« het luchthavengevoel | Main | beste radioprogramma van Nederland bedreigd (2) »
22 november 2005
hide & chic
Morgen verschijnt Hide & Chic, een nieuwe glossy.
'Alwéér een nieuwe glossy?'
Ja, alweer een nieuwe glossy. Had je wat? Laten we blij zijn dat er kennelijk honderdduizenden vrouwen in ons land zijn die graag lezen en de tijd en het geld hebben om zich gek te kopen aan Red, Jan, La Vie, Linda en what have you.
Bovendien sta ik er in. Met een fijn vettig verhaal bij een modereportage. Voor de oerrrgrappige foto's die het verhaal illustreren moet u het blad zelf kopen.
De goden verzoeken
‘Daar zijn we dan,’ zei zij.
‘Daar zijn we dan,’ zei hij.
Ze glimlachten naar elkaar en keken direct verschrikt weer weg, als mensen die tijdens een wandeling ineens aan de rand van een afgrond staan die niet op de kaart stond.
Hij keek naar buiten, waar de wind de wolken in stukken hakte boven het woelige water van de plas. Zij keek de kamer rond. Het interieur van de blokhut was comfortabel op een ruige manier, en tamelijk verontrustend. Een kleine veestapel had het leven gelaten om de hut in te richten: de stoelen en banken waren volgestapeld met kussens vol ganzendons en bontvachten; op de vloer lagen geprepareerde koeienhuiden die warm en ruw aanvoelden als je er met blote voeten over liep, en boven het bed in de kleine, knusse slaapkamer hing een gewei. Dat had ze gezien toen ze snel even de hut had rondgekeken terwijl hij de boot afmeerde.
‘Ja, daar zijn we dan,’ zei hij, zich lui uitrekkend. Ze glimlachte naar hem en richtte haar blik weer naar buiten. Wat stom, dacht ze. Wat ongelooflijk stom om je ergens zó op te verheugen. Er kwam een uitdrukking in haar op die haar moeder te pas en te onpas had gebruikt: het was de goden verzoeken. Al ging het om een verbrande boterham of een geknapte veter, altijd werden de goden er met de haren bijgesleept. Maar toen ze naar hem keek, vanuit een ooghoek, begreep ze waarom de goden op dit moment ook jaloers moesten toekijken. Wat is hij mooi, dacht ze. Zo mooi, en zo ongelooflijk jong. Zo jong ben ik nooit geweest.
Sinds hun eerste ontmoeting, op de verjaardag van een wederzijdse vriend die veertig was geworden en daarom een feest had gegeven waarmee hij alle hoop op een beter leven in de tweede helft definitief de bodem insloeg, had hij haar altijd als een dama behandeld, vanaf het moment dat ze, half dronken en met de slappe lach zwaar tegen hem aan hangend het huis uit was gewankeld en snurkend naast hem in slaap was gevalen toen hij haar naar huis reed. Natuurlijk was er die nacht niets gebeurd: hij was ouderwets op het overdrevene af. Hij schoof haar stoel achteruit als ze aan tafel gingen, ook als ze gewoon thuis aten, hij hield de deur voor haar open – hij had haar zelfs een keer per ongeluk, in zijn haast om vóór haar bij de deur te zijn, een schouderduw gegeven die haar half in een potplant deed belanden. Daarna had hij een week lang elke dag rozen laten bezorgen, tot ze hem gezegd had dat hij daarmee op moest houden, maar toen ze zijn verwarde, schuldbewuste gezicht had gezien had ze hem mee naar binnen getrokken en hem tegen de muur geduwd en haar mond gulzig over de zijne gestulpt en met haar onderbuik tegen zijn kruis gedraaid, tot hij haar zacht wegduwde en in haar gloeiende oor fluisterde: ‘Nog niet. Nu niet. Denk aan wat we afgesproken hebben.’
En nu was het zover en het enige waar ze aan kon denken was de onvermijdelijke mislukking die op hen lag te wachten, nu nog maar een paar uur bij ze vandaan. Ze had onderweg naar het eiland al visioenen gehad van omvallende flatgebouwen en woedende modderstromen die door ongelukkige dorpjes raasden. Ze zag treinongelukken in tunnels en raketten die na het opstijgen kantelden en doormidden braken.
‘Wil je wat drinken, Mink?’ vroeg hij. Hij stond in de deuropening met twee slanke champagneflûtes in zijn handen. Hij had de scheve grijns op zijn gezicht waar ze van hield vanaf het eerste moment dat ze hem zag, maar die ze nu het liefst van zijn gezicht getrokken en in het water gesmeten had.
‘Is het niet een beetje vroeg?’
Hij liep op haar toe, het glas uitgestoken.
‘Hier bestaat geen tijd,’ zei hij.
Hij duwde het glas in haar hand en hield het zijne op.
‘Op de liefde.’
Ze draaide zich om en liep terug naar het raam. Het uitzicht, met de wolken die straalden als de transen van een sprookjeskasteel, benam haar de adem. Aan het kleine, wrakke steigertje lag de boot. Achterin lag nog de absurd weelderige bontjas die hij voor haar had uitgespreid voor hij de riemen in de dollen tilde en de boot afduwde. Hij moet die jas nog binnenhalen, dacht ze onwillekeurig, maar ze schaamde zich voor haar prozaïsche gedachte toen ze zich herinnerde wat hij gezegd had toen ze op de steiger stonden en hij haar hielp met instappen.
‘Een dame hoort niet op harde houten bankjes te zitten,’ zei hij, grijnzend.
‘Nou zeg,’ had ze geprotesteerd, maar toen ze het gewicht en de warmte van het bont aan haar vingers voelde sloot ze haar ogen en leunde achterover en dacht niet meer aan protesten. Hij had hen naar het eiland geroeid met rustige, regelkmatige slagen en zij had net gedaan of ze niet merkte hoe hij naar haar keek. Hij zag hoe de herfstzon met gouden vingers haar gezicht streelde en de wind vrijpostig door haar haren woelde. Hij had geen idee dat vóór hem al duizenden mannen hadden bestaan die hun vrouw op precies dezelfde manier hadden gezien, die in gedachten precies dezelfde woorden hadden gebruikt, en als hij het wel had geweten had het hem niet kunnen schelen. Hij was gelukkig, voor het eerst in zijn leven. Ze was ouder dan hij. Ach, die paar jaar, zei hij schouderophalend, maar zij schudde boos haar hoofd en zei dat ze zijn moeder had kunnen zijn, en dan lachte hij luid en vroeg of in haar familie de meisjes allemaal voor hun tiende werden uitgehuwelijkt.
Hij liet zich neer in een stoel die het midden hield tussen een fauteuil en een ongemakkelijk rechte schoolstoel, op iets wat een reusachtig gevild konijn leek te zijn. Hij schopte zijn suede instappers uit en schoof het tafeltje met de petits-fours een eindje in haar richting. Zij stond nog altijd met haar rug naar hem toe voor het raam. Hij schoof onderuit in zijn stoel en keek naar haar lange lichaam, de smalle schouders, de lange zachte nek. De iets te modieuze laarzen, zwart en rood leer. Hij wist niet precies wat hij voelde, het had het zoete van vertedering maar hij voelde ook iets schuren in zijn borst, iets dat rook naar broeiend hooi en de lucht van grote katten.
‘Kijk niet zo naar me,’ zei ze.
Hij lachte. ‘Hoe weet je dat ik naar je kijk? Dat kun je helemaal niet weten. Ik heb ooit gelezen, ik weet niet meer waar, ze hebben weleens proeven gedaan met mensen, die moesten dan met huin rug ergens naartoe staan en aangeven of er naar ze gekeken werd, maar zelfs als er meer dan honderd mensen keken konden ze het niet met zekerheid zeggen. Dus hoe weet je nou dat ik naar je zat te kijken?’
Ze draaide zich om, deed de paar stappen naar zijn stoel en boog zich over hem heen. Haar mond raakte zijn oor. ‘Omdat ik dat ook zou doen,’ fluisterde ze.
‘Ik voel me net alsof ik in een film zit,’ zei ze.
Hij knikte. ‘Logisch. Champagne drinken in bed, dat doe je niet dagelijks.’
Hij wees met zijn glas naar de wand van de slaapkamer, waar haar tas en het flodderjurkje dat ze gekocht had voor hun zedeloze weekend slordig over een gewei hingen. Het zedeloze weekend, als ze het in gedachten zo noemde kon ze er tenminste om lachen, en dat luchtte op.
Hij trok met zijn glas een lijn naar het bed en zei: ‘Straks gaat de camera zo over de grond, weet je wel, en dan zie je eerst een paar schoenen, en dan een stel panty’s en een rok, en dan gaat hij omhoog en dan zie je een BH over een stoel hangen…’
‘Ja, hou nou maar weer op.’ Ze ging met een ruk overeind zitten.
Geschrokken legde hij een hand op haar rug. Ze schudde hem af.
‘Liefje, wat is er?’
Die seks ook altijd, dacht ze. Ze voelde de tranen opkomen maar beet ze opstandig terug. Waarom moet het daar toch altijd op uitdraaien? Waarom niet gewoon met deze heerlijke jongen, deze godenzoon die zijn eigen ouders niet kent, onder deze enge beestenvellen kruipen en in slaap vallen voor achtenveertig uur.
Maar ze kende zichzelf goed genoeg om te weten dat ze zelfs daar niet veilig zuden zijn, dat dat juist het gevaar alleen maar groter maakte, dat er maar een vleugje van zijn geur, alleen de suggestie van de warmte van zijn huid nodig was om hen allebei in de chaos te storten van grijpende handen, armen als wurgende slangen, zweet, gekreun, hulpgeroep, de eindeloze val en dan het moeizame, trieste terugkruipen naar de werkelijkheid.
Ze ging rechtop zitten en vouwde haar handen over haar gezicht. ‘Ik kan dit niet,’ zei ze gesmoord. ‘Het spijt me. Kunnen we alsjeblieft teruggaan?’
Toen ze haar handen liet zakken en zijn gezicht zag wilde ze dat ze het niet gezegd had, maar het was al te laat. Hij keek haar even aan, toen sprong hij uit bed, greep de canvas tas van de grond en begon haar kleren erin te leggen, heel voorzichtig, zoals je kuikens hanteert.
(wordt vervolgd)
(Het slot van dit verhaal staat in de nieuwe Hide & Chic. Vind u dat een staaltje lezersbedrog? Ik niet. Als u het verhaal goed genoeg vindt om uit te lezen is het ook goed genoeg om voor te betalen. En denk maar niet dat u het snel even in de tabakszaak of de AKO kunt uitlezen: alle personeel is ingelicht en ze houden u in de gaten. Veel leesplezier!)
jaeggi om 22 november 2005 09:58
