« Het boek is weer beter | Main | the girls in my life, part IV »
26 november 2005
goedemorgen teleurgestelde Volkskrant Magazine-lezers
Hierbij uw column voor deze week.
Verlossing
De Verlosser wandelt door de supermarkt. Hij bevrijdt komkommers en kaas uit hun plastic dwangbuizen. Hij prikt gaatjes in de vacuüm koffiepakken, die opgelucht zuchten. Hij steekt armenvol avocado's in zijn zakken, om ze straks los te laten in de vrije natuur. Met betraande ogen streelt hij de diepgevroren garnalen. Voor hen kan hij niets meer doen.
Dan komen de bewakers en nemen hem mee.
In het kantoortje van de filiaalchef krijgt hij koffie in een plastic bekertje, terwijl ze op de politie wachten. De chef bekijkt hem nieuwsgierig. Hij draagt een net grijs pak, met eroverheen een verschoten blauw regenjack, dat een handbreedte korter is dan zijn jasje. Zijn witte haar is iets te lang. De Verlosser slurpt bij het drinken.
'Mag ik u iets vragen?' zegt de chef.
De Verlosser glimlacht over de rand van zijn koffiebekertje.
'Wat bezielt u?' vraagt de chef.
'Hetzelfde als u,' zegt de Verlosser. Hij houdt zijn bekertje op voor meer koffie. De chef pakt de kan van het warmhoudplaatje en schenkt hem bij. De Verlosser begint weer te slurpen. Iets in de houding van de man geeft de chef het gevoel dat hij zich zou moeten verontschuldigen, maar hij zou niet weten voor wat.
De Verlosser staart in zijn bekertje. Zijn lippen bewegen, maar wat hij zegt is onhoorbaar. De chef buigt zich naar voren. Als de Verlosser ineens opkijkt doet hij snel alsof hij de kantoorkalender aan de wand bestudeert, die nog op mei (kersenbloesem) hangt terwijl het allang november (sparrenbomen) is. Hij hoort de Verlosser prevelen, de chef zou kunnen zweren dat het klonk als: dankjewel, vriend koffieboon.
Er wordt geklopt. Twee agenten komen binnen, een man en een vrouw. De man is kaal en heeft een snor, de vrouw is blond.
'Ach, een ouwe bekende,' zegt de mannelijke agent als hij de Verlosser ziet zitten.
'Dag Theo,' zegt de Verlosser vriendelijk.
'Eh, eh, wat hadden we nou afgesproken?' De agent zwaait met een vinger in de lucht.
'Dag meneer Jaddoe.'
'Dat dacht ik ook,' zegt de agent tevreden. Hij richt zich op en kijkt het kantoortje rond, met zijn handen in zijn zij. Het is net of hij de chef niet ziet.
‘Wilt u een aanklacht indienen?’ vraagt hij aan de lucht.
‘Nee,’ zegt de chef. ‘Niet als hij belooft om het nooit meer te doen.
‘Dat belooft hij,’ zegt de blonde agente. Zij legt een hand op de schouder van de Verlosser, die zijn voorhoofd fronst.
'Eh. Wat hadden we nou afgesproken?'
'O sorry hoor,' zegt de agente. Ze grijnst naar haar collega en zegt dan, met plechtige stem: 'Verrijs!' Gehoorzaam staat de Verlosser op. Hij zet zijn beker op het bureau met een oneindig teder gebaar.
Uren nadat de Verlosser en zijn escorte zijn verdwenen zit de chef nog achter zijn bureau. Het personeel is allang naar huis. Hij luistert naar het geschreeuw en gelach van de schoonmakers in de zaak en dan, ineens, vindt hij de woorden voor het onbestemde gevoel dat hij al weken met zich meedraagt. Ik ben net een verkeerslicht, denkt hij, zo een dat midden in de stad staat en netjes van groen op rood springt, en waar iedereen de hele dag straal aan voorbijrijdt.
jaeggi om 26 november 2005 12:02
