« met alles medelijden | Main | nieuwe, tot nog toe onbekende uitdrukking gevonden »

17 december 2005

goedemorgen teleurgestelde Volkskrant Magazine-lezers

(Hierbij uw column van de week)

Het was een prachtige zonnige herfstdag. Op de gracht waar ik fietste was precies plaats voor mij en de grote donkerblauwe BMW die naast mij reed. Dat wil zeggen, tot hij van de rechte lijn afweek en mij geleidelijk steeds verder opzij drukte. Ik riep een waarschuwing. De BMW bleef doordrukken. Ik keek opzij en zag dat de bestuurder met één hand aan het stuur en de andere aan zijn oor, druk in gesprek was. Ik slaakte een tweede kreet, maar hij hoorde mij niet. De geheel in bont verpakte vrouw naast hem keek strak voor zich uit, alsof ze het wel gewend was dat er naar haar geschreeuwd werd. Het was duidelijk dat er ingegrepen moest worden. Allereerst redde ik mijzelf met een atletische sprong naar de stoep, die door voorbijgangers werd beloond met spontaan applaus. De BMW sukkelde intussen rustig verder over de gracht. ‘Dat gaat zo maar niet, schurk,’ siste ik. Ik sprong op mijn fiets en zette de achtervolging in. Toen ik de BMW had ingehaald zwenkte ik de stoep op, schoot langs zijn voorbumper de straat weer op, gooide mijn fiets in de slip en remde dwars voor zijn wielen. Hij stopte op een paar centimeter van mijn kettingkast. De bestuurder, een vlezige jonge man met een gouden brilmontuur, keek met een verveelde blik naar het obstakel, terwijl hij zijn telefoongesprek afmaakte. De vrouw rommelde intussen in haar schoot, haalde een sigaret tevoorschijn en stak die tussen haar volle lippen. De bestuurder klapte zijn mobiel dicht, opende langzaam zijn portier, hees zich naar buiten, legde één arm op het dak en de andere op het portier en zei: ‘Ja, wat mot je nou.’
‘Wat ik moet, vriend? Ik moet niets! Gij moet uitkijken, dát moet ge. Zoeven terug sneed gij mijn pad af! Denkt ge dat ge alleen op de wereld zijt, ongedierte? Als gij u in de stad beweegt moet gij uit uws doppen kijken, en niet ondertussen met uwen mobiele kunstpik in uwes oor zitten wroeten.’
De vrouw schoot in de lach. De bestuurder wierp een getergde blik naar binnen, maar ze deed of ze hem niet zag. In plaats daarvan draaide ze haar raampje open en blies een strakke rookpluim in de tintelende winterlucht.
‘Oké, jij je zin,’ zei hij. ‘Haal nou die fiets maar weg, dan kan ik doorrije.’
Hij maakte aanstalten weer achter het stuur te gaan zitten. Met mijn fiets aan de hand liep ik naar de kant van de auto waar de vrouw zat. Ze had lichte groene ogen, die me vrijpostig opnamen. Ik zei: ‘En u, jongedame, zou uw partner erop moeten wijzen dat handsfree bellen tegenwoordig verplicht is. Is het niet eenieders verantwoordelijkheid zorg te dragen voor de veiligheid van zijn medemens?’
Haar ogen schoten vol tranen. De man zat weer achter het stuur, maar voor hij kon starten had de vrouw haar portier geopend en was uitgestapt. Zij bukte zich en zei eenvoudig: ‘Vaarwel Willem. Ik ga van je weg. Je bent een patser en een proleet. Het ga je goed.’
Daarna liet ze zich elegant neer op mijn bagagedrager en sloeg haar bonten armen om mij heen. Licht slingerend reden wij de zonsondergang tegemoet, nagestaarde door de bewonderende blikken der gewone mensen.


jaeggi om 17 december 2005 00:53

Post a comment




Remember Me?