« den dolder | Main | hèhè, dat zou tijd worden »
13 januari 2006
goedemorgen, teleurgestelde volkskrant magazine-lezers
Hierbij uw wekelijkse column .
Vlak na de kaas en net voor de chocola en de cognac stond ineens Marcus in de gang. Degene die in de avondwinkel nieuwe sigaretten was gaan halen had hem mee naar binnen genomen.
De luide welkomstkreten en omhelzingen die volgden hadden iets hysterisch, alsof Marcus jaren geleden over de horizon was verdwenen in een driemaster van twijfelachtige zeewaardigheid. Marcus hield zich groot, ook in de meest wurgende omhelzing bleef hij toegeeflijk lachen. Hij kreeg een ereplaats op de bank. Een enorme bel calvados werd voor hem neergezet. Zeker tien minuten gingen heen met uitroepen dat het zo lang geleden was, en grappen over ontrouwe vrienden, voordat het gesprek langzaam weer om Marcus heen in zijn gewone bedding stroomde.
Marcus was ziek geweest.
Het was de tweede keer dat hij opgenomen werd, had ik begrepen, al was de eerste keer zo lang geleden dat de meesten van ons hem nog niet eens kenden. Dit keer had hij drie maanden in een besloten inrichting gezeten. Vlak ervoor had hij, met zijn toenmalige vriendin, nog bij ons gegeten. Toen ik het bericht van zijn opname kreeg dacht ik aan een opmerking die hij die avond gemaakt had: 'Met al die stemmen in je hoofd hoef je in elk geval nooit eenzaam te zijn.'
Het gezelschap had de goede smaak om niet over Marcus' ziekte te beginnen. Het ging over het huren van grote villa's in Spanje en Italië, over aspergesoep, over de smaak van sperma, en over seks na je tweede kind, maar het onderwerp schizofrenie werd keurig vermeden.
De vrolijkheid had wel een schrille boventoon gekregen: er werd steeds harder gelachen om grappen zonder clou en de discussies raakten vlak buiten de haven hopeloos aan de grond en kwamen niet meer vlot. Ook was er ineens weer een versnelling in het drinken. Binnen korte tijd gingen er twee nieuwe flessen rode Montepulciano open en op.
Goddank begon Marcus er op een gegeven moment zelf over. (Per slot van rekening was hij ook degene die ooit aan een goede vriend die net zijn vrouw verloren had, een kaart met Hartelijk Gefeliciteerd had gestuurd. Volgens eigen zeggen omdat hij hem anders nooit meer recht aan had kunnen kijken.)
Hij vertelde over de verplegers in de inrichting, die zonder uitzondering allemaal kaal waren. Hij vertelde over de geluiden nadat de lichten waren uitgegaan, en over de vriend die hij er gemaakt had, de rasta-dichter Shelby. Shelby had de opdracht om het rijk van Haile Selassie in het Westen te stichten. Hij deed dat door het schrijven van erotische limericks.
'Maar was het nou net zoals in One Flew over the Cuckoo's Nest? Dat je zo met zijn allen in een kamer zit?'
'Een deel van de dag, ja. In de recreatieruimte.'
Het enige dat wij wisten over de afgesloten wereld waar Marcus vandaan kwam waren clichébeelden uit een tot aftandse filmklassieker van dertig jaar geleden.
'Was die grote Indiaan er ook nog bij?'
Gegrinnik.
'En die lange kale met dat litteken over zijn voorhoofd?'
Beschaafd gelach. Marcus grijnsde. Ik zocht naar een minder voor de hand liggende vraag, iets dat hem zou laten vertellen over wat we niet kenden.
'En als het mooi weer was kon je naar de tuin.'
'Een tuin?! O, je had een tuin, nou, als je een tuin hebt...'
'Niet een tuin met bomen en struiken hoor. Meer met autowrakken en sigarettepeuken.'
Terwijl hij praatte keek ik naar zijn gezicht. Het was gekrompen. Zijn neus had zich teruggetrokken, zijn wangen waren platter gewor-den, zijn ogen waren doffe krenten en zijn mond bewoog anders dan voorheen. Hij vertelde over plastic cupjes met felgekleurde pillen en rustgevend vaalgroen beddegoed, als een toerist uit de onderwereld. Ik betrapte me erop dat ik zijn haarlijn afzocht naar een litteken. Marcus beschreef onder grote hilariteit de tafelmanieren van een medepatient tijdens het avondeten. Hij liet zijn kin hangen en een paar druppels speeksel uit zijn slappe mondhoek lopen.
'Maar toen keek ik over zijn schouder en zag mijn eigen gezicht in de ruit.'
Marcus trok een afzichtelijke grimas, het gezicht van een debiele kobold. Gilletjes van afschuw en zenuwachtig gegiechel, dat overging in een bevrijdende lach, toen zijn gezicht weer in de gewone plooi zakte.
Marcus leunde achterover. Het gesprek dreef de andere kant uit maar ik kon mijn ogen niet meer van hem afhouden. Drie maanden had hij doorgebracht in een volstrekt ander heelal, een plaats waar onze wetten niet golden. Aan onze eettafel met de kaarsen en de wijnflessen en de gemorste druppels hollandaisesaus zat, lachend en drinkend, iemand die teruggekeerd was uit het universum naast het onze, de plek waar we de waanzin geparkeerd hadden.
jaeggi om 13 januari 2006 17:15
