« SLOTGEBED | Main | nieuws van de afdeling auteursrecht en de boyz in de pimpshop »

26 januari 2006

happy gedichtendag allemaal!

Dit is de toespraak die ik gisteren tijdens het Gedichtenbal in Paradiso gehouden heb:


Wat hebben Groningen, Venlo, Alkmaar, Hoorn, Zwolle, Dordrecht, Roermond, Middelburg, Breda, Gouda, Gent, Haarlem, Antwerpen, Valkenswaard, wat heeft zelfs bloody Den Helder dat Amsterdam niet heeft?
Een stadsdichter.
Dat is toch om gek van te worden? Hebben wij niet alles wat een stadsdichter kan inspireren? Hebben wij niet grachten, architectuur, kunstschatten, bezienswaardigheden? Hebben wij niet muziek, kunst, horeca en overlast? Is de naam Amsterdam niet in de hele wereld synoniem met vrijheid, feesten en wiet waar je een paard mee platkrijgt? Hebben wij niet een stadsbestuur met kleurrijke charlatans en handige compromissenbakkers? Hebben wij niet Leidseplein, Rembrandtplein en Museumplein, de grootste speelplaatsen van het land? Hebben wij niet schijtende honden, kuddes zwabberende fietstoeristen, op elke gracht een verhuiswagen die met zijn dikke reet de doorgang verspert, Amsterdammertjes die precies pijnlijk je edele delen toucheren als je onvoorzichtig oversteekt, snackbar Stoot Je Hoofd Niet, café de Engelse Reet en café Eik & Linde? Al die uitbundige homo's, die hebben we toch niet voor niets? Hebben wij niet alles wat een echte stad moet hebben, inclusief een immer kankerende bevolking die voor geen goud ergens anders zou wonen? Maar voor lofzangen op Amsterdam zijn we aangewezen op versleten Jordaan-repertoire van minstens 20 jaar oud en jaarlijks één vers in opdracht van de dienst Ruimtelijke Ordening, om de opening van een nieuw kruispunt te vieren.
De stadsdcihter zou eigenlijk een Amsterdamse uitvinding moeten zijn: een door de gemeente bezoldigde poëtisch ambtenaar die twee jaar lang op geheel eigen wijze zijn of haar bek opentrekt over alles wat hem of haar zint en niet zint.
Ik ben niet de enige die dit vond. Velen zijn me voorgegaan, met brieven naar de gemeente, met particuliere initiatieven, met lijsten van sympathisanten. En zulke iniatiatieven belandden, na enig voorbereidend radbraken in de ambtelijke molen, bij de Amsterdamse Kunstraad. En die schreef op 2 december 2004 aan de toenmalige Wethouder voor Cultuur, mevrouw Hannah Belliot:
Geachte mevrouw: De gedachte ook in Amsterdam een stadsdichter te benoemen, wordt door de Kunstraad, zij het terughoudend, ondersteund. (-) Het is ongewenst dat enige vorm van inhoudelijke verantwoordelijkheid van het College dan wel van het gemeentebestuur voor het geschrevene zou kunnen ontstaan of dat door derden als zodanig kan worden ervaren en dat over diens teksten politiek verantwoording moet worden afgelegd. (-) Denkbaar is dat dit bestuur, gegeven de omvangrijke bezuinigingen die het zal moeten realiseren en gegeven de daaruit voortvloeiende herbezinning op kerntaken, aan de bekostiging van een stadsdichter geen prioriteit toekent.
U begrijpt: de kans op een stadsdichter voor Amsterdam was op 2 december vorig jaar voorgoed verkeken.
Gelukkig werken op het Gemeentehuis ook weleens mensen langs elkaar heen. Verstrooide, dichterlijke of anderszins eigenzinnige types, die niet van het advies van de kunstraad op de hoogte waren, en die het daarom ook wel een goed idee vonden, een stadsdichter.
En die lazen het Parool, en daarin stond een oproep voor een stadsdichter van een zekere Adriaan Jaeggi, en diezelfde mensen op het stadhuis hebben nog gevoel voor humor ook, want die zeiden: als jij het dan zo graag wilt, met je grote mond, doe jij het dan maar. We leven niet voor niets het tijdperk van de terugtredende overheid.
Kortom: als Amsterdammer ben ik heel tevreden over mijn stadsbestuur: ik hoefde maar om een stadsdichter te vragen en binnen het jaar had ik er een. Het repareren van de put in het trottoir voor onze deur duurde langer. Dat heb ik tenslotte óók maar zelf gedaan. Het is altijd hetzelfde liedje in deze stad: als je wilt dat er iets gebeurt moet je het zelf opknappen.

Ik weet inmiddels, na wat voorbereidende gesprekken in de hele stad, wat mij als stadsdichter te doen staat. Het gemeentebestuur hoopt dat de stadsdichter de stad in al haar schoonheid zal bezingen, veel aan Amsterdam-promotie zal doen en gedichten zal schrijven die netjes op T-shirts passen.
De mensen in de Jordaan en Almere-Buiten rekenen erop dat de stadsdichter die ingedutte kliek in de Stopera er flink van langs zal geven, de laksheid en de vriendjespolitiek zal aanpakken, en Job Cohen en Gonny Oudenallen en al die andere zakkenvullers eens flink de oren zal wassen.
Buitenveldert hoopt op een beetje sjieke gedichten, die nijver rijmen.
En in de Watergraafsmeer maakt het ze niet uit zolang Ajax maar genoemd wordt.
Het is een mooie en lichtelijk onmogelijke taak, zoveel mensen tevreden stellen. Ik heb vanochtend nog even gebeld met de dienst Onderzoek en Statistiek van de gemeenste, om te vragen om hoeveel mensen het precies gaat.
Het zijn er op dit moment zevenhondervierenveertigduizend-zevenhonderdzesendertig.
Ik vind het een enorme eer dat ik het eerste Amsterdamse stadsgedicht mocht maken en aan u mag voorlezen, een gedicht dat zonder enige twijfel alle zevenhondervierenveertigduizend-zevenhonderdzesendertig Amsterdammer tevreden zal stellen.


En dit is het gedicht dat ik daarna voorgelezen heb:

I Drie kruizen

Ik zocht Amsterdam maar vroeg ik een man
de weg, dan zwol zijn krop en zong hij met Jordaan-
vibrato van Wester, duiven en Dam.
Vroeg ik aan een vrouw de weg dan wou ze geld:
twee euro voor een plattegrond

Ik offerde mijn fiets aan de fietsflat en zocht
mijn weg langs een hoer die haar lippen stiftte bij strijklicht
Het VVV wees Museumplas, het mooie Vondelmoeras
maar ik was op zoek naar de mythische taxichauffeur die je snijdt bij de Munt en als je op je voorhoofd tikt zijn raam omlaag draait en zegt met de bedaardheid van een gnoe
dat doe jij verkeerd dat mot jij met een hamer doen
Ik zocht een stad die me kon vervoeren
ook als het om een kort ritje ging
Ik zocht de moddervette knipselbeat van XXX-large funshoppen
in de koopgoot van je dromen
Ik zocht de Maillardreactie ken je die van die Afghaan
die vlekkeloos Nederlands spreekt als hij mijn auto de fik in steekt
in een stad waar je doet wat niet mag
omdat het Amsterdam is en de rest ook knetterlam is
in een spandoekloze stad waar terughoudend wordt ondersteund met alle oog voor kunstpolitieke implicaties en ongewenste inhoudelijke verantwoordelijkheid van het College dan wel van het gemeentebestuur dan wel van veelarmige olifantengod Ganesh niet dan met inachtneming van alle overige religieën en tot niets verplichtend indien het geschrevene zou kunnen ontstaan dat door derden als zodanig kan worden ervaren en er politiek verantwoording moet worden afgelegd
Ik zocht een rijke gastvrije doorwaadbare plaats met drie kruizen:
kankerfiets, kuttoerist, keizerskroon.
Ik zocht zoals iedereen Amsterdam zoekt
niet als trapgevelnest maar als peper en zuur
niet als inspraakorgaan maar als water en vuur.

En dáár zwol mijn krop en ik merkte ik barst
uit in vibrato als een marktkoopman
op de maten van duiven de Wester de Dam.

II Toeristisch intermezzo/ Gedicht dat op een T-shirt past
De gazelles bereiken Mokum. Een kudde scheert over
het Rokin. Schitterend om te zien
hoe omzet in hun pad ontspringt, flitsjapanners, tietenzoekers –
geliefde vreemden van het seizoen

Een stadsbus wuift, een taxi hoest,
een stoplicht houdt de adem in.
Gazelles waarderen het gebaar,
spitsen hun oren op het zebrapad en neigen
voor een salmiak meisje met dambord-haar

Koud is het in Amsterdam. Rijp ligt op de palmen
Maar de volgende kudde kondigt zich aan. Gazelles
jagen door de stad. De politie leidt ons in goede banen,
sluit de buitentaps.

Hoefjes klinken in de nacht.
Een nijlpaard gaapt in de Prinsengracht.

III Smartlap voor Amsterdam

Wij drijven als planeten uit elkaar.
We pakken een terrasje onder koude sterren, lallen
ik hou zoveel van je.

Niet alles is verloren maar wel je fiets als je hem niet vastniet
aan het trottoir als het er is.
Wij drijven als planeten uit elkaar.

Ik heb niks van je aan en nee ik heb
geen kleingeld voor koffie maar ik kan
proberen van je te houden.

Je bent een watje dat je nog in God gelooft of Allah
Of hoe heet hij vandaag spicy chicken.
Je bent hulpeloos en misleid maar dat vind je van mij ook.
Ze zeggen dat dat een band schept.

Ik rij je voor je kloten als je niet uitkijkt bij het
oversteken maar dat betekent niet
dat ik niet van je hou.

Wij drijven als planeten uit elkaar
maar ook na honderd miljard jaar
als het Kalfje zijn deuren sluit
hou ik nog van je.
Geloof me maar.

jaeggi om 26 januari 2006 10:07

Post a comment




Remember Me?