« shortlist Gouden Doerian | Main | hiphopliefde, jungle-trombone en rauw spuug »
14 maart 2006
Harten als vroeger
Vorige week zat ik, samen met een collega-dichter, om een uur of twaalf 's avonds in een studio van de NOS, tegenover een manisch grijnzende presentator die erom bekend staat dat hij altijd aan het eind van zijn programma een gedicht voorleest – er is zelfs een boekje van gemaakt. Mijn collega en ik probeerden de ons toegemeten anderhalve minuut zo goed mogelijk te gebruiken, wezen elkaar op mooie dingen die de ander gezegd had, luisterden ernstig knikkend naar de door onszelf meegebrachte muziek van eigen makelij – het Boekenweek-thema is tenslotte Schrijvers en Muziek – en terwijl het gesprek kabbelend zijn uitgesleten bedding volgde, keek ik naar de technicus die achter de glazen ruit ons gesprek volgde, de hand op de knop van de eindtune, en ik keek nog eens naar de grijze snor van de presentator, en dacht: was het hierom?
Als ik dit schrijf moet de Boekenweek nog beginnen, daarom schrijf ik het nu. Straks is er geen tijd meer. Interview, optreden, volgende optreden, dubbelinterview, kun je misschien even een stukje spelen? Interview ('het duurt een halfuurtje en de foto’s worden intussen gemaakt dus het kost je geen extra tijd'), optreden, workshop, interview, en tussendoor zal ik regelmatig naar mijn redacteur bij Nieuw Amsterdam bellen om te informeren of Tromboneliefde al uitverkocht is en herdrukt word, en of er misschien niet een advertentietje af kan, ergens in een hoekje van de Volkskrant.
Maar daarom ben ik geen schrijver geworden.
Beschouw dit niet als een klaagzang. Ik heb mijn deel van de publiciteit gehad, goed en slecht, en ik heb het zelf gewild, anders had ik geen stadsdichter, columnist of jurylid moeten worden. Maar daarom ben ik geen schrijver geworden.
'There’s no such thing as bad publicity,' en: 'elke keer dat je kop in de krant staat kopen weer honderd mensen je boek,' en 'In Den Haag was het helemaal uitverkocht! Alleen begrijp ik niet waarom ze er maar twee hadden ingekocht!’ – dankjewel vrienden, voor de bemoediging, maar daarom ben ik geen schrijver geworden.
Interviews, tv, radio, publiciteit, persberichten, quotejes, feeding the beast: het is nuttig dat het bestaat en het is nuttig te weten dat het niet bestaat. Niet echt. Wij zitten aan de ene kant van het glas en schreeuwen naar de wereld dat wij bestaan, langs golven en frequenties waar we geen weet van hebben, en aan de andere kant zit iemand met zijn hand op de knop te wachten tot het moment dat wij zwijgen.
Het komt allemaal van pas, deze kennis, want het speelt een belangrijke rol in mijn volgende roman. Ik ben blij dat ik het allemaal heb meegemaakt, maar daarom ben ik geen schrijver geworden.
Ik ben ook blij dat ik een weblog heb dat dagelijks door vijfhonderdzevenenveertig mensen wordt bezocht, omdat ze willen weten wat voor ernstige of melige dingen hij vandaag weer verzonnen heeft, die zotte Jaeggi – maar daarom ben ik geen schrijver geworden.
Het is goed om over zulke dingen na te denken als de Boekenweek op het punt van beginnen staat. En om, voordat we ons richting Stadsschouwburg begeven voor het Boekenbal, of, zoals in mijn geval, richting Paradiso voor het Andere Bal – ik mag namelijk van de CPNB het Boekenbal niet in – iets te lezen dat ons sterker en wijzer kan maken.
Ach vriend, wij komen te laat. Wel leven de goden,
maar over ons heen, hoog in een andere wereld.
Eindeloos zijn ze aan het werk, het lijkt wel of ze niet weten
of wij er nog zijn, zozeer ontzien ons de hemelse goden.
Broos is de mens, broos vaatwerk, niet steeds,
af en toe slechts kan hij de volheid van goden aan.
Nadien heet leven: van hen dromen. Maar dwalen
helpt als sluimer, en nacht en nood, ze geven kracht
tot er helden genoeg zijn gerezen uit de stalen wieg van de tijd,
harten als vroeger, in kracht gelijk aan de goden.
Dan naderen ze met de donder. Maar ik vind het vaak nog
beter te slapen dan zo zonder vrienden te zijn,
op de uitkijk te staan, niet wetend wat ik zolang moet zeggen
of doen: waar dienen dichters voor in deze schrale tijd.
Maar ze zijn, zeg je, zoals de vrome priesters van de wijngod,
die eens van land tot land gegaan zijn in de heilige nacht.
Aber Freund! wir kommen zu spät. Zwar leben die Götter,
Aber über dem Haupt droben in anderer Welt.
Endlos wirken sie da und scheinens wenig zu achten,
Ob wir leben, so sehr schonen die Himmlischen uns.
Denn nicht immer vermag ein schwaches Gefäß sie zu fassen,
Nur zu Zeiten erträgt göttliche Fülle der Mensch.
Traum von ihnen ist drauf das Leben. Aber das Irrsal
Hilft, wie Schlummer und stark machet die Not und die Nacht
Bis daß Helden genug in der ehernen Wiege gewachsen,
Herzen an Kraft, wie sonst, ähnlich den Himmlischen sind.
Donnernd kommen sie drauf. Indessen dünket mir öfters
Besser zu schlafen, wie so ohne Genossen zu sein,
So zu harren und was zu tun indes und zu sagen,
Weiß ich nicht und wozu Dichter in dürftiger Zeit?
Aber sie sind, sagst du, wie des Weingotts heilige Priester,
Welche von Lande zu Land zogen in heiliger Nacht.
- Friedrich Hölderlin, Brot und Wein
(vertaling Piet Thomas & Ludo Verbeeck)
jaeggi om 14 maart 2006 14:34
