iedereen zag me graag komen, met mijn boek over muziek onder mijn arm, en of ik dan ook alsjeblieft mijn instrument wilde meenemen, voor jeweetmaarnooit (wat me trouwens doet denken aan dat verhaal over Yehudi Menuhin, die van een sjieke New Yorkse dame een uitnodiging kreeg voor een ‘intiem souper met een aantal dierbare vrienden’ na afloop van zijn concert in Carnegie Hall. Onderaan de uitnodiging stond: ‘en natuurlijk is ook uw viool van harte uitgenodigd.’ Waarop Menuhin terugschreef: ‘Ikzelf ben helaas verhinderd, maar mijn viool laat weten dat zij graag zal komen.’)
Elke keer als ik een aanvraag voor een Boekenweek-optreden kreeg, informeerde ik voorzichtig of het mogelijk was om mijn band mee te nemen. Niet? De helft dan? Alleen de ritmesectie? Alleen de bassist dan?
Het Boekenweekthema is schrijvers en muziek, elke schrijver die ooit ook maar aan een blokfluit geroken heeft is de hort op met zijn/haar gelegenheidsboekje, maar het blijft godsonmogelijk ergens een bandje neer te zetten. De enkele keer dat er, bij de gratie Gods en de CPNB, wèl een live orkest op het podium staat, wordt dat behandeld zoals alle muzikanten al honderd jaar worden behandeld: als het laagste personeel. De band Half on Signature, die vorige week zo lekker soul speelde op het Boekenbal, weet u hoe lang die op het podium moesten staan? Van kwart over tien tot ruim over half 2. Nee, dat was van tevoren niet afgesproken. Kom daar eens mee aan bij de vakbond.
En wat denkt u dat ze kregen voor hun moeite, behalve vier consumptiebonnen p.p.?
Niks. Nada. Nothing. Nichts. Zip. Rien du tout.
Omdat het een eer is om op het Boekenbal te spelen, natuurlijk. Omdat het goeie promotie is voor je band, en omdat het gezellig is, en goede promotie voor de band, en had ik het al over de eer gehad? Al dat gezwets dat je als muzikant moet aanhoren van mensen die tienduizend piek hebben gestoken in de slingers en twintigduizend in de oesters, maar geen vijfhonderd piek overhebben voor lekkere muziek. De CPNB mag dan propaganda maken voor het boek, deze week, maar de muziek komt er tamelijk bekaaid af.

Behalve dus afgelopen weekend in Rotterdam. Ik mag mijn twijfels hebben over het thema, ik heb me helemaal, 100% ingezet voor de Boekenweek op dat podium, en Dulfer en Bowie ook. CPNB-voorzitter Kraima zou trots op ons zijn geweest (al had hij waarschijnlijk geen entrée willen betalen).
Ik was nog niet aan de beurt toen Dulfer aan zijn laatste nummer begon, en ik ben niet iemand die dan zomaar het podium opspringt, maar… het nummer was St. Thomas. Nummer van Sonny Rollins, een fijne calypso die door Dulfer en kompanen een speedklisma kreeg toegediend. Het fijne aan Dulfer is dat hij die uitgekauwde themaatjes moeiteloos weer tot leven kan wekkken – zoals ze dat in ziekenhuisseries doen, door er een paar duizend volt doorheen te jagen. Dus ik trok de stoute schoenen aan en schreeuwde in Dulfers oor: ‘Hans, hallo, Adriaan Jaeggi hier (de band raast onverstoorbaar voort), ik moet zo op, hierna, maar mag ik alvast even meespelen?’
‘JA HOOR.’
Ik ren terug om mijn trombone te halen, heel Rotterdam grijnst, nóg een muzikant erbij, nóg een toeter, nóg meer lol, podium op, de pianist is net klaar met soleren, het is meteen aanpakken, want zo is Dulfer dan ook wel weer, meteen even kijken wat je waard bent, zo niet dan kan hij je meteen weer van het podium schoppen, dus ik god zegene de greep St Thomas tetter toet honk en het publiek valt synchroon achterover van de stoelen.
Even later – Dulfer en de rest van de band staan in de kleedkamer de na-het-optreden-geeuwhonger weg te kauwen – geef ik iedereen tromboneles. Ik maan ze diep te ademen (‘tot aan de schaamhaargrens!’) en Jezus in hun leven toe te laten, en dan staat Dulfer aan de rand van het podium en roept: ‘Mag ik ook effe een stukkie voorlezen?’
Het wordt een rasechte jamsession, man, dit is hoe het bedoeld is, in je uitgeholde boomstam op een junglerivier van gladde noten, niet bang zijn om naakt in de jungle rond te springen met je kapmes boven je hoofd.
Even later lezen Joseph Bowie en ik de gedachten van het publiek door onze trombones. Dulfer staat in de kleedkamer vloekend zijn cd’s weer in te pakken, want ze zijn nog te beroerd om een cd te kopen, die eikels. Ik begin een spiritual, en Joseph smeekt de zegen af in het hoogste register. Dulfer en zijn vrouw zitten grijnzend voor aan het podium. Het is al laat, en nog drie kwartier rijden naar Amsterdam.
Joseph Bowie huilt een stukje trombone. Ik probeer hem op te peppen met wat ritmisch raggen en we eindigen – perfect ongelijk.
‘Whoa!’ zegt Joseph, met een grijns zo breed als drie octaven. Het publiek joelt. Dulfer klapt. Joseph en ik schudden handen.
Het is de allereerste keer dat Joseph Bowie en ik elkaar op deze planeet ontmoeten.


Posted by jaeggi at 01:03 am

17 maart 2006

god's eigendom

Dit gedicht werd geschreven voor het Boekenweeknummer 2006 van het literaire tijdschrift Bunker Hill. Opdracht: laat je inspireren door een popnummer. In mijn geval werd dat: The night they drove old Dixie down van The Band, by J.R.Robertson. Album: The Band © 1970 Canaan Music, Inc.)


Gods eigendom

We hakten hout in een jong land,
kerfden koppen in de rotsen,
speelden de bloedblues onder een moerasmaan
smolten een continent. En God zegende ons.

Hier werd naar oorlog geboord, vloog de kraai
over platgebrand land met zijn eigen rantsoenen
Hier brak betovergroot achter huifkar, wierpen
we wallen van paarden op en wachtten
op het wit van hun ogen. En God zegende ons.

Hier ontloken we jong in een blokhut van plastic,
als Walt the Lone Ranger en Steven zijn paard,
die slaven bevrijden om de beurt

Maar Richmond viel,
Stoneman’s cavalerie kwam te laat
In de winter van ’65, de klokken luidden
en in heel het Zuiden
zag men dorpen branden. God zegende ons.

We zongen
naaa na na na na naaa
nana nana nana nana na
in dit land te groot voor God’s handen

Posted by jaeggi at 10:09 am

16 maart 2006

de waarheid

En weer zag ik vorige week een Amerikaanse politicus het bestaan van Abu Ghraib en Guantanamo Bay verdedigen. De onmacht die je op zo’n moment voelt is haast ondraaglijk. Aan het milieu kun je wat doen (batterijen verzamelen, minder met de auto rijden), aan het leed in Zuidelijke Landen kun je – in elk geval voor je gevoel – iets doen (geld overmaken op een nummer), maar tegen het onrecht dat daar plaatsvindt, elke dag opnieuw, is niets te doen. Je kunt je hoogstens elke dag opnieuw realiseren dat het bestaat.
Er zijn bijna geen woorden om het leed van de gevangenen op die duivelse plekken te beschrijven, en er zijn tegelijkertijd miljoenen woorden om dat onrecht te verdedigen: gladde, soepele, geruststellende woorden. Er zijn duizend synoniemen voor marteling. Er zijn duizend rechtvaardigingen voor, allemaal leugens, en de allergrootste – en meest gebruikte – leugen is deze: wij willen de waarheid vinden. We hebben die leugen de afgelopen jaren zo vaak gehoord dat we het niet eens meer merken, en dat terwijl wij, als we tenminste af en toe een boek lezen, allang weten wat de waarheid is.

‘But what if your prisoner is telling the truth,’ I ask, ‘yet finds he is not believed? Is that not a terrible position? Imagine: to be prepared to yield, to yield, to have nothing more to yield, to be broken, yet to be pressed to yield more. And what a responsibility for the interrogator! How do you ever know when a man has told you the truth?’
‘There is a certain tone,’ Joll says. ‘A certain tone enters the voice of a man who is telling the truth. Training and exerience teach us to recognize that tone.’
‘The tone of thruth! Can you pick up this tone in everyday speech? Can you hear whether I am telling the truth?’
This is the most intimate moment we have yet had, which he brushes off with a little wave of the hand. ‘No, you misunderstand me. I am speaking only of a special situation now, I am speaking of a situation in which I am probing for the truth, in which I have to exert pressure to find it. First I get lies, you see – this is what happens – first lies, then pressure, then more lies, then more pressure, then the break, then more pressure, then the truth. That is how you get the truth.’

(J.M Coetzee: Waiting for the Barbarians)

De waarheid is dat je een mens moet breken om bij de waarheid te komen.
En als u dan nog niet begrijpt waar ik het over heb: probeer u eens even voor te stellen, al is het maar tien seconden, dat u vanochtend wakker werd in een papieren overall, op een harde brits, en dat u in de gang de voetstappen van uw ondervragers hoorde.


Posted by jaeggi at 10:33 am

15 maart 2006

hiphopliefde, jungle-trombone en rauw spuug

Weer een prachtig programma in het prachtige programma De Avonden, vanavond: Gijs Groenteman spreekt met de voorzitter van de Nederlandse lockpickers-society Barry Wels, in Onder Woorden vertelt regisseur Aus Greidanus over 'De Storm', Arnon Grunberg aan de telefoon, Wim Brands interviewt schrijver en muzikant Adriaan Jaeggi, in Schone Zaken vertelt Chris Keulemans over zijn liefde voor de hiphop van Mos Def, Maartje Somers spreekt met theaterregisseur Guy Cassiers en in Muzikale Verhalen de strijdbare soul van Swamp Dogg-protegee Charlie Whitehead alias 'Raw Spitt'.
Tijdens het interview draait Wim Brands ook twee erg mooie plaatjes-met-trombone die ik mocht uitzoeken. Een goeie avond om naar de radio te luisteren dus (de radio neemt trouwens steeds meer de plaats van de tv in, hier thuis).

De Avonden, vanaf 20:02 op 747 AM.

Posted by jaeggi at 01:45 pm

14 maart 2006

Harten als vroeger

Vorige week zat ik, samen met een collega-dichter, om een uur of twaalf 's avonds in een studio van de NOS, tegenover een manisch grijnzende presentator die erom bekend staat dat hij altijd aan het eind van zijn programma een gedicht voorleest – er is zelfs een boekje van gemaakt. Mijn collega en ik probeerden de ons toegemeten anderhalve minuut zo goed mogelijk te gebruiken, wezen elkaar op mooie dingen die de ander gezegd had, luisterden ernstig knikkend naar de door onszelf meegebrachte muziek van eigen makelij – het Boekenweek-thema is tenslotte Schrijvers en Muziek – en terwijl het gesprek kabbelend zijn uitgesleten bedding volgde, keek ik naar de technicus die achter de glazen ruit ons gesprek volgde, de hand op de knop van de eindtune, en ik keek nog eens naar de grijze snor van de presentator, en dacht: was het hierom?

Als ik dit schrijf moet de Boekenweek nog beginnen, daarom schrijf ik het nu. Straks is er geen tijd meer. Interview, optreden, volgende optreden, dubbelinterview, kun je misschien even een stukje spelen? Interview ('het duurt een halfuurtje en de foto’s worden intussen gemaakt dus het kost je geen extra tijd'), optreden, workshop, interview, en tussendoor zal ik regelmatig naar mijn redacteur bij Nieuw Amsterdam bellen om te informeren of Tromboneliefde al uitverkocht is en herdrukt word, en of er misschien niet een advertentietje af kan, ergens in een hoekje van de Volkskrant.
Maar daarom ben ik geen schrijver geworden.
Beschouw dit niet als een klaagzang. Ik heb mijn deel van de publiciteit gehad, goed en slecht, en ik heb het zelf gewild, anders had ik geen stadsdichter, columnist of jurylid moeten worden. Maar daarom ben ik geen schrijver geworden.
'There’s no such thing as bad publicity,' en: 'elke keer dat je kop in de krant staat kopen weer honderd mensen je boek,' en 'In Den Haag was het helemaal uitverkocht! Alleen begrijp ik niet waarom ze er maar twee hadden ingekocht!’ – dankjewel vrienden, voor de bemoediging, maar daarom ben ik geen schrijver geworden.

Interviews, tv, radio, publiciteit, persberichten, quotejes, feeding the beast: het is nuttig dat het bestaat en het is nuttig te weten dat het niet bestaat. Niet echt. Wij zitten aan de ene kant van het glas en schreeuwen naar de wereld dat wij bestaan, langs golven en frequenties waar we geen weet van hebben, en aan de andere kant zit iemand met zijn hand op de knop te wachten tot het moment dat wij zwijgen.
Het komt allemaal van pas, deze kennis, want het speelt een belangrijke rol in mijn volgende roman. Ik ben blij dat ik het allemaal heb meegemaakt, maar daarom ben ik geen schrijver geworden.
Ik ben ook blij dat ik een weblog heb dat dagelijks door vijfhonderdzevenenveertig mensen wordt bezocht, omdat ze willen weten wat voor ernstige of melige dingen hij vandaag weer verzonnen heeft, die zotte Jaeggi – maar daarom ben ik geen schrijver geworden.

Het is goed om over zulke dingen na te denken als de Boekenweek op het punt van beginnen staat. En om, voordat we ons richting Stadsschouwburg begeven voor het Boekenbal, of, zoals in mijn geval, richting Paradiso voor het Andere Bal – ik mag namelijk van de CPNB het Boekenbal niet in – iets te lezen dat ons sterker en wijzer kan maken.

Ach vriend, wij komen te laat. Wel leven de goden,
maar over ons heen, hoog in een andere wereld.
Eindeloos zijn ze aan het werk, het lijkt wel of ze niet weten
of wij er nog zijn, zozeer ontzien ons de hemelse goden.
Broos is de mens, broos vaatwerk, niet steeds,
af en toe slechts kan hij de volheid van goden aan.
Nadien heet leven: van hen dromen. Maar dwalen
helpt als sluimer, en nacht en nood, ze geven kracht
tot er helden genoeg zijn gerezen uit de stalen wieg van de tijd,
harten als vroeger, in kracht gelijk aan de goden.
Dan naderen ze met de donder. Maar ik vind het vaak nog
beter te slapen dan zo zonder vrienden te zijn,
op de uitkijk te staan, niet wetend wat ik zolang moet zeggen
of doen: waar dienen dichters voor in deze schrale tijd.
Maar ze zijn, zeg je, zoals de vrome priesters van de wijngod,
die eens van land tot land gegaan zijn in de heilige nacht.


Aber Freund! wir kommen zu spät. Zwar leben die Götter,
Aber über dem Haupt droben in anderer Welt.
Endlos wirken sie da und scheinens wenig zu achten,
Ob wir leben, so sehr schonen die Himmlischen uns.
Denn nicht immer vermag ein schwaches Gefäß sie zu fassen,
Nur zu Zeiten erträgt göttliche Fülle der Mensch.
Traum von ihnen ist drauf das Leben. Aber das Irrsal
Hilft, wie Schlummer und stark machet die Not und die Nacht
Bis daß Helden genug in der ehernen Wiege gewachsen,
Herzen an Kraft, wie sonst, ähnlich den Himmlischen sind.
Donnernd kommen sie drauf. Indessen dünket mir öfters
Besser zu schlafen, wie so ohne Genossen zu sein,
So zu harren und was zu tun indes und zu sagen,
Weiß ich nicht und wozu Dichter in dürftiger Zeit?
Aber sie sind, sagst du, wie des Weingotts heilige Priester,
Welche von Lande zu Land zogen in heiliger Nacht.

- Friedrich Hölderlin, Brot und Wein
(vertaling Piet Thomas & Ludo Verbeeck)


Posted by jaeggi at 02:34 pm

09 maart 2006

shortlist Gouden Doerian

Vanavond wordt de shortlist van de Gouden Doerian bekendgemaakt, op deze website. Er is inmiddels al weer een en ander over te doen geweest - al waren de reacties, op een enkele na, niet zo hysterisch als die van vorig jaar, toen de juryleden voor aanranders, oorlogsmisdadigers en fundamentalistische vliegtuigkapers werden uitgemaakt.
Het uitgangspunt van de jury is intussen hetzelfde gebleven: er verschijnen te veel slechte en slecht geredigeerde boeken, en dat is voor niemand goed: niet voor schrijvers, niet voor uitgevers en al helemaal niet voor lezers, die in het overstelpende aanbod het pad naar goede, bevredigende literatuur volledig bijster raken. De jury van de Gouden Doerian is inmiddels al lang niet meer de enige die openlijk ten strijde trekt tegen deze situatie: op bovengenoemde Doeriansite staan een aantal overwegingen van andere betrokkenen uit het boekenvak: de redactie van Boekblad en de jury van de Gouden Uil. Hun bezwaren tegen het huidige uitgeefbeleid sluiten naadloos aan bij die van de jury van de Gouden Doerian. Deze week kwam daar nog een opmerkelijke reactie bij. Uitgever Marc Beerens spreekt in het voorwoord van zijn Overzichtscatalogus Uitgeverij Vantilt 1996-2006 over 'de aan waanzin grenzende overproductie (met name van fictie) en het (overigens onbegrijpelijke) aura dat de roman en het schrijverschap aankleeft'.
Dan hoort u het ook eens van een ander.

De Gouden Doerian 2006 wordt a.s. dinsdag uitgereikt in het radioprogramma Music Hall, 747 AM, tussen 20.00 en 22.00 uur.


Posted by jaeggi at 10:35 am

een formidabel drukwerk

Iets om trots op te zijn: ik sta drie keer in de stront. Om precies te zijn: in het net verschenen machtige drukwerk Kakafonie, Encyclopedie van de Stront, omvattende de symbolische waarde, de kont, het kakken, de kleur, de stank, de wind, het sanitair, de liefhebbers, satire & nonsens, stront en het boek, lexicografie, enz. enz., samengesteld en ingeleid door Gerrit Komrij. Twee bijdragen en een vermelding in zo'n standaardwerk, dat is bijna nog fijner dan met gedichten in Komrij's befaamde poeziebloemlezing staan.
Het boek ziet er schitterend uit (al had het - door de befaamde Piet 'Poezenkrant' Schreuders vormgegeven - omslag van mij nog een tintje bruiner gemogen, en is de leesletter wat klein) en op de presentatie gisteren waren de bevrijdende grappen niet van de lucht ('Dat het maar snel een tweede druk moge worden!'). Heerlijk dat er eens zo vrijuit over poep gepraat kon worden. Komrij zelf ('Ere-voorzitter van het genootschap 'De Bataafsche Krijgstrompet', Buitenlid van de Orde van de Bruine Boon, schrijver van 'De Idylle van de Achterpoort', Emeritus Dichter des vaderlands, enz...) gaf in zijn voorwoord flink gas: 'Minutieuze aandacht schenken we aan hoe het erin gaat - de structuur, de kook- en baktijd, het kleurenpalet -maar hoe het eruit gaat, daar doen we giechelig over.'
Hieronder een van mijn bijdragen over dit geurige (sorry) onderwerp, maar laat u de overige 326 dicht bedrukte (sorry) pagina's niet ontgaan. Het zal ongetwijfeld druk worden (pardon) in de boekwinkels, dus wees geen schijterd (excuus) en ren met gezwinde spoed naar de eh... boekwinkel.


Plopper, Ziener & Glijer

In mijn vaders familie wordt al sinds mensenheugenis staand gepoept, maar toen mijn vader mijn moeder tegenkwam was het snel afgelopen met die oude traditie.
In het deel van de Zwitsers-Italiaanse alpen waar de Jaeggi’s oorspronkelijk vandaan komen hebben ze vanouds geen wc’s maar hang je simpelweg de billen boven het ravijn, terwijl een ander je handen vasthoudt. Het is een mooie traditie, die niet alleen zorgt voor een vlotte stoelgang, maar ook goed is voor het testen van de familiebanden. Vraag u maar eens af welk lid van uw familie uw handen zou mogen vasthouden.
Voor de jongemannen uit het dorp is het daarnaast een speelse manier om hun mannelijkheid te bewijzen: wie durft er het verst naar buiten te hangen? Mijn oudoom Othmar schijnt zo’n spelletje Kackhängen niet overleefd te hebben – hij werd beneden in het dorp gevonden, met zijn lederhosen op zijn enkels, maar nog altijd wordt er in de familie met eerbied over hem gesproken.
Mijn moeder was ongevoelig voor die ruige folklore: toen ze na hun verloving bij haar ouders introkken verbood ze mijn vader eenvoudig om nog staand te poepen. Mijn grootouders hadden een zogenaamde Plopper: een tamelijk ouderwetse plee waarbij de grote boodschap met een plopje in het water valt en uit het zicht onder de waterspiegel verdwijnt. Het is een beproefd systeem, maar niet geschikt voor het met grote hoogte laten vallen van de boodschap.
Toen de vloer van de schoonouderlijke wc voor de zoveelste keer blank was komen te staan dreigde mijn grootvader het huwelijk alsnog te verbieden. ‘Ik peins er niet over mijn dochter weg te geven aan een man die niet de beleefdheid kan opbrengen zich aan de nederlandse cultuur aan te passen.’
Om nog erger te voorkomen verhuisden mijn ouders naar een huurwoning in Apeldoorn. Daar kregen ze een badkamer met een Ziener. De Ziener is de archetypische nederlandse wc met een plateautje, ooit in Nederland geintroduceerd door de epidemologe Charlotte Ruijs, die heilig geloofde dat het goed was als men de ontlasting nog even kon inspecteren op ziektekiemen.
De Ziener kostte mijn ouders bijna hun huwelijk. Mijn vader heeft een tijdlang geweigerd thuis naar de wc te gaan. Waar hij dan wel zijn behoefte deed heeft hij nooit verteld.Toen mijn moeder hem een keer betrapte terwijl hij mij, zijn oudste zoon, het hangend poepen probeerde bij te brengen, barstte de bom. Mijn vader voelde zich in zijn mannelijke eer aangetast en weigerde om zijn zoon ‘als een mietje te laten poepen’, mijn moeder wilde een schone plee.
Uiteindelijk werd het, zoals dat in goede huwelijken gaat, een compromis. De Ziener ging eruit en werd vervangen door een Glijer: een soort tussenvorm van Ziener en Plopper. Bij de Glijer belandt de grote boodschap op een schuine helling en glijdt, het woord zegt het al, zachtjes het wachtende water in. Het nadeel is dat er meer remsporen achterblijven, maar dat woog niet op tegen het enorme voordeel dat mijn vader voortaan hangend zijn behoefte kon doen, zonder te morsen. Als hij er zijn ogen bij dichtkneep, vertelde hij wel eens, kon hij zich zo voorstellen dat hij in zijn vaderland boven de afgrond hing, de wind suizend om zijn billen.
‘En jij, mijn jongen,’ zei hij aangedaan, ‘jij hield mijn handen vast.’


Posted by jaeggi at 10:12 am

08 maart 2006

verslag van recente werkzaamheden (dossier: stadsdcht: 0@#477-^6)

Geachte commissie,

Hierbij een verslag van mijn recente werkzaamheden als stadsdichter. Een verantwoording voor de ontbrekende bonnetjes van mijn onkostenrekening (totaalbedrag: 456 euro en 12 cent, klopt dat?) volgt z.s.m.

Je komt nog eens ergens, als stadsdichter. Afgelopen weekend in het afgeladen poëziecafé van George Moormann (stadsdichter van Haarlem) en Dolly Bellefleur (stedemaagd van Haarlem). Een (foto-)verslag van die glorieuze middag staat hier.
Er is geen gebrek aan mooie poëzie-manifestaties, momenteel. Als stadsdichter word ik mede geacht de poëzie in Amsterdam te stimuleren, maar dat heeft iets weg van het viagra toedienen aan een dekram die de hele winter droog heeft gestaan.
Tijdens poëzie in Carré schijnt Joost Zwagerman gepleit te hebben voor meer grote poëzie-happenings in Amsterdam, maar de noodzaak ontgaat mij. Kijk naar de weelde waarin wij leven: er zijn gedichtenmiddagen in Festina Lente, in café 't Blaauwhooft op Bickerseiland leest elke tweede zondagmiddag van de maand voorleesclub De Zwoegende Boezems haar hoog- en laagdravende poëzie, er zit ook een enorm nest dichters in Helmers, en dan is er nog poëzie-centrum Perdu, waar zoveel georganiseerd wordt dat je er duizelig van wordt, zelfs als dichter. Ik heb dus niet de indruk dat de poëzie-scene in Amsterdam veel stimulans behoeft. Overal is poëzie te vinden. Zelfs in stadsdeelkantoor Westerpark, waar gisteravond de allereerste Stadsdeeldichter ter Wereld werd gekozen: Hans Kloos. Mijn bijdrage aan de avond beperkte zich tot het zo kort en pijnloos mogelijk houden van mijn bijdragen: er waren welgeteld vijfentwintig minuten uitgetrokken voor het presenteren van de drie kandidaten (naast Hans Kloos de dichters Wim Brands en Diana Ozon voordat het echte verkiezingsgeweld losbarstte. Stadsdeel Westerpark maakte, net als de rest van Nederland, een ruk naar links, en ondertussen praatte ik met de drie commissieleden die de stadsdeeldichter hadden gekozen. Men was blij met de nieuwe dichter, en trots dat binnen korte tijd zo'n initiatief van de grond was gekomen. Terwijl de PvdA- en SP-aanhang steeds luidruchtiger werd kwamen wij tot de conclusie dat democratie een mooi instituut is, en dat de poëzie er zo veel mogelijk van verschoond moet blijven. Na deze waardevolle conclusie hulde de avond zich in zoete nevelen.

Posted by jaeggi at 10:15 am

06 maart 2006

carrière

Elk dossier dat hij op zijn bureau krijgt ontdoet hij eerst van zijn paperclips. Die bergt hij in een doosje in zijn bureaula. De la puilt uit van de doosjes. Dan haalt hij een voor een de tabbladen uit het stuk en bergt ze op in een hangmap, waarvan hij er zeventien vol heeft. De losse dossiermap zet hij in een kast waarvan inmidddels alle planken gevuld zijn.
Alle ballpoints, nietmachines, perforators en linealen die door het kantoor zwerven, komen uiteindelijk tot rust in zijn bureau en zijn kasten. Daar liggen ze, netjes in het gelid, te wachten op een situatie waarin het bezit van een goed werkende perforator het verschil kan betekenen tussen leven en dood.
Waar hij het meest van houdt zijn dingen die plakken. Alle soorten plakband had hij al volop, maar hij kon zijn geluk niet op toen er opeens op alle bureaus blokjes Stick-Up lagen, gele bloknootjes met een plakrandje. Aan het eind van de dag was zijn kamer één gele zee van papiertjes.
Als er iemand jarig is is hij altijd als eerste in de kantine. Onopvallend stelt hij zich op bij de hoek waar de grootste stukken taart op schoteltjes liggen. Als niemand kijkt schuift hij een paar bordjes wat dichter naar zich toe, en probeert te schatten wat het grootste stuk is. Na het zingen en het feliciteren neemt hij de overgebleven halve punt mee naar zijn kamer, én het stuk van de telefoniste, die aan de lijn doet en geen slagroom mag. Zo heeft hij nog voor twee dagen taart. Hij hoopt dat er pas over drie dagen weer iemand jarig is.
Op zijn bureau liggen drie agenda's. Een voor thuis, een voor kantoor en een voor de zekerheid. Elke dag begint hij met het kopiëren van de gegevens van de ene agenda in de andere twee. Dan legt hij ze naast elkaar en vergelijkt de gegevens. Hij heeft nooit een afspraak.
Eén keer is hij betrapt, toen hij het kopieerapparaat van de gang naar zijn eigen kamer aan het slepen was. Ineens stond de personeelschef achter hem. Wat hij met dat ding ging doen. Op dat moment had hij het eerste en het laatste briljante moment van zijn carriére. Zonder een woord te zeggen rolde hij het kopieerapparaat zijn kamer binnen, klom erbovenop en begon een kapotte TL-buis uit het systeemplafond te schroeven. Toen hij weer durfde kijken was de chef verdwenen.
Nooit komt er iemand op het idee op zoek te gaan naar de verloren spullen. Er wordt gewoon bijbesteld. Briefpapier, floppies, nietjesknijpers, kantooragenda's, dossiermappen, plastic mappen, kartonnen mappen, multomappen, postzegels, pennenbakjes, bureaulampen, grote pakken sneeuwwit kopieerpapier worden met steekkarren het kantoor binnengereden. Een week lang is er overvloed. Dan droogt de stroom op, totdat ook de laatste fineliner verdwenen is. In zijn bureau liggen ze in de onderste la, naast de stempelkussens. Soms opent hij de lade en telt ze, als een vrek zijn munten. Om hem heen, in de andere kantoren, wordt geschreven met van huis meegenomen Bics, en stil gevloekt.
Als hij vervroegd uittreedt vindt men, een maand na zijn afscheid, in een van zijn kasten tweehonderd kleerhangers, vierhonderdvijftig koffiekopjes met bedrijfslogo en het lijk van het Hoofd Boekhouding. Men had hem niet gemist.


Posted by jaeggi at 01:39 pm

02 maart 2006

stadsgedicht bij eenzame uitvaart

Temperatuur, zonlicht en sneeuw waren volmaakt op de Nieuwe Oosterbegraafplaats. De dooi was nog niet ingetreden, de sneeuw was vers en pluizig, en ik had nog bijna een uur de tijd voor ik mijn gedicht moest voorlezen bij de eenzame uitvaart van mevrouw Waterman.
Ik kom zo vaak te laat op afspraken dat ik mij had voorgenomen dit keer ruim op tijd te zijn. Je wilt niet te laat komen op iemands crematie, zelfs niet als het een volslagen vreemde betreft.
Van F. Starik, de onvolprezen organisator van de eenzame uitvaart in Amsterdam was het verzoek gekomen om toe te treden tot de Poule des Doods, de groep dichters die bij toerbeurt een gedicht schrijft voor overledenen zonder kind of kraai.
De sneeuw op de begraafplaats was zo vroeg, kwart over acht, nog maagdelijk, op een paar vreemde drietenige sporen na, die afkomstig leken van een zeer groot hert of anders een struisvogel. Terwijl ik het spoor volgde naar het eind van de begraafplaats, langs het nieuwe columbarium in aanbouw en het oude Van Heutz-monument, dacht ik aan mijn moeder, die inmiddels bijna dertig jaar op zo'n begraafplaats ligt te rusten. Zo word het genoemd, en zo stond het op de grafstenen waar ik langs liep: Rust zacht. Rust in vrede.
Je gaat je in gemoede afvragen wat mensen tijdens hun leven voor rugbrekende arbeid hebben moeten verrichten dat ze er eeuwig van moeten uitrusten.
Het was inmiddels bijna kwart over negen, ik werd in de rouwzaal verwacht. Iets gehaaster dan op de heenweg liep ik terug. Door mijn dreunende voetstappen lieten de bomen die ik passeerde hun sneeuw los en bepoederden mijn schouders en haar.
In de rouwzaal las ik mijn gedicht voor, in aanwezigheid van F. Starik, twee gedelegeerden van de dienst Uitvaarten van de gemeente Amsterdam, en de begeleidster van de uitvaart. Na afloop dronken wij gezamenlijk thee en koffie. Bij navraag bleek dat er op de Oosterbegraafplaats nimmer herten gesignaleerd zijn, laat staan struisvogels.

Buiten sprak ik nog enige tijd met F. Starik, tot mijn schoenen geheel doorweekt - de dooi had inmiddels ingezet, de zon scheen uitbundig - en mijn voeten verkleumd waren. Daarna nam ik tram 9 naar het Centraal Station. Om kwart voor elf was ik thuis. Mijn zwarte schoenen staan nu onder de radiator met proppen kranten erin.

Tweeëntwintig februari

I.M. Agatha Elizabeth Esther Waterman
22-2-1924 - 22-2-2006

Het wordt tweeëntwintig februari, en
dan blijkt dat is bepaald, nu
tweeëntachtig jaar geleden
door Jahweh, stamcel, DNA
dat je vandaag zou sterven –
tweeëntwintig februari.

Een samenloop, een toeval dat je
gelukkig noemen kunnen zou –
want na verloop van tijd bestaan wij
nog enkel maar uit data,
geboorte, huwelijk, dood,

maar dit ironisch toeval geeft
je vorm: de vrouw die stierf op
haar verjaardag, die iedereen
overleefde. Het moet genoeg
zijn, want: dichter komen wij niet,
nooit, misschien wel niemand ooit

zelfs niet de man die je voor vier jaar had,
en die misschien je noemde:
Aagje, Liesje, Sterre.

Posted by jaeggi at 11:10 am

01 maart 2006

coehoorn

Ik werk niet hard genoeg aan mijn nieuwe roman. Geen tijd ('gebrek aan tijd is een gebrek aan talent' - wie zei dat ook alweer?), teveel leuke triviale dingen te doen, het is te zot voor woorden allemaal, want Pluto is het belangrijkste in mijn leven op dit moment.
Er is gelukkig ook goed nieuws: als ik er weer aan ga zitten, zoals vandaag, dan begroeten de karakters me als een oude vriend. Vandaag werk ik vooral aan en met Edmond Coehoorn, prominent lid van het Comité van Welkom:

'Coehoorn had gestudeerd in dezelfde stad en in dezelfde tijd als de kroonprins. Na zijn studie was hij als het glanzendste kalf uit de kudde gepikt en in dienst genomen door het grootste advocatenkantoor in de hoofdstad. Na vier jaar had hij ontslag genomen en was, met medeneming van een groot aantal klanten, drie jonge collega’s en de moosite drie secretaresses een eigen kantoor begonnen. Coehoorn Advocaten was gevestigd in een klein, monumentaal pand in de binnenstad, waar Coehoorn zelf, in een kamer met zesenzeventig meter wetboeken aan de muur (hij had ze ooit geteld, op een melige vrijdagmiddagborrel vol weddenschappen, en had er tien flessen champagne mee gewonnen), onder een plafond met gestucte druiventrossen, drie dagen per week werkte aan zaken waar hij discreet over was, maar waarvan iedereen wist ze met het Hof te maken hadden. De overige dagen verdeelde hij tussen zijn gezin en de golfbaan: hij had de stille droom dat zijn oudste zoon Taco, die meer dan gemiddeld talent vertoonde, ooit als golfer zou worden uitgenodigd voor de Ryder Cup. Drie dagen per week reed hij Taco naar de golfbaan. Soms bleef hij bij het wegrijden talmen, wachtend tot Taco met zijn leraar het clubhuis uitkwam en de green betrad. Verschillende keren waren Coehoorn daarbij de tranen in de ogen gesprongen. Daarna snoot hij zijn neus, keerde zijn Bentley en trok zo hard op dat het grint van de parkeerplaats tegen de ruiten van het clubhuis spatte.'


Posted by jaeggi at 10:10 am