« overspel | Main | strafwerk »

06 februari 2006

ocia cornia

Ik ben ziek. Nog steeds. Nou ja, niet echt ziek meer maar wel lamlendig. De was stapelt zich op, de boodschappen op het antwoordapparaat ook -wat ben ik blij dat we nooit SMSsen hebben geleerd, dan zou de ellende niet te overzien zijn.
Maar dat zal u allemaal een zorg zijn, u zit lekker achter uw warme bureau in de kantoortuin met een kopje latte uit de nieuwe automaat die nu alweer kuren begint te vertonen (alle thee smaakt eigenlijk naar koffie en alle koffie naar cup-a-soup) en snakt naar een verhaal, want anders moet u gaan werken.
Dit verhaal is zeker tien jaar oud. Ik heb vanochtend zeker een minuut of vijf zitten gniffelen terwijl ik het klaarmaakte voor dit weblog. Ongelooflijk, de dingen die je soms bloedserieus hebt zitten opschrijven.
Indertijd had ik een goede reden voor het schrijven van dit verhaal. Ik ga nu weer onder de wol, proberen te bedenken wat die reden ook alweer was. Met een betjze mazzel val ik met een glimlach in slaap, tot woensdag of zo.

AJ

Als je het dorp aan de noordkant uitloopt en het pad volgt de helling op, kom je na verloop van tijd bij de oude hut van Misha. Er is nu weinig meer van over. Een open plek in het bos met een vloer van zaagsel, een paar balken, verroest gereedschap.
Misha was de zoon van Vlad, een boer uit het dorp die op zijn dertigste voor zijn eigen ploeg viel. Aangemoedigd door zijn geschreeuw trok het span paarden de ploeg dwars over hem heen, waarbij zijn benen tot aan de heup werden afgesneden. Een middag, een avond en een nacht lag hij op het veld, terwijl de paarden aan het eind van de akker stond te wachten tot hij ze bevel zou geven om te draaien om aan de volgende voor te beginnen. Gelukkig vroor het die nacht hard, zodat het bloeden snel stopte.
Twee jaar nadat men hem 's ochtends voor dood op zijn akker had gevonden kreeg Vlad een zoon bij Nadia. Hoe het hem gelukt was zonder benen een zoon te verwekken was de bron van gegniffel en gefluister van Oest Koet to Oelan Oede, maar vooral was het reden voor jaloezie, want Nadia was een van de mooiste vrouwen in die godvergeten streek.
Toen Misha geboren werd was het snel duidelijk op wie hij leek. Als hij in de spiegel keek zag hij het gezicht van zijn moeder. Donker haar dat glansde als het oude ijs aan het eind van de winter, en gitzwarte ogen die smeulden als het haardvuur in een ijskoude nacht. Hij had een paar handen die je hoofd konden omvatten en pletten als een meloen, iets dat hij overigens nooit zou doen. Toen hij ouder werd bleek dat hij niet in alles op zijn ouders leek: op zijn veertiende torende hij al boven hen uit, en toen hij op zijn achttiende het ouderlijk huis verliet om op de heuvel te gaan wonen moest hij diep bukken om zijn hoofd niet te stoten aan de deurpost.
Er waren genoeg vrouwen die meer in Misha zagen dan in de andere mannen uit die landstreek, waarvan de meeste kort en dik zijn en kleine ogen hebben. Als de vrouwen zich 's ochtends bij de dorpspomp verzamelden met hun emmers was de jonge Misha een gretig besproken onderwerp, en altijd was er minstens één die zich hardop afvroeg of alles aan hem even groot zou zijn als zijn handen. Als er op dat moment een andere man voorbijkwam lachten de vrouwen smalend en keken hem met harde blikken weg, tot hij verbaasd en schouderophalend doorliep.

De eerste vrouw die uitvond of het waar was wat er over Misha gefluisterd werd heette Roema. Zij was de dochter van een van de rijkste boeren van het dorp, en getrouwd met een vriend van haar vader, die dertig hectaren had aan de andere kant van de heuvel waar Misha woonde. Als Roema haar man zijn eten bracht kwam ze altijd langs de open plek waar Misha's blokhut en kolenbrandersoven stonden. Op een dag, terwijl ze op de terugweg was van het veld, zag ze de jonge reus voor zijn hut op de grond liggen. Nieuwsgierig betrad ze de open plek, waarbij haar voeten centimeters diep in het zaagsel zakten dat de open plek bedekte.
Misha had zijn ogen dicht. Zijn borst rees en daalde en hij leek te slapen. Toen ze twee passen van hem vandaan was merkte ze hoe ze zich vergist had.
Hoewel hij haar onmogelijk had kunnen horen aankomen sprong hij in één keer vanuit een liggende naar een staande houding en greep haar jurk vast. Ze voelde de stof om haar middel klemmen en deed onwillekeurig een stap naar hem toe. Ze zag het vuur in zijn ogen smeulen.
'Je had me horen aankomen,' zei ze.
'Al voordat je bij de rand van het bos was,' zei hij. 'Ik zie je altijd komen en gaan.'
'Waarom liet je me dan zo schrikken?'
Hij gaf nog wel antwoord, maar daar hoorde ze geen woord meer van. Er was nog ongeveer een pas ruimte tussen hun lichamen, maar ze voelde dat zijn hand haar had losgelaten en dat er nu iets anders tegen haar onderbuik drukte, iets dat de afstand tussen hen in stilte overbrugde, en ze hoefde er niet naar te kijken om te weten wat het was, en dat alle verhalen die de vrouwen onder elkaar fluisterden nog niet de halve waarheid waren.

Roema liep het dorp in met een ongewone zwaaiende gang, veroorzaakt door het zaagsel en het zweet van Misha op haar lijf, dat haar gek maakte van de jeuk, en omdat ze haar benen niet goed meer bij elkaar kon krijgen. Haar glanzende ogen en het zachte wijsje dat ze neuriede werden alleen opgemerkt door twee vrouwen die in de deuropening stonden te roddelen. Ze riepen haar aan, maar Roema schonk ze geen aandacht en liep, zo recht als mogelijk was, door naar huis. De vrouwen keken elkaar aan en wierpen toen berekenende blikken de straat af, naar waar die overging in het pad dat de heuvel opliep.
Twee maanden bezocht Roema elke dag de hut van Misha als ze terugkwam van het veld met de lege aardappeldoos onder haar arm. Toen kon ze het niet langer voor zich houden en vertelde het door aan haar beste vriendin, die met de hand op haar hart beloofde haar geheim te bewaren.
De eerstvolgende keer dat Roema de open plek oprende hoorde ze vreemde geluiden uit de blokhut komen. Een diep, aards gesteun waarvan zij dacht dat ze de enige was die het ooit gehoord had, en een hoog gegil. Toen ze de deur van de hut opengooide zag ze haar vriendin gehurkt boven Misha's heupen zitten. Ze kronkelde en deed verwoede pogingen hem helemaal in zich op te nemen. Roema slaakte één gil, die zo hard was dat haar vriendin van schrik al haar spieren ontspan-de en haar in één keer lukte wat ze al die tijd probeerde. Misha vloekte toen het meisje zwaar op hem landde en met haar voorhoofd op zijn neus sloeg.

'Ik had een joekel van een bloedneus,' zei hij toen ze hem een week later tegenkwam in het dorp. Hij had een zak kolen op zijn rug die bijna zo groot was als hijzelf. Hij verlegde de zak, waarbij kleine wolkjes kolenstof ontsnapten en op zijn zwetende huid neerstreken.
'Net goed,' zei Roema.
'Ben je nog boos?'
Ze boog haar hoofd en schopte naar een onzichtbaar steentje.
'Ik mis je,' zei hij.
'Wen d'r maar aan,' zei Roema.
'Dat wil ik niet,' mompelde Misha. 'Waarom zou ik? Ik heb niks fout gedaan.'
Ze keek hem woedend aan.
'Roema,' zei hij, 'het betekende niks. het is heel anders dan bij jou. Bovendien ben jij de eerste. En de enige. Dat weet je toch?'
Uit trots hield ze het nog twee dagen vol, maar toen ze hem weer tegenkwam op straat, en hij haar nogmaals vertelde dat het niks te betekenen had, en dat zij de eerste en de enige was, toen begon er in haar buik iets te gloeien, dat zo heet werd dat ze dacht dat ze van binnen zou smelten, en ze pakte zijn arm en trok hem mee achter een van de huizen, waar een grasveldje was met struiken eromheen, naast de varkenspoel. En ze probeerde zich eerst in te houden, maar hij trok haar hand van haar mond en ze schreeuwde zo hard dat de var-kens opgewonden mee begonnen te gillen.

Helaas kon ook haar vriendin haar mond niet houden. Nog geen week later trof ze Misha aan in het open veld met een van de danseressen uit het circus dat een dorp verderop zijn tenten had opgeslagen.
Nadat ze het weer goedgemaakt hadden vond ze hem in bed met twee zusjes, Ania en Raïsa, die zich in het geheel niet leken te schamen maar zich giechelend aankleedden terwijl Roema de wegduikende Misha met stukken hout en kolen bekogelde, omdat ze niet in tranen wilde uitbarsten waar die twee bij waren.
'Waarom doe je me dit aan,' zei ze, toen ze een paar uur later met hun ruggen tegen elkaar in het gras zaten. De zon ging onder boven Oelan Oede.
'Ik kan niet anders,' zei hij. 'Ze komen aan mijn deur en hun adem gaat sneller, en ik voel de warmte onder hun rokken al, en ik kan me niet meer inhouden. Het is dit ding,' en hij nam haar hand en trok die naar zijn kruis, en ze kon hem nauwelijks omvatten, 'deze vloek die groeit en groeit en ik kan er niets tegen doen, als ik hem niet op tijd leeg en hem laat slinken ben ik bang dat hij op een dag zal ontploffen en dat ik dood zal bloeden, zoals mijn vader had moeten gebeuren.'
Roema trok haar hand terug. Even zaten ze stil, zonder gedachten, en de warmte van zijn rug deed de hare gloeien. Toen draaide ze zich om, waardoor hij achterover in het gras viel. Ze boog zich over hem heen, trok de knopen van zijn gulp open en nam hem in haar mond.
'Ik ben de enige,' dacht ze, terwijl ze haar mond verder probeerde open te sperren, zodat hij helemaal in haar kon verdwijnen. 'De anderen zal hij vergeten, en ik zal de enige zijn die hij nog wil.' Haar mondhoeken werden tot scheurens toe opgerekt en ze kreeg haast geen adem meer, maar ze lette er niet op en duwde hem verder en verder naar binnen, tot het donker werd voor haar ogen.
Een tijd lang bezocht ze hem elke dag, soms meerdere keren per dag. Ze kon aan niets anders meer denken dan aan zijn lichaam, de geur van hout en vuur in zijn haar, en aan het monsterlijke ding tussen zijn benen. Ze putte hem uit, of probeerde dat, tot haar rug beurs was en haar knieën en handen vol schaafplekken zaten en ze naar huis wankelde, waar ze de geur van zich afwaste voor haar man thuiskwam. Ze deden het zo vaak dat ze zich later niet meer kon herinneren of ze in die tijd nog iets anders gedaan had. Een keer trof haar man haar bij zijn thuiskomst aan op de vloer, haar wang en haar hals tegen de koele stenen gedrukt. Hij fronste, maar zei niets en ging de deur uit naar het café om daar te eten.

Op een dag vertelde hij Roema dat hij de volgende week voor een paar dagen naar de stad zou vertrekken, om nieuw zaaigoed en gereedschap te kopen. Ze mocht mee, als ze wilde. Even flitste het door haar heen dat ze al die tijd dat hij er niet was bij Misha zou kunnen zijn. Ze zou zelfs een nacht bij hem kunnen slapen. Maar ze doorstond de blik van haar man niet en stemde toe. Een paar dagen later vertrokken ze.
Toen ze terugkwam en haar man in slaap was gevallen trok ze de nieuwe lichte jurk aan, die ze in de stad gekocht had, en liep het dorp uit. Toen ze de open plek zag begon ze te ren-nen.
Misha was niet in zijn hut. Hij was ook niet in het bos. Met een steen in haar maag liep ze terug naar het dorp. Halverwege hoorde ze geluiden uit de struiken komen die ze in haar haast op de heenweg gemist had. Hoewel ze al bijna moest huilen om wat ze daar aan zou treffen, duwde ze de struiken opzij en ging op het geluid af.
Hij was naakt, op zijn broek na die rond zijn dijen hing, en hij lag bovenop een blonde vrouw die ze niet herkende omdat haar gezicht vertrokken was in een heftige grimas.
'Zo zie ik er waarschijnlijk ook uit als hij het met mij doet,' dacht ze treurig, terwijl ze langzaam terugliep naar het dorp.
De steen in haar maag bleef ze met zich meedragen, en hij werd zwaarder en zwaarder, totdat ze werkelijk ziek werd van het gewicht. Het grootste deel van de herfst lag ze op haar bed, en ze stond pas op toen het bijna winter was, die veel vroeger kwam dan anders, dat jaar.

De eerste dag dat ze weer kon lopen besteeg ze weer het pad de heuvel op. Ze vond Misha bij de hut. Hij stond met ontbloot bovenlijf hout te hakken voor zijn oven. Het had die nacht voor het eerst gevroren, maar het zweet liep in straaltjes over zijn lichaam.
'Moet je 'm nou zien,' dacht Roema, ' met z'n mooie lijf en zijn dikke spieren. Als een haan die pochend het erf rondstapt en zijn kam opzet voor elke kip die hij tegenkomt.'
Ze was niet verbaasd om te zien dat hij een erectie had. Ze liep naar hem toe en ze lachte toen hij zijn bijl liet vallen, haar optilde en met haar over zijn schouder naar zijn hut rende. En natuurlijk schreeuwde ze weer zo hard dat het waarschijnlijk tot in het dorp te horen was, hoewel er dit keer een plek in haar was waar hij niet in leek door te dringen. Ze trok hem in zich tot hij niet verder kon, en ze klemde haar benen om hem heen als een berenklem en siste in zijn oor: 'Toe dan! Toe dan! Is dat alles wat je kunt?'
In de weken daarna zag ze hem nog wel, maar minder vaak dan eerst. Er was bijna geen vrouw meer in het dorp die Misha niet bezocht had, en soms als ze met het eten van haar man onder haar arm langs de open plek liep, hoorde ze uit de hut de geluiden van Misha die zijn vloek tussen het volgende paar benen dreef. Dan voelde ze hoe de steen in haar buik weer groeide. Ze besloot om voortaan een andere route te nemen naar het veld.
Daarmee ontweek ze wel Misha, maar wat ze niet vermijden kon waren de gefluisterde gesprekken en het gegiechel bij de dorpspomp. Vrouwen met dromerige ogen die onderling maar een paar woorden nodig hadden om duidelijk te maken dat zij hem óók gehad hadden. Roema begon ze te haten, niet omdat ze ze als rivalen beschouwde - ze geloofde hem als hij zei dat zij de enige was, en dat er een dag zou komen dat er geen anderen meer waren - maar vanwege hun samenzweerdersgedrag, het steeds groeiende verbond tussen de vrouwen in het dorp, waarvan zij ongewild ook lid was. Dat ze haar man bedroog begon haar pas te bezwaren toen ze zich realiseerde dat ze ook een samenzweerder was, een van de velen die om de beurt hun gang de heuvel op maakten.

De winter was streng, dat jaar. De eerste sneeuw viel al toen pas de helft van de oogst van het veld was. Alle dorpsbewoners, ook de vrouwen en de kineren, moesten eraan te pas komen om te redden wat er te redden viel. Twee weken lang werd er van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat gewerkt. Roema zwoegde op de akkers tot ze erbij neerviel, en haar man haar naar huis stuurde om uit te rusten.
's Avonds lag zij voor het haardvuur, gedachteloos mwet haar lepel in haar koudgeworden soep roerend, toen er aan de deur geklopt werd. Het was een jonge vrouw uit het dorp, de blonde die zij voor het laatst gezien had met een extatische uitdrukking op haar gezicht en Misha tussen haar benen. Nu zag ze zo wit als een doek.
Roema nam haar mee naar de keuken en maakte thee voor haar. De vrouw warmde haar handen aan de kop maar dronk niet. Na een paar minuten zei ze: 'Je moet meekomen. Er is wat met hem gebeurd.' Roema voelde de steen in haar borst veranderen in ijs.
Meer dan twintig vrouwen hadden zich verzameld in de hut. De meesten hadden tegen de kou hun sjaal voor hun gezicht gebon-den, zodat alleen hun ogen te zien waren. Ze stonden zwijgend in een kring. Ze stapten opzij om Roema door te laten.
Een grote tak, bijna een boom op zichzelf, was bezweken onder het gewicht van de sneeuw en had het dak van de hut verpletterd. Misha lag op zijn rug, mat de nokbalk op de plaats waar zijn gezicht was geweest. Er lag sneeuw op zijn borst. Zijn huid was lichtblauw, en vanuit zijn kruis rees het ding op, nog groter dan de vrouwen om hem heen zich konden herinneren - ook na zijn dood nog niet tevreden.
Er was niets te horen dan de wind die door het gebroken dak naar binnen woei. Langzaam sloot de kring van vrouwen zich. Een van hen, de wollen sjaal tot onder haar ogen opgetrokken, stapte over het lijk heen, trok haar winterjas en haar rok op en liet zich voorzichtig neer op de koude blauwe kegel. Ze sloot haar ogen en bewoog langzaam, als in een trance, op en neer.
Toen ze klaar was stapte de volgende vrouw naar voren. Hete adem wolkte door de hut, en er klonk gedempt steunen, maar enkel van de vrouwen. Na de tiende wilde Misha niet tot leven komen, en ook na de vijftiende niet.
Roema telde in gedachten af. Nog twee, nog een en dan was het haar beurt. Het was of een koude zwarte hand haar in haar buik kneep.
Er klonk een gil, en een droge knak. De vrouw die aan de beurt was viel op haar zij en begon te gillen. Het ding was afgebroken op een paar centimeter boven het kruis. De vrouw kroop snikkend bij hem weg, een hand onder haar kleren. Andere vrouwen knielden bij haar en probeerden haar te kalmeren. Roema draaide zich om en liep de hut uit, het pad af naar het dorp.
Thuis bracht ze een kwartier door met het opruimen van dingen die net zo goed hadden kunnen blijven liggen waar ze lagen. Daarna gaf ze haar man, die voor het gedoofde vuur in slaap gevallen was, een kus op zijn kalende kruin en verdween naar boven. Ze opende de deur van de klerenkast en trok de deur secuur achter zich in het slot. Toen begroef ze haar gezicht in de kleren.
Het was of ze glas gegeten had. Haar ingewanden leken bezaaid met splinters.

Wat er met het lijk gebeurd was kwam ze nooit te weten. Toen ze maanden later, de winter was al aan de verliezende hand, weer langs de open plek kwam zag ze dat de hut grotendeels was ingestort. Eromheen stonden wolvensporen in de sneeuw.
In het dorp werd er niet meer over Misha gesproken. De vrouwen wisselden geen geheime blikken meer. Alleen tijdens het lentefeest, toen alle dorpsbewoners zich verzameld hadden in het Grote Huis, en de mannen onder luid gebrul en gelach rond het vuur dansten, meende ze iets te zien in de ogen van de vrouwen die langs de muur zaten. Maar toen de mannen lachend en bezweet terugkwamen leek het of er nooit iets gebeurd was.
Toen ze buitenkwam, en met haar man naar huis liep, zag ze dat op sommige plaatsen de sneeuw al begin te smelten. Van een tak viel een druppel in haar nek. Ze rilde en drong zich tegen haar man aan, maar toen hij een arm om haar heen wilde slaan stapte ze opzij en versnelde haar pas.
Hij stond verbaasd stil. Toen haalde hij zijn schouders op en liep haar langzaam achterna. Hij was warm van de drank, en van de lente die nu toch eindelijk leek te komen. Hij besloot om dit jaar, als de opbrengst van de oogst meeviel, een mooie halsketting voor haar te kopen, of een armband.
'En bovendien wordt het tijd dat we zonen krijgen,' dacht hij. Hij glimlachte in zijn kraag, en begon sneller te lopen.

jaeggi om 06 februari 2006 10:08