« moderne slaven | Main | monogamie »

20 januari 2006

stadsdichter van amsterdam

Zoals inmiddels bekend krijgt Amsterdam een stadsdichter. A.s. woensdag wordt hij (zij?!) bekendgemaakt in Paradiso, tijdens het eerste Gedichtenbal. Ter gelegenheid hiervan vroeg Z magazine (heette ooit de Daklozenkrant) een aantal dichters om een reactie. Hieronder de mijne. Wat niet wegneemt dat u ook komende week gewoon die krant moet kopen, natuurlijk.


Ik benijd hem niet, de nieuwe Amsterdamse stadsdichter. Hij heeft zijn pen nog niet op papier gezet of er staat een stadswacht voor zijn neus.
‘En wat denken wij dat wij aan het doen zijn?’
‘Dichten, meneer.’
‘Dichten?’
‘Ja, ik zit hier op een mooi plekje en probeer de schoonheid van de stad te vangen in een vers.’
‘Allemaal mooi en aardig meneer, maar u houdt wel het verkeer op.’
‘Verkeer? Er is hier geen verkeer.’
‘Nee, niet als u hier blijft zitten. Mag ik u verzoeken om door te lopen?’
Een eindje verderop gaat de stadsdichter op een bankje zitten. Hij zuigt op zijn pen, kijkt naar de geveltjes. Hij wil net iets opschrijven als er iemand naast hem komt zitten. Een golfje alcoholdamp drijft zijn richting uit.
‘Slokje?’ vraagt de man naast hem. Hij draagt drie bontjassen over elkaar. Naast het bankje staat een winkelwagentje, hoog opgetast met vuilniszakken.
‘Nee, bedankt,’ zegt de stadsdichter. ‘Ik ben aan het werk.’
‘Sure,’ zegt de man. ‘Dat ken iedereen so sien.’
Hij schuift wat dichterbij.
‘Wat voor werrek dan?’
‘Dichten,’ zegt de stadsdichter. ‘Over de stad.’
‘Ik ben de stad,’ zegt de man. Het heeft een stelligheid waar niet aan te ontkomen valt.
De stadsdichter loopt naar huis en daar, in de beslotenheid van zijn kamer, lukt het hem een gedicht te schrijven. Het heet Ik ben de stad, het is een mooi gedicht, en bij de eerste de beste gelegenheid draagt hij het trots voor.
De volgende dag verschijnen er boze ingezonden brieven in Het Parool. In het gedicht van de stadsdichter komt niet één allochtone Amsterdammer voor. Is het de bedoeling dat de stadsdichter van Amsterdam alleen voor blanke Amsterdammers schrijft?
De stadsdichter schrikt zich een hoedje. In één slapeloze nacht schrijft hij een vlammend vers met als titel: De Kleurenblinde Stad.
In Het Parool verschijnen nieuwe ingezonden brieven. De meeste ervan komen uit de Jordaan, maar ook enkele uit Almere: gaat de stadsdichter nog een keer wat schrijven over het ‘echte Amsterdam’, de stad van Manke Nelis, Johnny en Tante Leen? Of voelt hij zich daar soms te goed voor? Zijn de Marokkanen weer belangrijker?
De stadsdichter begeeft zich spoorslags naar het Johnny Jordaanplein, waar hij een hele middag op het terras zit met echte Amsterdammers, die hem precies vertellen hoe het zit met de stad, en waarom het nooit meer goedkomt met alles. Met loden voeten betreedt de stadsdichter zijn werkkamertje, waar hij na drie dagen uitkomt met het gedicht De Verloren Stad.
De dag na publicatie van het nieuwe stadsgedicht komt er een telefoontje van het stadhuis: kan het misschien iets vrolijker? Iets optimistischer? Het kan toch niet de bedoeling zijn dat de stadsdichter de hele Amsterdamse bevolking een pesthumeur bezorgt?
De hele Amsterdamse bevolking hééft al een pesthumeur, wil de stadsdichter roepen, maar hij doet het niet. In plaats daarvan gaat hij wandelen. Het is een mooie dag aan het eind van de herfst, het tijdstip waarop de stad voor dichters onweerstaanbaar is. Hij loopt over het Spui, hij neemt de tram naar Oost en wandelt van het Muiderpoortstation terug naar het Tropenmuseum. Hij wandelt over de Plantage Middenlaan naar het Wertheimpark, met een korte tussenstop in café Eik en Linde, waar Julius Vischjager op de piano in de gelagkamer Scarlatti speelt.
De stadsdichter wandelt door de stad, wijst Amerikaanse toeristen het Anne Frankhuis en maakt foto’s van groepjes Japanse toeristen die allemaal hetzelfde plastic hoedje dragen. Hij wandelt over de Oudezijds Voorburgwal en groet de meisjes achter het raam, de vrolijke en de verdrietige. Als het avond wordt is hij dronken van de stad. Hij gaat op een bankje zitten, ergens aan de gracht, en schrijft een nieuw gedicht.

Amsterdam

dit zou de laatste dag mogen zijn
alles is om in te ademen
alles rot verleidelijk
er is verkeer om diep op in te gaan

het is bijna avond
en piloten bedekken de stad
liefdevol met bladerdeeg

Als het af is laat hij het gedicht los, de wind neemt het op en draagt het de stad in. Dan leunt de stadsdichter achterover en wacht de reacties af.


jaeggi om 20 januari 2006 23:05

Post a comment




Remember Me?